...

Melissa (15) moest op haar 6e op een verjaardagsfeestje braken, terwijl iedereen erop stond te kijken. De vernedering was groot. Uit angst voor herhaling durfde ze niet meer naar feestjes. Zelfs uitnodigingen om samen te winkelen of naar de bioscoop te gaan sloeg ze af, waardoor ze een hoop vrienden verloor. Op vakantie plande haar familie geen lange wandelingen meer, omdat Melissa vreesde tijdens die tochtjes geen toilet te vinden als ze misselijk zou worden. Toen ze last kreeg van paniekaanvallen en nachtmerries wilden haar ouders haar graag helpen, maar uit angst hen teleur te stellen, weigerde Melissa over haar probleem te praten. Ermee naar de dokter stappen, was al helemaal een brug te ver. Stel dat die haar zou uitlachen. Het verhaal van Melissa toont welke enorme impact angst op een jong leven kan hebben als je die toelaat het roer over te nemen. De manier waarop de gevoelens met Melissa aan de haal gaan, mag dan doorgedreven zijn, de eerste stap naar een oplossing is haar doen inzien dat ze niet alleen staat met haar probleem. Volgens een Brits onderzoek heeft 34 procent van de jongeren het gevoel zich altijd wel ergens zorgen over te maken. Bij 11 procent is er zelfs sprake van extreem veel zorgen. Meer kinderen dan we beseffen zijn het slachtoffer van paniekaanvallen of houden er rituelen op na om met hun angst om te gaan. Angst is van oorsprong een heel normaal en gezond mechanisme. Toen lang geleden een holbewoner op een sabeltandtijger botste, waarschuwde zijn lichaam voor het gevaar door adrenaline aan te maken en de hartslag omhoog te jagen. De plotse toename van bloedtoevoer naar belangrijke spieren en de hersenen dwong de oermens snel te beslissen hoe hij zich zou verdedigen: door te vechten, te vluchten of te verstijven (lees: doen alsof hij dood is, zodat de tijger hem met rust laat). De vecht-, vlucht- of verstijfreactie is een fantastische uitvinding van de natuur, maar soms kan het alarm onnodig afgaan. Als je vóór je naar een feestje gaat stilstaat bij alle nare dingen die zouden kunnen gebeuren op je avondje uit, is dat een teken dat je in de angstreflex blijft vastzitten. Kate Collins-Donnelly, een Engelse psycholoog en therapeut, benadert de kinderangsten vanuit een cognitief-gedragstherapeutische invalshoek. Ze wijst erop dat de manier waarop we ervaringen en situaties interpreteren een diepgaand effect heeft op ons gedrag en ons gevoelsleven. Haar boek Weg met het Angstduiveltje legt duidelijk uit hoe jonge mensen meer grip kunnen krijgen op hun emoties en bevat heel wat praktische oefeningen op kindermaat. Omdat het belangrijk is dat kinderen inzicht krijgen in hoe angst eruit ziet, gebruikt Kate Collins-Donnelly het beeld van het angstduiveltje. We gaan er makkelijk van uit dat situaties ons bang maken, maar in feite zijn zij slechts triggers. Het zijn onze denkpatronen die ons angstig maken. Een situatie negatief inschatten, voedt het angstduiveltje, waardoor het aanzwelt. Je kunt een spreekbeurt bijvoorbeeld positief benaderen ('Ik bereid me goed voor en als het toch niet loopt zoals gehoopt, is dat nog niet het einde van de wereld') of negatief ('Ik denk eraan me ziek te melden, want de gedachte voor een groep te moeten staan verlamt me'). Als een leerling door de negatieve aanpak de situatie begint op te blazen, komt hij in een vicieuze cirkel terecht. Hoe negatiever zijn gedachten, hoe meer last hij krijgt van lichamelijke angstsymptomen zoals kortademigheid en een versnelde hartslag. Die fysieke signalen bevestigen hem in zijn angst. Anders gezegd: het angstduiveltje vreet zich vol. Het kind kan het angstduiveltje uithongeren door zijn gedachten bij te sturen. Het komt erop aan het 'rampenfilmdenken' (ervan uitgaan dat het worstcasescenario werkelijkheid zal worden) te doorprikken. Kinderen kunnen leren hun angstige gedachten, in de cognitieve gedragstherapie denkfouten genoemd, een halt toe te roepen door een realistisch antwoord te formuleren op een vraag als 'Wat is het ergste dat er kan gebeuren en hoe waarschijnlijk is dat?'. Het boek haalt het voorbeeld aan van Farah (13), die soms paniekaanvallen krijgt op de bus en dan telkens denkt te zullen stikken. Haar eerdere aanvallen hebben bewezen dat die niet levensgevaarlijk zijn. Ze moet zich concentreren op de feiten: een paniekaanval duurt maar kort en is niet schadelijk. Het helpt om de dwanggedachten te noteren. In het boek staat een 'angstkader' waar kinderen ze in kunnen plaatsen. Daaronder schrijven ze op wat ze tegen zichzelf zeggen om die gedachten minder gewicht te geven. Ook de veel te hoge verwachtingen die kinderen zichzelf opleggen ('Ik moet voor alle vakken een 9 of een 10 halen') zijn aan een reality check toe. Zo is er Liam (15), die de perfectie die hij vroeger van zichzelf verlangde heeft vervangen door de volgende gedachte: 'Ik verwacht van mezelf dat ik altijd zo hard mogelijk werk, maar niet zo hard dat ik mezelf daarmee geweld aandoe.' Omdat angstige kinderen vaak een tekort aan eigenwaarde en zelfvertrouwen hebben, is het een goed idee hen te vragen hun sterke punten op te lijsten: 'Ik kan goed luisteren', 'Ik help graag anderen'... Als ze de positieve punten opschrijven en ergens in hun kamer ophangen, is dat niet enkel een affirmatie van hun eigenwaarde, maar ook een aanmoediging om de dingen positief te bekijken. Behalve de denkwereld is ook het gedrag gebaat met enige correctie. Angstige kinderen grijpen te snel naar 'veiligheidsgedrag'. Situaties vermijden of ontvluchten is, net als kalmeertrucjes, een manier om zich meer op hun gemak te voelen in situaties waar ze angst voor hebben. Met dat soort kunstgrepen kunnen ze op korte termijn de bange gevoelens inperken, maar op de lange duur voeden ze er net hun angstduiveltje mee. Bram (17) komt niet graag op plaatsen waar veel mensen zijn en mijdt daarom zo veel mogelijk supermarkten. Moet hij toch boodschappen doen, dan zoekt hij zijn toevlucht tot kalmeringstechnieken, zoals zich vastklampen aan het winkelwagentje. Of hij vraagt geruststelling aan zijn moeder, die op voorhand checkt of er niet te veel volk in de winkel is. Hij gaat echt geloven dat hij niet meer zonder deze trukendoos kan. De oplossing bestaat erin dat Bram zich doelen stelt. Concreet: elke keer weer iets langer in de winkel blijven. Dat is de geleidelijke blootstelling: stap voor stap wennen aan situaties die gewoonlijk zorgen baren. Iemand met een hondenfobie kan honden eerst van een afstand observeren in het park. Daarna gaat hij ze dichter naderen, tot hij ernaast staat. Vervolgens raakt hij achtereenvolgens de riem aan, laat hij de hond aan de rug van zijn hand ruiken, om het dier uiteindelijk te aaien. Een andere positieve en constructieve strategie is de piekertijd afbakenen, waarbij het kind binnen de op voorhand bepaalde tijd nagaat waar het precies mee zit, bedenkt wat het eraan kan doen en indien nodig iemand zoekt om erover te praten. Ontspanningsoefeningen - yoga, meditatie, mindfulness of tai chi - doen eveneens wonderen. Een angstdagboek bijhouden is ook aan te raden, net als visualisatieoefeningen. Beelden oproepen van iets leuks of rustgevends om je af te leiden van nare gedachten is zeer effectief.(Peter Van Dyck)