Congolezen hadden geen stem in het bestuur van hun land. Ze hadden geen kiesrecht en werden niet geraadpleegd bij het uitstippelen van het beleid. Dat gold overigens ook voor heel wat blanke inwoners van Congo. Het beleid werd grotendeels bepaald vanuit Brussel.
...

Congolezen hadden geen stem in het bestuur van hun land. Ze hadden geen kiesrecht en werden niet geraadpleegd bij het uitstippelen van het beleid. Dat gold overigens ook voor heel wat blanke inwoners van Congo. Het beleid werd grotendeels bepaald vanuit Brussel.Behalve de minister van Koloniën en de Koloniale Raad die onder leiding van de minister de koning adviseerde over het Congobeleid, was er in Brussel ook een instantie die de belangen van de Afrikaanse inwoners in Congo moest waarborgen. De Permanente Commissie voor de Bescherming van de Inboorlingen was in 1896 opgericht onder impuls van de Koloniale Conferentie van Berlijn. Die Conferentie verplichtte elke kolonisator van Afrikaans gebied om te zorgen voor de bescherming van de oorspronkelijke bewoners en de verbetering van hun 'morele en materiële levensomstandigheden'. De Commissie kwam onder Leopold II slechts twee keer samen. Onder Belgisch bestuur vroegen de katholieke missionarissen om de Commissie opnieuw in te stellen. Zij hoopten via die weg meer grip te krijgen op het koloniale beleid. In 1909 kwam de Commissie voor het eerst opnieuw bijeen. Ze boog zich onder meer over het hoge sterftecijfer. Ze stelde medische maatregelen voor (bijvoorbeeld meer zwarte medische hulpkrachten opleiden) en een betere bescherming van loonarbeiders, met een beter loon en gratis medische bijstand. In de praktijk had de Commissie een geringe invloed. Bovendien waren er geen zwarte stemmen in vertegenwoordigd. De leden waren vertegenwoordigers van de staat, de katholieke en protestantse missies en het bedrijfsleven in Congo. Om erin te kunnen zetelen moest je in Congo verblijven, maar een Congolees kwam niet in aanmerking. De enige zwarte vertegenwoordigers in het koloniale bestuur stonden helemaal onderaan de ladder, als lokale chefs van hoofdijen.Hoewel er dus een zekere aandacht was voor het welzijn van de Congolese bevolking, was er toch een zeer groot onderscheid tussen blanken en zwarten. Congolezen konden in bedrijven tot op zekere hoogte opklimmen - wat bijvoorbeeld in de Britse gebieden in Afrika ondenkbaar was - maar er was zeker sprake van een glazen plafond voor zwarten. Horecazaken waren in theorie toegankelijk voor iedereen, in de bioscoop, de kerk, bij sportmanifestaties ... gold wel een rassenscheiding. Begraafplaatsen waren raciaal gesplitst en Congolese voetbalteams mochten niet tegen Europese spelen.Het raciale denken van de Europese kolonisatoren vertaalde zich in de ruimtelijke ordening van de steden die ze in hun kolonies oprichtten. Dat fenomeen deed zich in alle kolonies voor, niet alleen in Belgisch-Congo. Traditioneel waren er in zo'n stad een Europees stadscentrum en zwarte buitenwijken, de cités indigènes. Die twee waren bij voorkeur zeer strikt van elkaar gescheiden, met een neutrale zone ertussen.In Congo was Elisabethville - vandaag Lubumbashi - het toonbeeld van zo'n koloniale stad. De stad ontstond in 1910 vlak bij de mijnen waar Union Minière du Haut-Katanga vanaf 1906 actief was. Ze werd ontworpen door vicegouverneur-generaal van Katanga Emile Wangermée, in samenwerking met Union Minière. De blanke ontwerpers hadden alleen aandacht voor hoe het Europese centrum, waar geen Afrikanen mochten wonen, er moest uitzien. Ze planden geen infrastructuur voor de zwarte inwoners. Hun aantal was nochtans aanzienlijk. Niet alleen Congolezen werkten in de nabijgelegen mijn. Ook mensen uit Brits Rhodesië (het huidige Zimbabwe en Zambia) trokken via de directe spoorlijn tussen Kaapstad en Katanga naar de veelbelovende nieuwe mijnstad. Er ontstond spontaan een Afrikaanse wijk naast de Europese. De zone van 170 meter tussen de twee wijken werd door het stadsbestuur meteen benut om een gevangenis te bouwen, zodat beide wijken zeker gescheiden zouden blijven.De mijnwerkers van de mijnen rond Elisabethville woonden niet in de spontaan ontstane zwarte buitenwijk, maar in werkkampen die bij de mijnfabriek hoorden. In 1921 werd een van de werkkampen, het Camp Robert Williams, door het bestuur omgevormd tot een nieuwe stadswijk, wijk Albert I, vandaag Kamalondo. De reden daarvoor was de afschuw die de nieuwe gouverneur-generaal van Congo, Maurice Lippens, had tegen de spontaan ontstane zwarte buitenwijk. ' Sa saleté repoussante' leidde ertoe dat Lippens de wijk met de grond gelijk wilde maken en de bewoners ervan wilde overbrengen naar een nieuwe cité indigène, op een grotere afstand van het Europese centrum.Het nieuwe stadsdeel lag ten zuidoosten van het Europese centrum. Tussen beide stadsdelen kwam een neutrale zone van vijfhonderd tot zevenhonderd meter breed. De benaming van de meest zuidelijke laan van de Europese wijk, die grensde aan de neutrale zone, was veelzeggend: de Avenue Limite Sud. Er was een duidelijke grens getrokken, blanke en zwarte inwoners werden letterlijk van elkaar gescheiden. De neutrale zone werd - zoals in elke koloniale stad - gerechtvaardigd met een medisch argument. Malariamuggen zouden die afstand niet kunnen overbruggen, waardoor de blanken gespaard zouden blijven van de ziekte. In 1931 lichtte de provinciale ingenieur van Katanga de ruimtelijke ordening nader toe, met heel andere argumenten. De neutrale zone zou promiscuïteit tussen zwart en blank tegengaan en de zwarte en blanke levens van elkaar scheiden. Een ordonnantie uit 1922 verbood blanken de toegang tot de zwarte wijken van Congolese steden tussen zeven uur 's avonds en vijf uur 's morgens.In de praktijk was die scheiding helemaal niet zo strikt als de ontwerpers wilden. Het was niet zo dat je in de Europese wijk geen zwarten zag. Zwart huispersoneel, boys en mé nagères, woonden en werkten in het Europese centrum. Het bestuur wilde het aantal zwarten wel beperken. In 1911 besliste de vicegouverneur-generaal van Katanga dat alleen boys in de Europese wijk mochten wonen, ander huispersoneel moest na het werk weer naar de buitenwijken. In 1922 werd in Katanga een verordening uitgevaardigd dat elke Europeaan maximaal twee bedienden met hun gezinnen mocht laten inwonen. Daarmee was de regelgeving in de omgeving van Elisabethville minder strikt dan bijvoorbeeld in Léopoldville, waar in de loop van de jaren 1930 beslist werd dat huispersoneel niet meer mocht inwonen. Ook in Elisabethville verminderde de bewegingsvrijheid van zwarten almaar verder. In 1948 kwam er een verbod voor Congolezen om 's nachts in het Europese centrum van de stad te komen, behalve als ze er vanwege hun functie bij een openbare dienst moesten zijn. Ook werd het contact tussen de blanke bewoners en het zwarte huispersoneel zoveel mogelijk beperkt. De boys en hun gezinnen woonden meestal in aparte gebouwtjes. In de praktijk waren in Elisabethville bovendien heel wat hotels en ontmoetingsplaatsen voorbehouden aan het koloniale establishment en absoluut verboden voor zwarten.Niet alleen het huispersoneel overschreed de grenzen tussen zwarte en blanke stadsdelen. De sociale realiteit was veel complexer. Het Europese centrum was zeker niet homogeen blank, laat staan homogeen Belgisch. In 1912 was slechts veertig procent van de Europese bevolking Belgisch. Het aantal Belgen nam in de loop van de tijd wel toe, maar aan het einde van de jaren 1940 was dertig procent van de blanke bevolking nog steeds van niet-Belgische afkomst.Blanken afkomstig uit de hoogopgeleide, rijke, Europese elite waren - ongeacht hun nationaliteit - van harte welkom. Een groot deel van de blanke bevolking bestond echter uit armere migranten. Het waren Britse, Griekse, joodse, Italiaanse ... spoorwegarbeiders die hadden meegebouwd aan het spoorwegnetwerk in zuidelijk Afrika. Toen Elisabethville zich in snel tempo ontwikkelde, maakten ze gebruik van de goede treinverbinding vanuit Brits Rhodesië om hun geluk te gaan zoeken in de nieuwe mijnstad, bijvoorbeeld als kleinhandelaar. Ze vestigden zich, net als Arabische en Indo-Pakistaanse immigranten, in de 170 meter brede zone tussen de Europese wijk en de spontaan ontstane Afrikaanse wijk.Zij vormden een groot deel van de blanke bevolking, maar werden door het stadsbestuur als minder respectabele en daarom minder wenselijke inwoners beschouwd. De stad zou meer gebaat zijn bij welgestelde inwoners die de visie en de houding van het koloniale bestuur volgden. De kleinhandelaars hadden links met zowel de blanke als de zwarte bevolking. Ze leerden vaak lokale talen en namen lokale gebruiken over. Vandaag zouden we hen 'geïntegreerd' noemen, de koloniale administratie noemde hen 'tweederangsblanken'.De zone waar die kleinhandelaars woonden, werd in 1921 samen met de Afrikaanse wijk afgebroken. De bevolking werd geherlokaliseerd in vier specifieke zones in of rondom het Europese stadscentrum. Die vier zones lijken dienst te hebben gedaan als bufferzones tussen het Europese centrum en de buitenwijken.Het Comité Spécial du Katanga (CSK) voerde allerhande regels in die het voor de geïntegreerde inwijkelingen moeilijk maakten om eigendom te kopen in het blanke centrum. De bouwcode van de stad schreef voor dat je in duurzame materialen moest bouwen. Wie onvoldoende middelen had, kon daar niet aan voldoen. In heel wat verkoopaktes stond bovendien expliciet dat het terrein alleen verkocht mocht worden aan een lid van de 'gekleurde gemeenschap' - een andere term die de kolonisator gebruikte om die groep migranten te beschrijven - met voorafgaandelijke toestemming van een verantwoordelijke van het Comité Spécial du Katanga.Die toestemming verleende het CSK maar al te graag als de tweederangsblanke in kwestie plannen had die de blanke inwoners ten goede kwamen. Heel wat hotels, zoals ook het Hôtel de Bruxelles op de prestigieuze Avenue de l'Etoile du Congo, werden opgericht door Griekse migranten. Het Theater Parthénon, een belangrijk trefpunt in de stad, werd ook uitgebaat door een Griek. Daarnaast slaagden sommige blanke migranten erin voldoende te sparen om op een openbare verkoop een perceel naar keuze te kopen. Het CSK kon een bod niet weigeren op basis van expliciete raciale gronden en kon dus ook niet verhinderen dat 'tweederangsblanken' zich in het Europese centrum vestigden. De Arabische en Indo-Pakistaanse immigranten werden dan weer wel veel explicieter geweerd in de hele kolonie. Een decreet uit 1922 stelde dat mensen die geen Europese taal konden lezen of schrijven, de kolonie niet binnen mochten en dat mensen geweigerd konden worden vanwege hun levensstijl.Ondanks de discriminerende maatregelen was Elisabethville geen stad met twee parallelle werelden. Tussen de Europese wijk en de Afrikaanse cités woonden en werkten handelaars uit Europa, Azië en de Arabische wereld die niet behoorden tot de rijke elite. Ze speelden een noodzakelijke intermediaire rol in de uitwisseling van goederen en in de interactie tussen mensen vanuit de hele wereld.