Nu blijkt minder dan 13 procent van mensen met pancreas- of alvleesklierkanker vijf jaar na de diagnose nog in leven te zijn. Dat zegt de Stichting tegen Kanker naar aanleiding van de Wereld Pancreas Dag op 18 november.

Momenteel worden er jaarlijks zo'n 2.000 nieuwe gevallen geregistreerd en de incidentie neemt nog verder toe. De organisatie schat dat alvleesklierkanker in 2030 tot de top drie van de meest dodelijke kankers in België zal behoren. 'Het is een zeer resistente en moeilijk op te sporen kanker waar nog veel onderzoek naar nodig is om hoopgevende resultaten neer te kunnen zetten', aldus de Stichting tegen Kanker. Ze wijst onder andere op het feit dat de klinische verschijnselen niet specifiek zijn en dat er momenteel geen methode bestaat voor een systematische vroegtijdige opsporing van pancreaskanker. Dat maakt dat de kanker vaak te laat wordt ontdekt en ook de behandeling verloopt moeizaam.

Het onderzoek naar pancreaskanker heeft daarom grote nood aan nieuwe ontdekkingen, vindt de Stichting tegen Kanker. Zelf financierde de organisatie naar eigen zeggen de afgelopen vijf jaar over heel België voor in totaal bijna 2 miljoen euro acht onderzoeksprojecten in fundamenteel en klinisch onderzoek op dit gebied.

Dat de financiering van dergelijke onderzoeksprojecten loont, bewijst onder andere een team van onderzoekers van de Vrije Universiteit Brussel (VUB), het UZ Brussel en Belgische en buitenlandse wetenschappers, onder leiding van professor Ilse Rooman van de VUB. Ze ontdekten in de pancreas van gezonde mensen een cel die sterk lijkt op de cellen die verantwoordelijk zijn voor de meest agressieve pancreaskankers. 'Deze cellen zijn talrijker bij patiënten met een chronische ontsteking van de alvleesklier, een factor die het risico op kanker verhoogt. Deze cel zou de oorsprong kunnen zijn van een specifiek subtype van alvleesklierkanker, of ons op zijn minst kunnen vertellen hoe dit subtype zich ontwikkelt. Als dit wordt bevestigd, zou het een vitaal stuk kennis kunnen zijn voor betere opsporing en behandeling', klinkt het.

Nu blijkt minder dan 13 procent van mensen met pancreas- of alvleesklierkanker vijf jaar na de diagnose nog in leven te zijn. Dat zegt de Stichting tegen Kanker naar aanleiding van de Wereld Pancreas Dag op 18 november. Momenteel worden er jaarlijks zo'n 2.000 nieuwe gevallen geregistreerd en de incidentie neemt nog verder toe. De organisatie schat dat alvleesklierkanker in 2030 tot de top drie van de meest dodelijke kankers in België zal behoren. 'Het is een zeer resistente en moeilijk op te sporen kanker waar nog veel onderzoek naar nodig is om hoopgevende resultaten neer te kunnen zetten', aldus de Stichting tegen Kanker. Ze wijst onder andere op het feit dat de klinische verschijnselen niet specifiek zijn en dat er momenteel geen methode bestaat voor een systematische vroegtijdige opsporing van pancreaskanker. Dat maakt dat de kanker vaak te laat wordt ontdekt en ook de behandeling verloopt moeizaam. Het onderzoek naar pancreaskanker heeft daarom grote nood aan nieuwe ontdekkingen, vindt de Stichting tegen Kanker. Zelf financierde de organisatie naar eigen zeggen de afgelopen vijf jaar over heel België voor in totaal bijna 2 miljoen euro acht onderzoeksprojecten in fundamenteel en klinisch onderzoek op dit gebied. Dat de financiering van dergelijke onderzoeksprojecten loont, bewijst onder andere een team van onderzoekers van de Vrije Universiteit Brussel (VUB), het UZ Brussel en Belgische en buitenlandse wetenschappers, onder leiding van professor Ilse Rooman van de VUB. Ze ontdekten in de pancreas van gezonde mensen een cel die sterk lijkt op de cellen die verantwoordelijk zijn voor de meest agressieve pancreaskankers. 'Deze cellen zijn talrijker bij patiënten met een chronische ontsteking van de alvleesklier, een factor die het risico op kanker verhoogt. Deze cel zou de oorsprong kunnen zijn van een specifiek subtype van alvleesklierkanker, of ons op zijn minst kunnen vertellen hoe dit subtype zich ontwikkelt. Als dit wordt bevestigd, zou het een vitaal stuk kennis kunnen zijn voor betere opsporing en behandeling', klinkt het.