Het zou best kunnen dat grootouders een prominentere plaats in het gezinsleven innemen dan ooit tevoren, stelt socioloog Teun Geurts, verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Uit zijn doctoraalscriptie blijkt dat grootouders de laatste decennia veel actiever zijn gaan bijdragen aan de zorg voor hun kleinkinderen. Zo is het percentage Nederlandse vrouwen die de eigen ouders weleens als oppas voor de kinderen inschakelt in 13 jaar tijd haast verdubbeld : van 23 % in 1992 naar 41 % in 2006. Niet verwonderlijk volgens Geurts : niet alleen is het aantal vrouwen gestegen dat uit werken gaat, maar ook het aantal eenoudergezinnen, veelal alleenstaande moeders met kinderen. De behoefte aan kinderopvang is dus toegenomen. Bovendien is het voor grootouders praktisch gezien gemakkelijker geworden om op te passen : ze doen er minder lang over om naar hun kleinkind te reizen en hebben minder kleinkinderen. Anderzijds blijven ze wel langer professioneel actief, wat de aangroei van oppassende grootouders enigszins afremt. Beide tendensen, langer blijven werken én bijdragen aan de zorg voor anderen, onder wie de kleinkinderen, juicht Europa toe wegens de vergrijzing van de bevolking.
...

Het zou best kunnen dat grootouders een prominentere plaats in het gezinsleven innemen dan ooit tevoren, stelt socioloog Teun Geurts, verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Uit zijn doctoraalscriptie blijkt dat grootouders de laatste decennia veel actiever zijn gaan bijdragen aan de zorg voor hun kleinkinderen. Zo is het percentage Nederlandse vrouwen die de eigen ouders weleens als oppas voor de kinderen inschakelt in 13 jaar tijd haast verdubbeld : van 23 % in 1992 naar 41 % in 2006. Niet verwonderlijk volgens Geurts : niet alleen is het aantal vrouwen gestegen dat uit werken gaat, maar ook het aantal eenoudergezinnen, veelal alleenstaande moeders met kinderen. De behoefte aan kinderopvang is dus toegenomen. Bovendien is het voor grootouders praktisch gezien gemakkelijker geworden om op te passen : ze doen er minder lang over om naar hun kleinkind te reizen en hebben minder kleinkinderen. Anderzijds blijven ze wel langer professioneel actief, wat de aangroei van oppassende grootouders enigszins afremt. Beide tendensen, langer blijven werken én bijdragen aan de zorg voor anderen, onder wie de kleinkinderen, juicht Europa toe wegens de vergrijzing van de bevolking. De kleinkinderoppas is voor de meeste grootouders leuk op zich. Dat het ook loont op lange termijn is een aangenaam neveneffect. Deze grootouders krijgen later, als hun kleinkinderen het ouderlijke huis hebben verlaten, meer bezoek, telefoontjes of mails, zo blijkt uit het onderzoek van Geurts. Intense relaties tijdens de kindertijd hebben dus meer kans om te worden voortgezet.Dat grootouders voor de meeste kleinkinderen (zeker in de kindertijd) belangrijke figuren zijn, blijkt uit tal van studies. Het waarom houdt menig wetenschapper bezig. Uit bevragingen bij kinderen van allerlei leeftijden komen belangrijke grootouderrollen naar voren. Professor emeritus Alfons Marcoen, ontwikkelingspsycholoog en samensteller en medeauteur van onder meer het boek Grootouders, tussen mogen en moeten, licht ze toe. "Wat kinderen het meest van hun grootouders verlangen, is betrouwbare emotionele steun", zegt Marcoen. "Ze zoeken dus in hen gehechtheidsfiguren die onvoorwaardelijk van hen houden en op wie ze altijd kunnen rekenen." Waarin verschillen grootouders dan van ouders ? "Grootouders treden beter niet sturend op", benadrukt Marcoen. "Ze mogen raad geven, zolang die maar vrijblijvend overkomt. Afbakenen wat kan en niet kan en regels opleggen behoort tot de opvoedende rol van de ouders. Alleen in noodsituaties, zoals wanneer ouders ziek worden of sterven, mogen grootouders die rol overnemen. Zolang ze reservespelers op de bank zijn, focussen ze beter alleen op wat positief is bij de kleinkinderen, door hen te prijzen en hen openlijk hun trots en liefde te tonen."Liefdevolle grootouders kunnen in de ogen van kleinkinderen ook belangrijke mentoren zijn die wijsheid en kennis doorgeven. En niet alleen over het hier en nu. "Grootouders kunnen getuigen over een geleefd verleden, met hoofdrolspelers die door de kleinkinderen gekend zijn en waarmee ze zich dus kunnen identificeren. Vandaar dat de verhalen van opa en oma hen vaak meer boeien dan geschiedenisboeken", legt Marcoen uit. "De fotoalbums en alle tastbare bewijzen van de familiegeschiedenis die grootouders zorgvuldig bewaren, voeden bovendien het wij-gevoel. Dat wordt nog versterkt door de familiebijeenkomsten die ze organiseren. Kleinkinderen zien hun grootouders dan ook vaak als spilfiguren die de familie bij elkaar houden." Ten slotte zijn grootouders voor de kleinkinderen ook modellen van grootouderschap en ouder worden. "Een goede band met de eigen grootouders blijkt de beste remedie tegen negatieve ouderdomsstereotypen uit de media", zegt Marcoen. "Omgekeerd kunnen negatieve ervaringen met de eigen grootouders een negatieve houding tegenover ouderen in het algemeen aanwakkeren."Niet al deze grootouderrollen blijken even noodzakelijk te zijn om een innige band met kleinkinderen te krijgen. Alleen de rol van gehechtheidsfiguur moet absoluut worden vervuld. En hoe vroeger in de kindertijd die gehechtheid vorm krijgt, hoe sterker de band zich zal wortelen.Dat grootouders een impact hebben op het welbevinden van kleinkinderen, blijkt ook uit de gevolgen van de afwezigheid, het verlies of de emotionele afstandelijkheid van grootouders. Dat werd al in de jaren 1980 door een Amerikaanse studie aangetoond. De onderzoekers vroegen 300 kinderen tussen 5 en 18 jaar om hun grootouders te tekenen, waarbij ze hen toen vragen stelden. Sommige kinderen kenden hun grootouders alleen van verhalen of foto's, bv. omdat die vroeg gestorven waren, ver woonden of door een familiebreuk nooit deel hadden uitgemaakt van hun leven. Hun tekeningen weerspiegelden de stereotiepe opa en oma uit boeken en tv-programma's. De kinderen gaven zelf aan dat ze iets misten, maar wisten niet precies wat. Volgens de onderzoekers : familie-identiteit en -trots. Bovendien stonden deze kinderen eerder vervreemd en onverschillig tegenover ouderen in het algemeen, en konden ze zich moeilijk voorstellen wat het betekende om ouder te worden. De groep kinderen die de ooit hechte band met hun grootouders hadden verloren, bv. door een familieruzie of verhuizing, waren er emotioneel erger aan toe. Velen tekenden afscheidnemende grootouders. Wanneer het laatste contact al lang geleden was, toonden ze zich vaak onverschillig : "Ze lijken mij niet nodig te hebben, ik hen dus ook niet". "Vandaar dat ouders die uit de echt scheiden in het belang van de kinderen het contact met de grootouders best zo goed mogelijk bewaren", benadrukt Marcoen. Diezelfde onverschilligheid en soms zelfs afkeer tegenover de grootouders vond men ook terug bij kinderen die aanvoelden dat hun grootouders alleen interesse in hen veinsden of meer affectie van hen verwachtten dan ze wilden geven.Niet zelden maken liefdevolle grootouders die een drukke loopbaan achter de rug hebben (vaak grootvader) zich het verwijt dat ze voor hun eigen kinderen zijn tekortgeschoten. Toch heeft de Britse arts Miriam Stoppard in Het boek voor opa's en oma's bemoedigende woorden voor hen. Ze hebben wel degelijk hun eigen kinderen bemind, meent Stoppard. Want precies omdat ze zich al een leven lang in het liefhebben hebben bekwaamd, zijn ze nu in staat om zoveel liefde en zorgzame aandacht aan hun kleinkinderen te geven. "Maar dan moeten ze hiertoe wel de kans krijgen", glimlacht Marcoen. "Dus aan alle grootmoeders die ooit als moeder de zorg voor de kinderen grotendeels alleen droegen : neem nu niet alles uit de handen van je partner en gun hem een waardige tweede zit."(An Swerts)