Ook de wereld van de mentale gezondheid staat in brand, en alle partijen laten van zich horen: patiënten, psychologen, psychiaters maar ook de gewone burgers, meestal met grote ontevredenheid. De klachten zijn legio: te lange wachtlijsten, niet genoeg gespecialiseerde hulp, te veel psychotrope medicatie en, last but not least, te veel mentaal lijden en te veel suïcide.

Als hoogleraar in het gebied, als clinica met ervaring in de 'zware' psychiatrie en binnen een thuispraktijk, en als actor in het politieke veld (lid van het bureau in de federale raad voor de gezondheidszorgberoepen) mocht ook ik hierover laatst getuigen in Knack. Dat viel niet in goede aarde bij Frieda Matthys en Kirsten Catthoor van de Vlaamse Vereniging voor Psychiatrie (VVP).

Wellicht is het tijdverspilling om te antwoorden op de sneren onder de gordel. Ik werkte drie jaren met psychotische patiënten in het Psychiatrisch Centrum te Beernem en heb er niet enkel vele patiënten begeleid, ik heb er ook in extenso over gepubliceerd.

Mijn betoog in de Knack ('Ik strijd voor de identiteit van het beroep van psycholoog die losstaat van de geneeskunde. In die zin is psychiater een paradoxaal beroep. Dat gezegd, psychiaters hebben een goede beroepseer en hun vakgebied heeft een lange geschiedenis, waardoor ze vaker kritisch nadenken op een intellectueel niveau dat ik soms mis bij psychologen') kan bezwaarlijk gelezen worden als het 'zo nodig promoten van een polarisering tussen geneeskunde en psychologie'. Men zou er bijvoorbeeld ook een authentieke appreciatie voor deze beroepsgroep in kunnen horen.

Wat er ook van zij, wellicht heeft het publiek geen boodschap aan dit soort gekibbel en is het veel interessanter om elkaar uit te nodigen tot debat. Het feit dat we ten gronde dezelfde bekommernis delen - het mentale welbevinden van onze medeburgers - zou moeten garant staan voor de openheid tot dergelijk overleg.

In die zin deel ik niet de analyse van beide psychiaters dat wat ik het failliet zou noemen van de mentale gezondheidssector, louter het gevolg zou zijn van een budgettaire onderfinanciering. Deze analyse vind ik te weinig kritisch voor de eigen manier van functioneren, en dus te makkelijk. Het lijkt me ook cruciaal die analyse door te denken want als er middelen bijkomen zonder dat het systeem verandert, zou het best kunnen dat de tekorten hoe dan ook zullen blijven bestaan.

De vrees is bijvoorbeeld legitiem dat hoezeer er ook middelen voor diagnostische expertisecentra bijkomen, de wachtlijsten sneller zullen groeien dan dat de capaciteit toeneemt. Misschien is deze overweging ook wat de politiek wat afremt in het financieren van de sector? Het zou ons ook als een boemerang in het gezicht kunnen terugslaan en financiering op termijn algeheel ontmoedigen. Immers, hoe meer geld er in de sector gepompt wordt, hoe minder het eind van de tunnel in zicht lijkt.

Mijn betoog is dan ook dat we mentale ontreddering bij het verkeerde eind nemen: zowel een biomedische benadering - de ziekte is het gevolg van een ontregeling ter hoogte van hormonen, genen, neurotransmitters of hersenstructuren - als een sociale benadering - de ziekte is het gevolg van de drukte en de ratrace in een neoliberaal en meritocratisch kapitalistisch systeem - werken een slachtofferpositie in de hand.

Maar we kunnen mentale ontreddering ook benaderen als een psychisch gegeven dat niet herleidbaar is tot het lijf noch tot de omgeving, noch tot een combinatie van beide. In dat mentale perspectief geldt: wat ook het lijf is waarmee ik geboren werd, welke ook de maatschappij is waarin ik geboren werd, mijn lot is niet bezegeld: ik heb een vrijheidsmarge waarin mijn mentale inzet mee vorm zal geven aan mijn leven.

'Samen sterk zonder stigma' publiceerde laatst een artikel met als kop: 'Als je er niks aan kan doen, dan hoef je je er niet voor te schamen'. Maar suggereert dit ook dat als je er wel iets aan kan doen en je doet het niet, je je dan moet schamen? Zijn het menselijk leven en de menselijke conditie dan zo makkelijk, dat iedereen die steeds aankan? Maar wat is dan de rol van psychologische hulp?

Het veld van de psychologie verbindt zich ertoe de patiënt bij te staan, zolang het nodig is en zonder te wijken - en bovenal op een onvoorwaardelijk wijze, zonder de nood aan een diagnostisch etiket of een verrechtvaardiging. Wie hulp vraagt, heeft recht op hulp.

Uiteraard wordt de bezorgdheid dan: als er al niet genoeg geld is voor alle diagnostische groepen die erom vragen (autisme, ADHD, ontwikkelingsstoornissen ...), hoe kan er dan geld zijn voor hulp op simpele vraag?

Hier ligt de redeneringsfout: in een technisch-medisch model waarin pas een expertendiagnose toegang verleent tot een gespecialiseerde hulp, moeten we wachten tot er een plaats vrijkomt in een aangepast centrum; in een sociaal model waarin een diagnose een identiteit wordt die 'lidmaatschap' verleent, ontstaan voor elke diagnose belangengroepen die aandacht, medeleven, geld en infrastructuur opeisen.

De combinatie van beide bewegingen zetten het veld helemaal vast, zowel voor de gebruikers als voor de financiers. Dat is ook logisch: beide bewegingen zijn verlammend omdat ze ons ontslaan van het nadenken over het eigen verhaal en hoe in dat verhaal ook misschien verklaringen liggen voor wat ons plots ontreddert. Met als gevolg dat mensen inderdaad door gebrek aan zorg, bijvoorbeeld door te lange wachtlijsten, lijdzaam wachten op expertenhulp terwijl de toestand van kwaad naar erger evolueert.

Maar we vergissen ons wat de ware toedracht van psychologische hulp betreft: clinici zijn geen experten bij wie we moeten aanschuiven om de juiste levenswijze te vernemen, maar kunnen wel helpen onszelf te helpen om te leven volgens het eigen verlangen. Dat we dit vaak niet alleen kunnen, is alles behalve schaamtevol, en precies het domein van de psychologie.

Wanneer we als psychologen elke patiënt, wars van zijn etiket, zoveel mogelijk inzicht in het eigen verhaal en in de hefbomen van het eigen functioneren geven, promoten we precies de autonomie en de weerbaarheid en pas deze benadering van mentale ontreddering is fundamenteel emanciperend.