In het jaar 64 schreef de Romeinse filosoof Seneca aan zijn vriend Lucillus: 'Er is niets zo ellendig en zinloos als op voorhand tegenslagen tegemoetzien. Wat een gekte is het om het kwaad te verwachten, voordat het er daadwerkelijk is.'
...

In het jaar 64 schreef de Romeinse filosoof Seneca aan zijn vriend Lucillus: 'Er is niets zo ellendig en zinloos als op voorhand tegenslagen tegemoetzien. Wat een gekte is het om het kwaad te verwachten, voordat het er daadwerkelijk is.' Piekeren is iets van alle tijden en culturen, en zelfs van alle leeftijden (zie kader 1). Maar waarom zit het ingebakken in onze natuur als het schijnbaar zinloos is? Het fenomeen houdt ook wetenschappers in de ban. Na de eerste wetenschappelijke publicatie over piekeren van de Amerikaanse psycholoog Thomas Borkovec nam het onderzoek ernaar een vlucht. Ook de Nederlandse psycholoog Bart Verkuil, onderzoeker en docent aan de Universiteit Leiden en behandelend psycholoog, legde zich erop toe en schreef er onlangs een bijzonder helder boek over. 'We spreken over piekeren als het gaat om een aaneenschakeling van negatieve gedachten', legt Verkuil uit. 'Typische piekergedachten beginnen vaak met 'wat als?' en monden uit in het ene na het andere onheilspellende scenario, met in de hoofdrol voornamelijk mensen en dingen die ons écht raken. Volgens psycholoog Steven Hayes is alledaags piekeren daarom een soort pijn die we moeten accepteren, omdat we nu eenmaal liefhebbende wezens zijn. Piekeren is een vorm van verborgen zorgzaamheid. We moeten bereid zijn dat gepieker te ondergaan, is zijn stelling, omdat het totaal geen zin heeft er strijd mee te voeren.'Piekeren is dus iets wat ons tot mens maakt. Maar net omdat we vooral piekeren over wie of wat ons raakt, is het lastig om er een rem op te zetten. Ook omdat piekeren veelal automatisch, als in een reflex, gebeurt. 'Het heeft dan ook een belangrijke evolutionaire oorsprong', zegt Verkuil. 'De verre voorouders van de stevige piekeraars onder ons waren de 'waakzamen', altijd op hun hoede voor dreigend gevaar. Daarnaast had je de 'daredevils', die juist plezier haalden uit het verkennen van onbekend terrein om er het beste voedsel te vinden. Beide typen waren belangrijk voor het in stand houden van de mens als soort. De mens evolueerde uiteraard. Ging steeds meer in groep leven. Moest steeds minder op zijn hoede zijn voor concrete dreigingen, zoals roofdieren die zijn pad kruisten. Maar kon zich ook na verloop van tijd, door zijn evoluerend brein, dreigingen inbeelden, en op basis daarvan tot voorspellingen over de toekomst komen: piekeren dus. Ook dat bleek nuttig te zijn voor het voortbestaan van zijn soort. De mens werd een alsmaar socialer wezen, dat voor zijn voortbestaan goed met anderen moest kunnen samenleven. En door te piekeren over wat dat samenleven in gevaar zou kunnen brengen, en daarmee rekening te houden, hielden de 'waakzamen' de groep bijeen.' Het is dus evolutionair te verklaren dat ook de piekeraars van vandaag nog vaak erg op harmonie gericht zijn, complimenteus zijn en een grote hekel hebben aan ruzies. Makkelijke mensen om mee samen te leven, zou je denken. 'Tenzij hun sociale kant doorslaat en ze overmatig piekeren', merkt Verkuil op. 'Chronische piekeraars zijn bovengemiddeld goed in het lezen van negatieve gevoelens en gedachten van anderen, waardoor hun zorgen om anderen en om wat anderen over hen denken zich weleens opstapelen. Hun bezorgdheid slaat om in overbezorgdheid, die flink wat irritatie bij de omgeving kan geven. Zelf hebben overmatige piekeraars het vaak moeilijk met het aangeven van hun grenzen. Ze spreken thuis, op het werk en onder vrienden hun eigen irritaties niet of onvoldoende uit. Beantwoorden verzoeken veel te gemakkelijk met 'ja'. En accepteren kritiek zonder veel tegengeluid. Niet verwonderlijk dus dat ze sneller overbelast raken en weleens te kampen krijgen met plotse woede-uitbarstingen, en bij jarenlang chronisch gepieker ook met stressgerelateerde lichamelijke klachten.'De dosis maakt dus het vergif. Want in normale proporties heeft piekeren best voordelen. 'Ook een ingebeelde dreiging, zoals bij piekeren, brengt een stressreactie teweeg. Je lichaam wordt voorbereid op 'actie' om de verwachte schade te beperken. Al piekerend kom je dus sneller in een prestatiemodus, en dat kan nuttig zijn. Zo is bekend dat mensen die geregeld piekeren eerder geneigd zijn om mee te doen aan screenings om kanker vroegtijdig te detecteren. En volgens psycholoog Kate Sweeny weten gezonde piekeraars vaak beter om te gaan met tegenslagen, omdat ze zich daarop al piekerend een beetje hebben voorbereid. Piekeren leert ons ook wie en wat we écht belangrijk vinden in het leven, zodat we onze prioriteiten en waarden duidelijk zien." Gelukkig zij die in gezonde mate piekeren dus. Maar wat maakt dat sommigen 'doorschieten'? 'De neiging tot piekeren is deels erfelijk bepaald, maar er is zeker ook veel ruimte voor invloed van de omgeving', zegt Verkuil. 'Mensen ontwikkelen makkelijker problematisch piekergedrag als ze al van jongs af op hun hoede leren te zijn. Zoals wanneer ze opgroeien in een onveilige omgeving. Of net in een omgeving die warm en liefdevol is, maar waarin vaak benadrukt wordt dat er iets mis kan gaan en je voorzichtig moet zijn. Ook mensen die weinig vaardigheden kregen aangeleerd om op een gezonde manier met emotionele problemen om te gaan piekeren sneller. Daarom is het zo belangrijk om kinderen te leren relativeren, zichzelf kalmerend toe te spreken, de positieve kant te zien, voor zichzelf op te komen, steun te zoeken bij anderen, enzovoort. Ook volwassenen kunnen daar zo nodig nog beter in worden, bijvoorbeeld via emotieregulatietrainingen.'Als je minder wilt piekeren, moet je in de eerste plaats beseffen dat piekermomenten keuzemomenten zijn: laat je je verder overweldigen door je piekergedachten, of probeer je er anders mee om te gaan? Hoe je dat laatste concreet doet, valt te leren, via cognitieve gedragstherapie, bijvoorbeeld. 'Je moet onder meer leren loslaten', legt Verkuil uit. 'Veel van de dingen die gebeuren heb je niet in de hand. Wel kun je kiezen hoe je erop reageert. Richt je op zaken die je wél onder controle hebt. Zet je bezorgdheid, die je via je piekergedrag uit, om in een zorgzame actie. Zo kun je je, in plaats van te piekeren over het nog onduidelijke ziekteverloop van je partner, toeleggen op de dingen waarmee je hem of haar kunt plezieren in het hier en nu. Heb je het moeilijk om je aandacht in het hier en nu te richten, dan kan mindfulnesstraining helpen. Je moet in elk geval manieren zien te vinden om je uit je piekermodus te halen. Ook lichaamsontspanning, in vele vormen, kan een heus verschil maken (zie kader 2). Nog een laatste advies om overmatig piekeren terug te brengen tot gezonde proporties? 'Probeer milder naar jezelf én anderen te kijken', besluit Verkuil. 'Veel gepieker gaat over andere mensen en hoe ze 'wel niet over ons zouden kunnen denken'. Bij piekeren ga je uit van een sociale omgeving die onveilig, kritisch of kwaadwillend is. Een omgeving die je in theorie liever mijdt. Maar vaak ligt onder dat gepieker net een behoefte om zich met anderen verbonden te voelen. Uit onderzoek blijkt dat vooral mensen met een wat pessimistische inslag profiteren van contacten met anderen. Net wanneer ze met anderen zijn, rapporteren ze meer positieve gevoelens en optimistische gedachten over de toekomst. Vriendschappen kunnen voor piekeraars dan ook enorm veel betekenen om hun brein tot rust te brengen en echt te genieten.'