Teun Voeten presenteerde onlangs in verschillende kranten en weekbladen zijn boek over de (Antwerpse) 'narcocultuur'. Soms heet het een studie 'in opdracht van de stad Antwerpen', maar elders klinkt het dat de auteur zelf zijn 'diensten' aanbood nadat in 2018 in zijn straat in Deurne een granaat ontplofte. Wiens idee was het nu eigenlijk? Wat er ook van zij, van peer review - verificatie via de kritische blik van andere wetenschappers (peers) - lijkt geen sprake. Of het boek een voorbeeld van 'embedded journalism' is, laat ik even in het midden, maar de architecten van het Antwerpse drugsbeleid zijn ongetwijfeld in de wolken met deze lofzang.

Het debat over de drugsproblemen in Antwerpen is te veel gepolitiseerd en gepolariseerd, schrijft Voeten. Maar waarom de tenen van veel experten op het terrein gaan krullen bij de term 'yogasnuivers' (zijn uitvinding!), begrijpt hij niet. De term past wellicht in zijn 'hybride' denkwijze: er zijn de problematische en zieke gebruikers (de dakloze junks die overlast veroorzaken) en er zijn de recreatieve gebruikers die doorgaans gezond leven en geen problemen kennen. Alsof de maatschappij in te delen is in een groep onkwetsbare mensen die het goed voor elkaar hebben en op een zuiver egocentrische en hedonistische wijze een maffia op de been houden, en les misérables die er zonder hulp niet geraken.

Na 7 jaar Antwerpse oorlog tegen drugs weten we nu: we mogen niet te veel verwachten van een burgemeester.

Het probleem met de 'grappige' term 'yogasnuivers' is dat ze wordt gebruikt in een strategie die 'responsabiliserend' zegt te willen zijn, maar de facto dient om de gebruiker aan de vraagzijde te 'culpabiliseren': 'yogasnuivers' houden een moorddadig systeem in stand, dat niet zou bestaan zonder de consumptie van cocaïne. Ook Bart De Wever formuleert het in zijn voorwoord bij het boek 'doelbewust in de morele zin': gebruikers zijn medeplichtig aan moord, geweld, afpersing, bedreiging en corruptie. Zo eenvoudig is het natuurlijk niet.

Maffiose groepen zullen steeds nieuwe opportuniteiten zoeken om gederfde inkomsten te compenseren, dat schrijft Voeten zelf in zijn boek. Wat illegale roesmiddelen betreft, kiest de gebruiker niet voor een moorddadig productiesysteem: de strafwetten bepalen de contouren van de marktwerking. Vandaag de dag kan een bewuste en geïnformeerde consument kiezen voor meer biologische groenten of fruit, voor een duurzamer gebruiksproduct, of voor een kledingstuk dat niét in een Indiase sweatshop door kinderen is gefabriceerd. Het culpabiliseren van de consument wordt dan een handige afleidingsmanoeuvre om niet te hoeven debatteren over het falen van een systeem of een politiek aangestuurd beleid. 'Yogasnuiver' mag dus grappig bedoeld zijn, ze is in essentie een politiek geladen term en werkt polariserend.

Voeten wil over legaliseren niet nadenken, maar hij verwijst graag naar het roken, dat vroeger als stoer werd gezien en nu van alle romantiek en glamour is ontdaan. Het is net omdat het legale karakter van tabak een wettelijke regulering en allerlei gedragsbeïnvloedende tools biedt, dat we dat gedrag in de wenselijke richting hebben kunnen buigen. Legalisering is dus geen kwestie van het 'volledig vrij geven van middelen' zoals Voeten beweert: het is een strategie die beter toelaat om de consumptie terug te dringen. De lessen die in de wetenschappelijke literatuur getrokken worden uit de reguleringsmodellen van cannabis in Uruguay, Canada en meer dan tien Amerikaanse staten worden gewoon genegeerd. Nochtans illustreren ze het grote arsenaal van wettelijke instrumenten dat de overheid sedertdien kan inzetten om het druggebruik daadwerkelijk te doen dalen.

Over het Portugese model van decriminalisering van het bezit van álle drugs (dus ook cocaïne) ook geen woord - zelfs al zijn de internationale evaluaties van dit beleid uitermate positief. En toch beweert Voeten dat critici van de war on drugs - zoals de burgerbeweging Smart on Drugs - niet met een werkbaar alternatief komen. Voor cannabis concludeert Voeten in twee zinnen: 'Wel moet gedacht worden aan een gedeeltelijke decriminalisering van cannabis. De facto geldt die al voor gebruikers.' Wellicht heeft hij dan toch niet alle Antwerpse cannabisgebruikers gesproken. En het concept 'gedeeltelijke decriminalisering' zijn we in de wetenschappelijke literatuur nog niet tegengekomen.

De curve in de vraag naar roesmiddelen willen wij - met de burgerbeweging Smart on Drugs - inderdaad graag zien afvlakken en dalen (drugs zijn schadelijk voor de gezondheid), en we weten ondertussen welke strategieën écht werken (evidence-based noemen we dat): preventie, laagdrempelige hulpverlening, en het voorkomen van druggebruik en -handel door ons op de onderliggende sociale oorzaken ervan te richten.

We weten ondertussen welke strategieën écht werken: preventie, laagdrempelige hulpverlening, en ons richten op de onderliggende sociale oorzaken van druggebruik en -handel.

Voeten maakt er zich in de conclusies van zijn boek makkelijk van af met de boutade dat de 'softere' aanpak (drughulpverlening en opvang) buiten het kader van zijn oorspronkelijke onderzoek viel om hier dieper op in te gaan. Het merendeel van zijn aanbevelingen hebben betrekking op betere internationale samenwerking op het vlak van politiewerk en havenbeveiliging, optimalisering van het KALI-team en andere opsporingsinstanties, taakstraffen voor delinquenten in buitenlandse vluchtelingenkampen, en doen 'betalen' van de gebruiker.

En nog een opmerkelijke aanbeveling: kleine garnalen aan de onderkant blijven viseren! Ze kunnen immers uitgroeien tot grote jongens! 'De basis aantasten, zo stort uiteindelijk de hele organisatie in'. En zo krijgen we - na honderd jaar inzet op telkens weer dezelfde strategieën - toch weer wat hoop: ooit krijgen we met onze hybride oorlog tegen drugs de veelkoppige draak bedwongen. En na 7 jaar Antwerpse oorlog weten we nu ook: we mogen niet te veel verwachten van een burgemeester. In feite kan hij die oorlog op lokaal vlak ook niet aanpakken.

De burgerbeweging Smart on Drugs pleit voor een deskundig en doeltreffend drugbeleid.

Teun Voeten presenteerde onlangs in verschillende kranten en weekbladen zijn boek over de (Antwerpse) 'narcocultuur'. Soms heet het een studie 'in opdracht van de stad Antwerpen', maar elders klinkt het dat de auteur zelf zijn 'diensten' aanbood nadat in 2018 in zijn straat in Deurne een granaat ontplofte. Wiens idee was het nu eigenlijk? Wat er ook van zij, van peer review - verificatie via de kritische blik van andere wetenschappers (peers) - lijkt geen sprake. Of het boek een voorbeeld van 'embedded journalism' is, laat ik even in het midden, maar de architecten van het Antwerpse drugsbeleid zijn ongetwijfeld in de wolken met deze lofzang. Het debat over de drugsproblemen in Antwerpen is te veel gepolitiseerd en gepolariseerd, schrijft Voeten. Maar waarom de tenen van veel experten op het terrein gaan krullen bij de term 'yogasnuivers' (zijn uitvinding!), begrijpt hij niet. De term past wellicht in zijn 'hybride' denkwijze: er zijn de problematische en zieke gebruikers (de dakloze junks die overlast veroorzaken) en er zijn de recreatieve gebruikers die doorgaans gezond leven en geen problemen kennen. Alsof de maatschappij in te delen is in een groep onkwetsbare mensen die het goed voor elkaar hebben en op een zuiver egocentrische en hedonistische wijze een maffia op de been houden, en les misérables die er zonder hulp niet geraken. Het probleem met de 'grappige' term 'yogasnuivers' is dat ze wordt gebruikt in een strategie die 'responsabiliserend' zegt te willen zijn, maar de facto dient om de gebruiker aan de vraagzijde te 'culpabiliseren': 'yogasnuivers' houden een moorddadig systeem in stand, dat niet zou bestaan zonder de consumptie van cocaïne. Ook Bart De Wever formuleert het in zijn voorwoord bij het boek 'doelbewust in de morele zin': gebruikers zijn medeplichtig aan moord, geweld, afpersing, bedreiging en corruptie. Zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Maffiose groepen zullen steeds nieuwe opportuniteiten zoeken om gederfde inkomsten te compenseren, dat schrijft Voeten zelf in zijn boek. Wat illegale roesmiddelen betreft, kiest de gebruiker niet voor een moorddadig productiesysteem: de strafwetten bepalen de contouren van de marktwerking. Vandaag de dag kan een bewuste en geïnformeerde consument kiezen voor meer biologische groenten of fruit, voor een duurzamer gebruiksproduct, of voor een kledingstuk dat niét in een Indiase sweatshop door kinderen is gefabriceerd. Het culpabiliseren van de consument wordt dan een handige afleidingsmanoeuvre om niet te hoeven debatteren over het falen van een systeem of een politiek aangestuurd beleid. 'Yogasnuiver' mag dus grappig bedoeld zijn, ze is in essentie een politiek geladen term en werkt polariserend.Voeten wil over legaliseren niet nadenken, maar hij verwijst graag naar het roken, dat vroeger als stoer werd gezien en nu van alle romantiek en glamour is ontdaan. Het is net omdat het legale karakter van tabak een wettelijke regulering en allerlei gedragsbeïnvloedende tools biedt, dat we dat gedrag in de wenselijke richting hebben kunnen buigen. Legalisering is dus geen kwestie van het 'volledig vrij geven van middelen' zoals Voeten beweert: het is een strategie die beter toelaat om de consumptie terug te dringen. De lessen die in de wetenschappelijke literatuur getrokken worden uit de reguleringsmodellen van cannabis in Uruguay, Canada en meer dan tien Amerikaanse staten worden gewoon genegeerd. Nochtans illustreren ze het grote arsenaal van wettelijke instrumenten dat de overheid sedertdien kan inzetten om het druggebruik daadwerkelijk te doen dalen. Over het Portugese model van decriminalisering van het bezit van álle drugs (dus ook cocaïne) ook geen woord - zelfs al zijn de internationale evaluaties van dit beleid uitermate positief. En toch beweert Voeten dat critici van de war on drugs - zoals de burgerbeweging Smart on Drugs - niet met een werkbaar alternatief komen. Voor cannabis concludeert Voeten in twee zinnen: 'Wel moet gedacht worden aan een gedeeltelijke decriminalisering van cannabis. De facto geldt die al voor gebruikers.' Wellicht heeft hij dan toch niet alle Antwerpse cannabisgebruikers gesproken. En het concept 'gedeeltelijke decriminalisering' zijn we in de wetenschappelijke literatuur nog niet tegengekomen.De curve in de vraag naar roesmiddelen willen wij - met de burgerbeweging Smart on Drugs - inderdaad graag zien afvlakken en dalen (drugs zijn schadelijk voor de gezondheid), en we weten ondertussen welke strategieën écht werken (evidence-based noemen we dat): preventie, laagdrempelige hulpverlening, en het voorkomen van druggebruik en -handel door ons op de onderliggende sociale oorzaken ervan te richten. Voeten maakt er zich in de conclusies van zijn boek makkelijk van af met de boutade dat de 'softere' aanpak (drughulpverlening en opvang) buiten het kader van zijn oorspronkelijke onderzoek viel om hier dieper op in te gaan. Het merendeel van zijn aanbevelingen hebben betrekking op betere internationale samenwerking op het vlak van politiewerk en havenbeveiliging, optimalisering van het KALI-team en andere opsporingsinstanties, taakstraffen voor delinquenten in buitenlandse vluchtelingenkampen, en doen 'betalen' van de gebruiker. En nog een opmerkelijke aanbeveling: kleine garnalen aan de onderkant blijven viseren! Ze kunnen immers uitgroeien tot grote jongens! 'De basis aantasten, zo stort uiteindelijk de hele organisatie in'. En zo krijgen we - na honderd jaar inzet op telkens weer dezelfde strategieën - toch weer wat hoop: ooit krijgen we met onze hybride oorlog tegen drugs de veelkoppige draak bedwongen. En na 7 jaar Antwerpse oorlog weten we nu ook: we mogen niet te veel verwachten van een burgemeester. In feite kan hij die oorlog op lokaal vlak ook niet aanpakken.