De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is er nog steeds stellig van overtuigd dat we er net zoals bij het SARS-virus in 2003 zullen in slagen om het nieuwe coronavirus SARS-CoV-2 de wereld uit te bannen, op voorwaarde dat we enerzijds de nodige hygiënemaatregelen en anderzijds draconische maatregelen in acht nemen.
...

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is er nog steeds stellig van overtuigd dat we er net zoals bij het SARS-virus in 2003 zullen in slagen om het nieuwe coronavirus SARS-CoV-2 de wereld uit te bannen, op voorwaarde dat we enerzijds de nodige hygiënemaatregelen en anderzijds draconische maatregelen in acht nemen. Het bestcasescenario is dat de Chinese vuurzee wordt ingedamd en dat de kleinere haarden die in de rest van de wereld zijn opgeflakkerd, uitdoven tegen de zomer. Als we enkel naar de situatie in China kijken, lijkt zo'n scenario geen utopie. Daar vertoont het aantal besmettingen ondertussen een daling. In de rest van de wereld is het virus sinds deze week nog maar in opmars met gevallen die geen enkele link meer hebben met China. Als het virus niet kan worden ingedijkt, zou covid-19 volgens de Amerikaanse epidemioloog Marc Lipsitch van de Harvard Chan School of Public Health, het komende jaar 40 tot 70 procent van de wereldbevolking kunnen besmetten en een heuse pandemie worden. Coronavirussen hebben de immers de neiging om hun genoom te veranderen door aan een vrij hoog temp te muteren. Bovendien is onze wereld hypergeconnecteerd. Uit onderzoek blijkt gelukkig dat 80 procent van de besmette personen slechts milde symptomen vertoont. Dat neemt niet weg dat covid-19 nog altijd dodelijker is dan een seizoensgriep en dus een gigantische dodelijke tol zou eisen. Zo'n worstcasescenario betekent voor ons land volgens viroloog Steven Van Gucht,, voorzitter van het wetenschappelijk comité rond het coronavirus, dat er sprake zou kunnen zijn van 13.000 gediagnosticeerde gevallen, met 2.000 tot 3.000 hospitalisaties en 500 tot 700 patiënten die op de intensive care terecht zouden kunnen komen. Dat is vergelijkbaar met een zware seizoensgriep, klinkt het.Maar aan een pandemie komt altijd een einde. Wanneer de besmettingsketen voldoende doorbroken wordt, zowel door immuniteit als door quarantainemaatregelen en reisbeperkingen, en het virus niet muteert, kan het uiteindelijk geen kant meer op. In het geval van de nog relatief onbekende covid-19 is dit niet evident. Het virus is ontzettend besmettelijk, de incubatieperiode is vrij lang en sommige patiënten vertonen geen symptomen. Steeds meer wetenschappers denken ook aan een ander scenario, namelijk dat covid-19 een endemie wordt en zich permanent vestigt in de menselijke populatie en de wereld rondreist. Dat betekent dat het virus deel zal gaan uitmaken van een arsenaal aan jaarlijks terugkerende seizoensvirussen, zoals influenza en andere coronavirussen. Deze respiratoire virussen zijn seizoenaal omdat koudere temperaturen voor een beter gelachtig omhulsel zorgen dat de viruspartikels beschermt wanneer het zich in de lucht bevindt. Een sterke schulp zorgt dus dat ze langer overleven om ondertussen van de ene mens naar de andere over te gaan. Andere redenen waarom warmere temperaturen een seizoensvirus doen verdwijnen zijn een hogere aanwezigheid van vitamine D in de bevolking en minder mensen die samen binnen opeengepakt zitten. Al is het niet zeker dat de komst van de lente SARS-CoV-2 tijdelijk zal doen verdwijnen. Het SARS-coronavirus verdween dan wel in de zomer om nooit meer terug te komen, enkele maanden na zijn ontstaan, maar het nog steeds aanwezige MERS-coronavirus, dat in 2012 opdook, gedraagt zich helemaal anders met verschillende viruspieken in de zomer. De mens kent nog vier andere coronavirussen die endemisch zijn. Die veroorzaken milde verkoudheidssymptomen, maar soms ook longontstekingen. Aangenomen wordt dat deze virussen in de mens zijn geëvolueerd om zichzelf via mutatie maximaal te kunnen verspreiden, dit wil zeggen dat ze hun gastheer ziek maken, maar niet doden. SARS en MERS, de andere twee coronavirussen die werden opgepikt uit dieren, waren veel minder wijdverspreid, net omdat ze zo dodelijk waren voor de mens. Waren er meer milde of asymptomatische gevallen geweest, dan hadden we destijds eenzelfde situatie als vandaag gekend met covid-19. SARS verdween uiteindelijk uit de bevolking omdat het virus muteerde in het voordeel van de mens. De ziekte werd weliswaar veel ernstiger, maar moelijker over te dragen. SARS en MERS maakten allebei elk minder da 1.000 dodelijke slachtoffers. Ook influenzavirussen zijn wijdverspreid, maar minder besmettelijk als covid-19. Influenza, dat al meer mensen gedood heeft dan eender welk ander virus (jaarlijks 646,000 doden), is eveneens een seizoensvirus. Het influenzavirus is vergelijkbaar met het coronavirus omdat ze allebei één enkele RNA-streng bevatten. De Zwitserse evolutionaire bioloog aan de universiteit van Bazel, Richard Neher, heeft op basis van een virusmodel aan de hand van willekeurige mutaties van het genoom van covid-19, het patroon van de ziekte berekend. Daaruit blijkt dat we een piek zullen kennen van covid-19 in de noordelijke hemisfeer in het winterseizoen 20/21. We zullen dan mogelijk niet alleen meer spreken van een 'verkoudheids- en griepseizoen', maar van een 'verkoudheids-, griep,- en covid-19-seizoen'.De vraag is echter hoe zwakkere groepen in de samenleving zullen reageren op de komst van een extra virus. Elke bijkomende pathogeen is bovendien een extra last voor de publieke gezondheid in kwetsbare gebieden. Een geluk is dat de volgende covid-19-seizoenen wellicht niet zo ernstig zullen zijn als wat we nu meemaken. Wanneer het aantal genezen patiënten stijgt, wordt het voor het virus heel wat moeilijker om zich te verspreiden. De mensen die eerder besmet waren, hebben antistoffen in hun lichaam en zijn zo'n vijf tot tien jaar immuun. De gevallen in Japan en China waarbij mensen voor een tweede keer besmet werden met het nieuwe virus zijn wellicht uitzonderingen. Zulke fenomenen komen bij elk virus weleens voor. Er zijn nog geen tekenen dat het virus muteert. De verschillende DNA-sequenties die momenteel beschikbaar zijn, zijn zo goed als identiek. Al blijft het voorlopig gissen hoe SARS-CoV-2 zich in de toekomst zal gedragen. Zoals gezegd hebben coronavirussen de neiging om te muteren. Muteren is immers het beroep van een virus. Dat is ook belangrijk met het oog op de ontwikkeling van een vaccin. Heel wat internationale onderzoeksgroepen zijn dezer dagen volop in de weer om zo snel mogelijk een vaccin voor het nieuwe coronavirus te ontwikkelen én vervolgens op grote schaal te produceren. Wanneer SARS-CoV-2 muteert, zal het huidige vaccin niet veel impact kunnen hebben. De klassieke onderzoekscyclus om een vaccin te ontwikkelen en op de markt te krijgen, duurt vijf tot tien jaar. Eerst is er een preklinische fase nodig om mogelijke vaccins te onderzoeken en bij diermodellen na te gaan of ze beschermen én niet schadelijk zijn. In een tweede fase volgen kleinschalige testen met uiteenlopende dosissen op mensen om te zien of de immuunrespons naar verwachting is en of er andere reacties zijn. Pas daarna volgt een grootschalige studie en wordt er parallel een grootschalige productie voorbereid. Aangezien wetenschappers kunnen voortbouwen op de ontwikkeling van een SARS-vaccin, zal het covid-19-vaccin iets sneller dan normaal beschikbaar zijn. Wetenschappers mikken op een termijn van twallf tot achttien maanden. Ook al verdwijnt het virus deze zomer voorgoed en zal het vaccin misschien nooit worden gebruikt, toch is de wereld genoodzaakt om het vaccin te ontwikkelen.