De Moai, de mysterieuze reuzenbeelden op Paaseiland, hebben niets te maken met de verheerlijking van een heerser of godheid. Ze werden opgetrokken om de sociale contacten tussen de eilandbewoners te bevorderen. Althans, dat is de theorie van een aantal onderzoekers in het tijdschrift New Scientist. Volgens hen pompten de Maori veel energie in gezamenlijke projecten om het risico op onderlinge conflicten te verkleinen. Een vorm van teambuilding, zeg maar, vooral in tijden dat het hen minder goed ging.
...

De Moai, de mysterieuze reuzenbeelden op Paaseiland, hebben niets te maken met de verheerlijking van een heerser of godheid. Ze werden opgetrokken om de sociale contacten tussen de eilandbewoners te bevorderen. Althans, dat is de theorie van een aantal onderzoekers in het tijdschrift New Scientist. Volgens hen pompten de Maori veel energie in gezamenlijke projecten om het risico op onderlinge conflicten te verkleinen. Een vorm van teambuilding, zeg maar, vooral in tijden dat het hen minder goed ging. Wetenschappers zijn vaak geneigd hedendaagse fenomenen te projecteren op archeologische vondsten en historische monumenten. Daarbij rijst de vraag of wat wij moderne ontwikkelingen noemen niet ook al in vroeger tijden in zwang waren. Zoals het idee van netwerken, en de collectieve intelligentie die daaruit voortvloeit: het feit dat je in groep meer kunt bereiken dan de som van het denkwerk van alle afzonderlijke individuen samen. Dat netwerken lijkt een exclusiviteit van de moderne mens te zijn. De genetische diversiteit van de laatste andere mensensoort op aarde, de neanderthaler, bedroeg slechts een fractie van de onze. Uit DNA-onderzoek van twee fossielen bleek dat bij de neanderthaler zelfs een sterke mate van inteelt moet hebben gespeeld. Mogelijk is die zwakke diversiteit te wijten aan het feit dat beide onderzochte skeletten tussen 50.000 en 60.000 jaar oud zijn. In die periode zag het er voor de neanderthaler al niet meer rooskleurig uit: hij stierf bijna 40.000 jaar geleden uit. De moderne mens koloniseerde 60.000 jaar geleden vanuit Afrika het Euraziatische continent waar de neanderthaler leefde. Meer dan 10.000 jaar was er een overlapping tussen de leefgebieden van beide mensensoorten, wat leidde tot de hypothese dat wij de neanderthaler hebben uitgeroeid - actief of passief. Hij zou, meer dan wij, geleden hebben onder ernstige klimaatveranderingen, zoals ijstijden. Door een leven in heel kleine groepen had hij mogelijk ook schadelijke mutaties in zijn genen. Maar ook random species drift of willekeurige soortendrift zou het verdwijnen van de neanderthaler volgens sommigen kunnen verklaren. Het eenvoudige feit dat onze rechtstreekse voorouders als migrant talrijker waren dan de neanderthalers kan hun verdwijning in de hand hebben gewerkt, zelfs zonder dat er competitie in het spel was. De kleinere aantallen neanderthalers werden gewoon geassimileerd in de grotere aantallen moderne mensen. Er zijn sterke genetische aanwijzingen dat beide soorten onderling kruisten: zo'n twee procent van ons DNA zou een neanderthalerverleden hebben. Mogelijk namen wij de laatste lichting neanderthalers liefdevol in onze eigen gemeenschappen op. In ons dagelijks bestaan vormen wij van nature kleine leefgroepen. De familie in de eerste plaats, want de genen zijn cruciaal, en met familie heb je een groter aantal genen gemeen dan met andere mensen. Maar ook goede vrienden zijn belangrijk. De meeste mensen hebben een beperkte vriendenkring, ondanks de grootschaligheid van onze moderne samenleving. De hersenen van de gemiddelde mens zouden niet in staat zijn meer dan 150 personen meteen te identificeren. Daar zijn doorgaans een vijftal hechte vrienden bij, tussen vijf en vijftig goede relaties, inbegrepen familie en collega's, en tussen vijftig en honderdvijftig lossere relaties, mensen die je regelmatig nodig hebt, zoals de bakker en de huisdokter. Dezelfde relatietypes waren waarschijnlijk ook in de prehistorie aan de orde. Om naar een grotere schaal te gaan, moest je de dingen wat forceren. Het Paaseilandverhaal past daarin. Maar zelfs op de grote schaal van de moderne sociale media blijft die beperkende factor aanwezig. Ook als je duizenden vrienden op Facebook hebt, zul je in je regelmatige contacten terugvallen op enkele tientallen personen. Je kunt nooit duizenden mensen volgen, hoe graag je dat ook zou willen. Je brein verzet zich daartegen, want hoe flexibel het ook is, het slaagt er niet in zich aan die grootschaligheid aan te passen. Het verklaart mede waarom veel mensen zich vandaag eenzaam voelen. Vroeger leefden wij meer in familieverband of in kleine groepen in onze directe omgeving. Veel mensen bleven in de buurt van hun geboorteplek wonen. Vandaag verplaatsen mensen zich veel vaker en doorbreken ze de klassieke verbanden. En steeds meer mensen wonen alleen. Maar door online te werken en te shoppen komen we anderzijds ook minder buiten. De netwerken op straat zijn vervangen door netwerken in een apparaat. Al doen veel mensen niet veel meer dan over de pagina's scrollen, zonder met anderen contact te leggen. Hoe meer ze op sociale media vertoeven, hoe geïsoleerder ze zich voelen. Die eenzaamheid kan een dramatisch effect hebben op de gezondheid. Ze verzwakt de wilskracht, waardoor je minder bestand bent tegen een ongezonde levensstijl. Eenzame mensen zijn gevoeliger voor chronische ziekten - hartproblemen, mentale aftakeling, kanker - dan mensen die veel sociale contacten hebben. Daarenboven werkt eenzaamheid een overbelasting van het afweersysteem in de hand, en leidt ze tot slapeloosheid. Het menselijk lichaam verzet zich met kracht tegen het alleen-zijn. Hoe mensen zich onderling tot elkaar verhouden, vertaalt zich ook in de manier waarop hun samenleving is georganiseerd. In het algemeen kunnen landen als 'strikt' of 'losser' worden gecatalogiseerd. Ons land is een beetje losser dan gemiddeld. Vooral Aziatische landen vallen in de strikte categorie met veel sturing, wetten en normen. Vroeger werd gedacht dat een strikte aanpak bij uitstek voorkwam in regio's met een hoge populatiedruk en een sterke afhankelijkheid van landbouw. Maar vandaag wordt het pakket uitgebreid naar álle factoren die als een externe bedreiging worden gezien, inbegrepen aardbevingen en vijandige volkeren. Politici als Donald Trump in de VS en Marine Le Pen in Frankrijk richten hun boodschappen vooral naar groepen die zich bedreigd voelen in hun economische situatie en daarom minder gemakkelijk voor lossere regimes stemmen. Een strikt bestuur zou de kans verhogen op de coördinatie die nodig is om een bedreiging efficiënt het hoofd te bieden. Strikte samenlevingen zijn conformistisch en doorgaans ook religieus. Ze kennen minder echtscheidingen en criminaliteit, maar meer politie en mediacensuur. Lossere maatschappijen zijn creatiever, innovatiever en toleranter. De mensen zijn er doorgaans ook gelukkiger, zo bleek uit een studie in Proceedings of the National Academy of Sciences in 38 landen. De algemene conclusie was dat de gulden middenweg tussen strikt en losjes de beste oplossing brengt, met de hoogste waarden voor politieke stabiliteit, gezondheid en geluk voor haar leden. Studies tonen ook aan dat mensen geen probleem hebben met een zekere mate van onderlinge ongelijkheid - dat zit ingebakken in ons biologische concept, want zonder ongelijkheid kunnen de mechanismen van evolutie door natuurlijke en seksuele selectie niet spelen. Een analyse in Nature Human Behaviour besluit dat mensen meer problemen hebben met onredelijkheid dan met ongelijkheid. De hamvraag is natuurlijk waar de grens tussen beide ligt: vanaf wanneer wordt ongelijkheid onredelijk? Is het onredelijk dat de acht rijkste mensen in de wereld evenveel verdienen als de 3,5 miljard armsten? Is het onredelijk dat de ceo van een Amerikaanse onderneming 354 keer meer verdient dan de gemiddelde werknemer? De auteurs van de studie - het moet gezegd: drie Amerikanen - wijzen erop dat het omgekeerde ook kan: de Sovjet-Unie viel uit elkaar door een te grote gelijkheid tussen mensen, want dat kan onredelijk overkomen. Volgens hen stelt economische redelijkheid mensen in staat in grote groepen te leven en meer innovatie en welstand te creëren. De belangrijkste conclusie van hun studie was dat we dankzij die redelijkheid onze samenwerking boven de grens van 150 individuen konden tillen, naar een niveau waarop collectieve intelligentie sterk begon te spelen, zodat we enorme verschillen in capaciteiten konden creëren in vergelijking met andere apen en met onze voorouders. Vanuit evolutionair oogpunt lijkt het logisch dat groepen waarin mensen op redelijke wijze samenwerken succesvoller zijn dan groepen waarin dat niet gebeurt. Toch is dat niet vanzelfsprekend, want er zijn ook factoren die met redelijkheid in conflict kunnen komen, de menselijke hebzucht bijvoorbeeld. Het goede nieuws is dat, als redelijkheid een evolutionair voordeel heeft, ons systeem van nature uit zou moeten evolueren naar maximaal mogelijke redelijkheid. Zo'n op redelijkheid gebouwd systeem waarin mensen op grote schaal samenwerken zou, bijvoorbeeld, de enige manier zijn om gigantische wereldwijde problemen zoals de klimaatopwarming op te lossen.