'Geld moet rollen!' Ha, in tijden van begrotingsoverleg kan het toch zo'n deugd doen om met quotes van John Maynard Keynes te gooien. Geen zin om op de kleintjes te letten? Keynes to the rescue! 'Overheidstekorten doen er niet toe.' Zo, dat klonk alweer geleerd en onderbouwd.
...

'Geld moet rollen!' Ha, in tijden van begrotingsoverleg kan het toch zo'n deugd doen om met quotes van John Maynard Keynes te gooien. Geen zin om op de kleintjes te letten? Keynes to the rescue! 'Overheidstekorten doen er niet toe.' Zo, dat klonk alweer geleerd en onderbouwd. Alleen: zei Keynes, een van de grootste economen uit de wereldgeschiedenis, dat wel? 'Er zijn maar weinig denkers die zo makkelijk te misbruiken zijn als hij', grijnst Zachary Carter. Hij kan het weten: de senior writer bij HuffPost schreef met The Price of Peace een veelgeprezen biografie van de econoom. 'Keynes zei dat dus niet. Integendeel, voor hem was een begroting in evenwicht ideaal. Hij vond dat de overheid de plicht heeft om de economie actief te sturen, want als ze dat niet doet, komt ze nergens.' Wie was die tot blank marmer gefossiliseerde Keynes nu echt? Zat er iets menselijks aan zijn boekhoudersleven? En wat hebben we daar een eeuw later aan? Carters boek laat alvast een figuur zien die hield van intellectuele debatten zonder de dorpsstraat uit het oog te verliezen. Bovendien kunt u de econoom dezer dagen beter leren kennen in de Vlaamse theaterzalen: het gezelschap Het Nieuwstedelijk reist met met de voorstelling Vrede, liefde en vrijheid door het land. Daarin wordt Keynes neergezet als een man van de wereld, die mensen bespeurde achter de cijfertjes en het als zijn taak zag niet alleen de economische groei te bevorderen, maar ook de wereldwijde beschaving. 'Ongetwijfeld de scherpste geest die ik ooit heb ontmoet', zei filosoof Bertrand Russell over Keynes. Als je weet dat Russell zowat iedereen kende, en dat Ludwig Wittgenstein kind aan huis was bij hem, wil dat wat zeggen. De twee deelden natuurlijk een voorliefde voor logica en wiskunde - economie ging hij pas later studeren. De wereld kent Keynes vandaag vooral vanwege twee boeken: The Economic Consequences of the Peace (1919) en General Theory of Employment, Interest and Money (1936). Het eerste kwam er nadat hij gevraagd was om deel uit te maken van de Britse delegatie die na de Eerste Wereldoorlog de Vrede van Versailles moest beklinken. Een belangrijk deel van de onderhandelingen ging over de Duitse herstelbetalingen. Volgens Keynes konden die maximaal 2 miljard pond bedragen: meer kon de Duitse economie niet aan. De Fransen onder leiding van premier Georges Clemenceau volgden een andere logica en eisten 120 miljard. Tijdens de onderhandelingen schoven de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk op naar het Franse standpunt. Keynes nam ontslag. Duitsland tot de bedelstaf veroordelen, schreef hij in The Economic Consequences of the Peace, was vragen om sociale onrust en een nieuwe oorlog. Dat hij de Amerikaanse president Woodrow Wilson 'een dove en blinde donquichote' noemde en de Britse premier David Lloyd George 'een verdwaalde bezoeker uit de magische bossen van het Keltische verleden' hielp ook al niet: Keynes werd persona non grata in Londen. Veel minder toegankelijk, maar op het vlak van de economie ook stukken belangrijker, was General Theory of Employment, Interest and Money, waarin hij het klassieke liberale idee dat economie en politiek twee afzonderlijke disciplines zijn afwees, en een pleidooi hield voor overheidssturing van de economie. 'Voor Keynes was economie veel meer dan de boeken laten kloppen', vertelt Zachary Carter. 'Het was de plek waar politiek, ethiek en psychologie samenkwamen. In zijn tijd geloofde zowat iedereen dat een economisch systeem van nature naar een evenwicht streeft. Het was alleen een kwestie van wachten tot de onzichtbare hand alle plooien had gladgestreken en van dan af zou alles vlot verlopen. Maar hoelang moeten we dan wachten, vroeg Keynes zich af. Vandaar zijn befaamde uitspraak uit 1923: "Uiteindelijk zijn we allemaal dood." We moesten volgens hem niet wachten op een betere wereld, we moesten hem zelf maken. De onzekerheid en de onvoorspelbaarheid zijn niet tijdelijk, maar permanent. Keynes maakte in 1926 een algemene staking van dichtbij mee. Hij zag de massa revolteren en de tanks door de Britse straten rollen. Op zo'n moment heb je niets aan een theorie die beweert dat de markt uiteindelijk zelf voor een oplossing zal zorgen. Dan moet je politiek ingrijpen.' Vanwaar die politieke kijk op de economie? Zachary Carter: Als je Keynes wilt begrijpen, kun je niet om de Bloomsbury Group heen, een gezelschap van dichters, romanciers en schilders waarin hij vanaf de eeuwwisseling vertoefde. Hij ontmoette er Virginia Woolf, Lytton Strachey, E.M. Forster en Duncan Grant, stuk voor stuk toonaangevende figuren van het modernisme. Keynes deed niet liever dan urenlang discussiëren op intellectueel niveau. En hij leidde ook graag het leven van een kunstenaar. Halverwege de dag stoppen met werken en een glas champagne drinken terwijl Virginia Woolf zijn haar knipte: dat was voor Keynes een geslaagde dag. Nadenken over economie zag hij ook in dat licht. Het was iets voor mensen die de luxe hadden om zich ermee in te laten. En dat zouden er steeds meer worden wanneer de economie beter gestuurd zou worden. Moeten we ook zijn bezorgdheid om de Duitse stabiliteit na de Eerste Wereldoorlog zien in het licht van de Bloomsbury Group? Carter: Ongetwijfeld. Maar hij was lang niet de enige adviseur die er zo over dacht. Heel veel Britten die nauw betrokken waren bij de onderhandelingen wisten dat de strafcampagne tegen Duitsland alleen maar slecht kon aflopen. Begin 1919 werd Duitsland getroffen door hongersnood. Keynes werd gevraagd om hem op te lossen, samen met Herbert Hoover, die later een bijzonder conservatieve Amerikaanse president zou worden. Samen zetten ze een gigantisch hulpprogramma op poten dat in voedsel voorzag voor 400.000 mensen. Zij werkten heel nauw samen en waren er allebei van overtuigd dat Duitsland een hulpprogramma nodig had, en geen schadeclaim van vele miljarden dollars of ponden. Hoover vreesde dat de sociale onrust zou uitdraaien op een communistische revolutie, zoals dat een paar jaar eerder in Rusland was gebeurd. Maar in het openbaar zweeg hij, net zoals iedereen. Behalve Keynes dus. Valt het niet te begrijpen dat de Amerikanen niet zomaar de spons wilden vegen over alle oorlogsschulden? Carter: Keynes vond dat iedereen had verloren tijdens de oorlog, en dat alle landen met een schone lei aan de toekomst moesten kunnen beginnen. Maar de Amerikanen waren de grote schuldeisers. De bank J.P. Morgan had heel veel geld gestopt in de Britse bewapening, net zoals een hele meute kleinere investeerders. Er was ook geld geleend aan België en Frankrijk. Ergens valt het dus best te begrijpen dat zij daar wel iets voor terug wilden. Tegelijk lag een deel van Europa in puin, en was de kans klein dat er opeens een onzichtbare hand zou verschijnen die alle schade zou herstellen. Keynes zei wat iedereen met gezond verstand kon zien, en wat men na de Tweede Wereldoorlog wel hardop toegaf: dat er heel veel geld nodig was om de oorlogsschade ongedaan te maken. Keynes werd voor velen een profeet. Was er een economisch probleem dat opgelost moest worden? Dan stapten de kranten naar Keynes voor commentaar. Opeens was hij een publieke intellectueel. Toen hij in 1925 trouwde, was hij niet meer dan een academicus die zes jaar eerder een boek had geschreven. En toch stuurde het modeblad Vogue een journalist en een fotograaf om er een reportage over te maken. Nu we het toch over zijn huwelijk hebben: Keynes was een notoir homoseksueel. Tot hij in 1921 de Russische ballerina Lydia Lopokova ontmoette en halsoverkop verliefd werd. Dat was toch verrassend? Carter: Bij de Bloomsbury Group vielen ze van hun stoel. Keynes was toen vooraan in de veertig, geen piepkuiken meer dus. Vrouwen waren nooit zijn ding geweest, en de mannencultuur waarin hij leefde versterkte dat gevoel nog. In zijn archief ontdekte ik een paar rare steekkaarten met daarop niet te ontcijferen getallenreeksen. Ik wilde ze negeren, tot ik ze omdraaide en ontdekte waar ze bij hoorden: bij mannen. 'De priester in het badhuis', stond er dan, of 'de jongeman onder de brug'. Vrouwen stonden er niet op. Zijn vrienden konden er ook niet bij dat Lydia een ballerina was. Niet zomaar een vrouw dus, maar een dansende vrouw, iemand die carrière maakte met haar lichaam en niet met haar geest. Nochtans stond Lydia in hoog aanzien. Ze was de beste danseres van het Verenigd Koninkrijk, wat haar een glans gaf die vandaag ergens tussen die van een rockster en een sportheld in zou zitten. Maar voor de Bloomsbury's was ze gewoonweg anti-intellectueel. Ze had niet eens Shakespeare gelezen. Keynes trok zich er niets van aan. Lydia en hij waren smoorverliefd, en ze zouden tot zijn dood in 1946 een voorbeeldig, gelukkig koppel vormen. Dreef Lydia hem niet weg van de rest van de Bloomsbury Group? Carter: Wellicht voelden ze dat hij hen op emotioneel vlak vervangen had door Lydia. Maar er was meer dan dat. Keynes ging intellectueel ook een andere kant op dan de overige leden van Bloomsbury. Het marxisme was toen heel populair in intellectuele kringen, zelfs bij gematigde linkse mensen. Keynes heeft het marxisme wellicht nooit goed begrepen. Hij had er in elk geval geen enkel respect voor, en dat vloeide voort uit zijn afkeer van het politieke project achter het marxisme. Een regering omverwerpen vond hij een dom idee, omdat het alleen maar tot geweld, honger en onrecht kon leiden. Hij stond wel achter de hervormingen die het marxisme wilde doorvoeren, maar dat moest voor hem dan wel via parlementaire weg gebeuren. Bloomsbury viel na de Eerste Wereldoorlog geleidelijk aan uit elkaar. E.M. Forster en Virginia Woolf werden beroemde schrijvers en Keynes werd zelfs voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Vrede, terwijl anderen ter plekke bleven trappelen. Dat maakte het steeds moeilijker om feestjes te organiseren waarop vrijuit over seks, God en de regering kon worden gepraat. Keynes was niet alleen de belangrijkste econoom van zijn tijd en volgens sommigen wel van de hele twintigste eeuw, hij was ook een verwoed gokker. Hoe valt dat met elkaar te rijmen? Carter: Gokken was voor hem een van de geneugten des levens. Hij raadde het iedereen aan. Is het niet mooi om 's ochtends op te staan, de krant erbij te pakken en tijdens het controleren van de loterij-uitslagen de spanning te voelen dat je misschien rijk bent? Hij hield van die spanning. En van de winst, natuurlijk. Hij speculeerde op de stijging van obligaties en de daling van wisselkoersen. Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog was hij rijk. Hij had zijn topsalaris gebruikt om ermee te beleggen, en zag het uitgroeien tot een fortuin. De econoom had dus ook een fijne neus voor zaken? Carter: Misschien, en misschien ook weer niet. Als je aan het hoofd van de Britse oorlogsinspanning staat, heb je natuurlijk wel enig idee waar de katoenprijs op korte termijn naartoe zal gaan. Wat hij deed, zouden we vandaag handel met voorkennis noemen en het zou Keynes in de gevangenis doen belanden. Maar ook na de oorlog ging hij door, toen hij dus niet langer voor de overheid werkte en geen inkijk meer had. In het begin ging dat goed. Hoe meer hij won, hoe meer hij belegde. Tot hij een verkeerde gok deed en zowat alles verloor. Maar ook dat hield hem niet tegen om later te herbeginnen. Zo kreeg hij de vraag van King's College of hij de beleggingsportefeuille van het college wilde beheren. Hij gooide ze meteen helemaal door elkaar en behaalde op korte termijn een winst van 300 procent. Uiteindelijk was het ook zijn manier om de spot te drijven met ons economische systeem, gebaseerd op verwachte koerswendingen en niet op de reële waarde van zaken. Zo kun je een land niet runnen, vond hij. Je kunt het niet overlaten aan de grillen van een casino. Ik ben er zeker van dat zijn pleidooi voor overheidsingrijpen in de economie alles te maken heeft met zijn ervaringen op de financiële markten. In hoofdstuk twaalf van zijn General Theory zegt hij dat de financiële markten het best aan banden gelegd kunnen worden - een advies dat iedere fan van het boek netjes naast zich neerlegt. Het enige wat ze onthouden, is dat de overheid flink moet investeren in crisistijd om de economie draaiende te houden. Is dat dan niet de essentie van zijn denken? Carter: Nee dus. Dat is wat alle regeringen ervan onthouden hebben, maar ik zou wel eens willen weten hoeveel ministers dat boek ooit gelezen hebben. Ik denk zelfs niet dat de meeste economen dat hebben gedaan, of de professoren economie die er les over geven. En geef ze maar eens ongelijk. Het is een schabouwelijk slecht geschreven boek. Twee hoofdstukken zijn leuk, maar de rest is ontoegankelijk. Hij zat er vooral mee dat aanbod niet automatisch tot vraag leidt. Als mensen ongerust zijn over de toekomst houden ze de hand op de knip. Je hebt dus leiderschap nodig in de economie, dat een marsrichting toont en zo de onzekerheid verdrijft. Zag Keynes een grens aan de overheidsinmenging in de economie? Carter: Gedurende zijn leven zag hij het aandeel van de staat alleen maar toenemen. Op het einde vond hij zelfs dat 60 procent van het bruto binnenlands product in handen moest zijn van de overheid, als ze haar burgers een behoorlijk leven wilde bezorgen. Amerika zit sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog aan ongeveer 20 procent. President Joe Biden probeert een investeringspakket van 4900 miljard euro door het Congres te krijgen. Zou Keynes een fan van hem zijn? Carter: Wellicht wel, ook al omdat Biden 3000 miljard uit een belasting op grote kapitalen wil halen. Hij wil zwaar investeren in het welzijn van de Amerikanen en in de infrastructuur - beide zijn meer dan nodig. Dat er goedkopere kinderopvang komt, is bijvoorbeeld essentieel voor vrouwen op de arbeidsmarkt. Keynes zou daar helemaal achter hebben gestaan.