Donald Trumps regime heeft veel Amerikanen vier jaar tot een gewetensonderzoek aangezet. Hoe is het mogelijk dat een land dat zichzelf ziet en aan de buitenwereld presenteert als de 'stad op een berg' - het beeld dat Jezus in de Bergrede gebruikte om zijn leerlingen ervan te doordringen dat zij een bijzondere taak hadden - zo'n pathologische leugenaar en autoritaire racist tot president kon verkiezen? Natuurlijk sloegen niet alleen de Verenigde Staten het afgelopen decennium een donker pad in, maar de verkiezing van Rodrigo Duterte in de Filipijnen of Jair Bolsonaro in Brazilië leidde niet tot een vergelijkbare vorm van vertwijfeling, zeker niet in onze gewesten. Onze culturele en politieke banden met die landen zijn niet zo nauw, maar sinds de Tweede Wereldoorlog lijken we betoverd door de Amerikanen en zijn we geneigd hen als een exceptioneel volk te zien. Ja, we vinden hen soms 'rare jongens', maar terwijl de dorpsgenoten van Asterix die frase gebruiken terwijl ze zich met alle middelen verzetten tegen de Romeinse heerschappij, leven wij al decennia genoeglijk onder de Amerikaanse paraplu. Amerikanen bieden ons hamburgers, Hollywood en militaire bescherming - en niet noodzakelijk in die volgorde.
...

Donald Trumps regime heeft veel Amerikanen vier jaar tot een gewetensonderzoek aangezet. Hoe is het mogelijk dat een land dat zichzelf ziet en aan de buitenwereld presenteert als de 'stad op een berg' - het beeld dat Jezus in de Bergrede gebruikte om zijn leerlingen ervan te doordringen dat zij een bijzondere taak hadden - zo'n pathologische leugenaar en autoritaire racist tot president kon verkiezen? Natuurlijk sloegen niet alleen de Verenigde Staten het afgelopen decennium een donker pad in, maar de verkiezing van Rodrigo Duterte in de Filipijnen of Jair Bolsonaro in Brazilië leidde niet tot een vergelijkbare vorm van vertwijfeling, zeker niet in onze gewesten. Onze culturele en politieke banden met die landen zijn niet zo nauw, maar sinds de Tweede Wereldoorlog lijken we betoverd door de Amerikanen en zijn we geneigd hen als een exceptioneel volk te zien. Ja, we vinden hen soms 'rare jongens', maar terwijl de dorpsgenoten van Asterix die frase gebruiken terwijl ze zich met alle middelen verzetten tegen de Romeinse heerschappij, leven wij al decennia genoeglijk onder de Amerikaanse paraplu. Amerikanen bieden ons hamburgers, Hollywood en militaire bescherming - en niet noodzakelijk in die volgorde. Het beeld van de goedhartige militaire reus kreeg na 1945 wel een paar keer forse klappen: de oorlogsmisdaden in Vietnam en de flagrante leugens waarmee George W. Bush de oorlog in Irak begon, zijn geen details in de moderne geschiedenis. Maar toch: als vrijheid het hoogste goed is, kijken ook Europeanen veelal naar de VS als the land of the free. Het is een mythe die vooral in de VS zelf zo hardnekkig wordt gecultiveerd dat het verdacht wordt. Alsof er iets verdrongen moet worden. En dat is natuurlijk ook zo: duizenden doden toen de Cherokees en andere inheemse volkeren van hun land werden verdreven, honderden vooral vrouwen en kinderen van de Cheyennes en de Arapaho's door het leger vermoord in de Sand Creek Massacre van 1864, het niet aflatende geweld tegen zwarte nazaten van de slavernij, de door de CIA veroorzaakte geopolitieke ravages in Latijns-Amerika en de Arabische wereld, waar decennialang democratisch gekozen regeringen omver werden geworpen... Het is een lange, ontluisterende lijst. Dankzij onder meer Twin Peaks, The Silence of the Lambs en de Netflixreeks Mindhunter hebben de agenten van de FBI een imago hun officiële motto ' Fidelity, Bravery, Integrity' getrouw. Maar ook het FBI-zwartboek is vele volumes dik. Ze chanteerden en intimideerden Martin Luther King, decimeerden door geweldpleging en schaamteloos gestook de Black Panthers, schaduwden jarenlang zwarte auteurs als James Baldwin, Lorraine Hansberry en Langston Hughes, probeerden de internationale carrière van dansicoon Katherine Dunham te saboteren en deden dat daadwerkelijk met de binnenlandse aspiraties van de zwarte bariton Paul Robeson. Aan die lijst vervolgde minderheden kunnen nu ook folkzangers worden toegevoegd. In zijn nieuwe boek The Folk Singers and the Bureau reconstrueert de Amerikaanse historicus Aaron J. Leonard op basis van op zijn verzoek vrijgegeven (en dus nog altijd gecensureerde) FBI-rapporten hoe Woody Guthrie en een doodbrave banjospeler als Pete Seeger in het vizier konden komen van de beruchte FBI-baas J. Edgar Hoover. Je zou denken: het fascisme bestrijden, is dat niet iets wat de Amerikaanse overheid halverwege de vorige eeuw ook ambieerde? Zeker, maar aan die periode waarin Guthrie en co. het Duitse fascisme bestreden, ging een episode vooraf waarin vrienden van Guthrie meevochten tegen de Spaanse fascist Francisco Franco. En die associatie deed de zanger op de FBI Security Index belanden, een rolodex vol staatsgevaarlijk geachte individuen. Het gros van die lijst, inbegrepen de genoemde folkzangers en zwarte intellectuelen, werd van communistische sympathieën verdacht. Dat verhaal begint niet, zoals we misschien geneigd zijn te denken, tijdens de Koude Oorlog maar al tijdens de Grote Depressie. Vandaag wordt Franklin Delano Roosevelt, president van 1933 tot 1945, geëerd omdat hij zijn land met de New Deal uit de penarie wist te halen. Enkele weken geleden nog noemde het bijna 92-jarige linkse activistische icoon Noam Chomsky FDR de beste president uit de Amerikaanse geschiedenis. Critici benadrukken dat de Democraat in de tweede helft van de jaren dertig bovenal het kapitalisme wist te redden, een systeem dat de welvaart toen wel heel ongelijk verdeelde, en dat nu opnieuw doet. Om geld te krijgen voor de New Deal sloot FDR bovendien een deal met racistische politici uit het Zuiden die erop neerkwam dat er over burgerrechten en een federaal verbod op het lynchen van zwarte mensen niet gesproken zou worden. Vooral maar niet uitsluitend zwarte intellectuelen en kunstenaars zochten hun heil bijgevolg bij organisaties ter linkerzijde van de Democraten. En daar hoorde dus ook de CPUSA bij, de Amerikaanse communistische partij. Terwijl Amerikanen op straat moesten leven en soms letterlijk omkwamen van de honger leek de jonge Sovjet-Unie een alternatief te bieden. Of die sympathisanten ook zelf lid werden, is zelden bewezen, maar het volstond dat ze liedjes zongen op bijeenkomsten of bij stakersposten om zelf ook op de Index te komen. En wie op die Index stond, riskeerde in het geval van een nationale crisis achter de tralies te belanden. In de zomer van 1940 werd de repressie heel concreet. Agenten vielen een progressieve boekhandel in Oklahoma City binnen en arresteerden alle aanwezigen. Wie aan een gevangenisstraf wist te ontsnappen, verhuisde naar New York, in de hoop daar veiliger te zijn. Dat laatste bleek relatief, maar in de wereldstad vonden ze wel een veel ruimer publiek, waardoor hun subversieve gedachtegoed ondanks de vervolging verder verspreid werd. Populaire liedjes als Union Maid en Which Side Are You On? zouden daar ook aan bijdragen, maar de autoriteiten wisten zich in hun strijd tegen deze linkse onverlaten gesteund door het vooraanstaande tijdschrift The Atlantic, dat de pacifistische liedjes van The Almanac Singers 'onwettig' noemde en opriep de zangers, onder wie Seegers en Guthrie, te vervolgen. Zover kwam het niet, want nadat Adolf Hitler het niet-aanvalsverdrag tussen Duitsland en de Sovjet-Unie had opgegeven en de Verenigde Staten na de aanval op Pearl Harbour zelf ook in de Tweede Wereldoorlog betrokken waren geraakt, gaven zowel de Amerikaanse communisten als The Almanac Singers hun pacifisme op en steunden ze FDR in de strijd, mét Sovjetleider Jozef Stalin, tegen het fascisme. Van die alliantie bleef na 1945 niks meer over, en al gauw ging de Koude Oorlog zwaar wegen op de artistieke vrijheid in het vrije Westen. Een van de eerste slachtoffers was Hanns Eisler, een voor Hitler naar de VS gevluchte componist en auteur van een groot aantal liedjes op tekst van Bertolt Brecht. Halverwege de jaren dertig was hij in Amerika betrokken bij The New Singers, een koor dat volgens een enthousiaste recensente in de CPUSA-partijkrant Daily Worker 'de eerste Amerikaanse plaatopnamen van de arbeidersklasse' maakte. Het volstond om de FBI te alarmeren. Eislers dossier zou aangroeien tot 686 pagina's. In het voorjaar van 1948 viel het hakblok en kwam er een bruusk einde aan zijn bijdrage aan de Amerikaanse cultuur: Eisler werd gedeporteerd. Vlak voor hij in de New Yorkse luchthaven LaGuardia op het vliegtuig richting Praag werd gezet, zei hij: 'Toen de bandieten van Hitler in 1933 een prijs op mijn hoofd zetten, begreep ik dat eigenlijk wel. Zij vertegenwoordigden het kwaad van die jaren, ik was best trots door hen verdreven te worden. Maar nu ik op deze belachelijke manier uit dit prachtige land verdreven word, breekt mijn hart.' Eisler kwam uiteindelijk terecht in Oost-Berlijn, alwaar hij onder meer Auferstanden aus Ruinen zou componeren, een zeldzaam nationaal volkslied dat ook buiten het sportstadion te pruimen valt. Ook zijn oude kompaan Bertolt Brecht zou de VS verlaten, nadat hij door zijn broodheren in Hollywood op een zwarte lijst was gezet en zich had moeten verantwoorden voor het befaamde House Un-American Activities Committee (HUAC) van het Huis van Afgevaardigden. Brecht had zich proberen te verdedigen door te betogen dat zijn teksten ook voor katholieke en sociaaldemocratische arbeiders waren geschreven, maar voor die subtiliteiten had het Amerikaanse Congres geen interesse. Behalve Brecht werden tien filmmakers uit Hollywood naar Washington genood. Toen ze weigerden op vragen te antwoorden, kwam hun dat op een officiële veroordeling en gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar te staan. Tot die zogenoemde Hollywood Ten behoorden veelal kleine garnalen - scenaristen en minder bekende regisseurs: genoeg om een voorbeeld te stellen, te onbeduidend om publieke oproer te creëren. Maar ook grote namen uit de film- en entertainmentindustrie als Charlie Chaplin zouden de volgende jaren in de problemen komen en noodgedwongen naar Europa migreren. Het Huis van Afgevaardigden speelde hier een vuile rol, maar misschien nog belangrijker en veelzeggender was dat deze artiesten in juni 1950 geout waren als communisten door een stel ex-FBI-agenten die in hun pamflet Red Channels een lijst van 151 namen publiceerden, onder wie regisseur en acteur Orson Welles, dirigent en componist Leonard Bernstein, schrijfster Dorothy Parker, toneelauteur Arthur Miller, zangeres Lena Horne, dichter Langston Hughes en de oud-Almanac-zangers Guthrie, Seeger en Josh White. Ook de befaamde folklorist Alan Lomax stond op de lijst. Vanuit de Library of Congress was hij al decennia diepgeworteld in de folkwereld, bevriend met Seeger en Guthrie en hij was de man die in de jaren dertig en veertig onder meer op katoenvelden en in gevangenissen Lead Belly's Goodnight Irene en Vera Halls Trouble So Hard had opgenomen - liedjes die in versies van The Weavers in de vroege jaren vijftig en Moby eind jaren negentig wereldhits zouden worden. Lomax voelde de bui hangen en om te voorkomen dat ook hij zou moeten getuigen voor het HUAC vertrok hij in september 1950 met de boot naar Europa. Daar maakte hij in verschillende landen veldopnamen die vandaag tot het muzikale werelderfgoed behoren. Een episode die akelige gelijkenissen vertoont met gebeurtenissen van vandaag voltrok zich in de zomer van 1949 in Peekskill, zo'n vijftig kilometer ten noorden van New York City. Paul Robeson zou er komen optreden op een benefiet voor de leiding van de Communistische Partij, die op dat moment terechtstond. De lokale krant vond het optreden ongepast: niet veel langer zouden deze landverraders nog kunnen rekenen op de 'tolerante stilte' van de gemeenschap. Het hondenfluitje miste zijn effect niet: een bende van zo'n vijfduizend man sterk marcheerde naar de festivalsite en zette die hermetisch af. Al gauw regende het stenen en de meest racistische en antisemitische verwijten. Een groep zwarte en Joodse mannen werd vervolgens door de meute in elkaar geslagen, en het podium werd in brand gestoken terwijl honderdvijftig vrouwen en kinderen in shock toekeken. Alles wees op betrokkenheid van de Ku Klux Klan. Volgehouden stigmatisering en kwaadsprekerij in politiek en media gaven ook toen het signaal dat verbaal en fysiek geweld tegen minderheden legitiem was. Het concert zou enkele weken later alsnog plaatsvinden, maar bij het verlaten van het terrein ging het weer mis. Artiesten en bezoekers kregen vanaf het viaduct grote stenen naar hun auto's gegooid. Woody Guthrie probeerde de moed erin te houden door ' I'm worried now, but I won't be worried long' te zingen, maar hij besefte ook wel wat zich hier had voltrokken. Onder het mom van ' America first' had het establishment van de media en de politiek religieuze, etnische en politieke minderheden laten aanvallen. Op het dringende verzoek de ongeregeldheden te onderzoeken ging de FBI niet in. De gouverneur van de staat New York kon niet anders dan toch een onderzoek te starten. Het resultaat was voorspelbaar: het was allemaal de schuld van de communisten geweest die, bijgevolg, het geweld over zichzelf hadden afgeroepen. Korte tijd later werden de communistische leiders voor wie het benefiet was bedoeld daadwerkelijk veroordeeld en leek alles voor niks te zijn geweest, tot zich een cultureel wonder voltrok: Pete Seeger, Lee Hays, Ronnie Gilbert en Fred Hellerman hadden de folkgroep The Weavers gevormd, en die zou met het genoemde Goodnight Irene, Tzena Tzena en Kisses Sweeter Than Wine de ene hit na de andere scoren en in minder dan een jaar tijd 4 miljoen platen verkopen. Maar het succes was van korte duur. Opnieuw deden ex-FBI-agenten en welwillende kranten het vuile werk: na een lastercampagne durfde niemand de band nog te boeken voor concerten, werd hun contract bij Decca opgezegd en verdwenen hun liedjes van de radio. Mission accomplished. Woody Guthrie was intussen zwaar getroffen door de ziekte van Huntington, maar voor de FBI was dat geen reden om zijn naam uit hun rolodex te verwijderen. Tot in het ziekenhuis zouden agenten hem achtervolgen om nadien in hun rapporten de stadia van zijn ziekte met bureaucratische gevoelloosheid te beschrijven. Ook Seeger bleven ze in het vizier houden, en in mei 1953 wachtten FBI-agenten hem op aan de schoolpoort van zijn kinderen. Of ze eens konden praten. Seeger nodigde hen meteen thuis uit, maar toen hem duidelijk werd wat ze op het oog hadden, probeerde hij zo beleefd mogelijk zijn hachje te redden: 'Ik denk dat ik maar beter kan zwijgen.' Zijn dossier zou de volgende jaren niettemin steeds dikker worden, door Koude Oorlogparanoia aangezwengelde informanten meldden dat de onverlaat kerstkaarten had gestuurd naar kennissen die, wegens hun communistische sympathieën, in de gevangenis zaten. In de zomer van 1955 zou ook Seeger zich moeten verantwoorden voor het HUAC. De commissieleden probeerden hem vooral bezwarende informatie over de nog altijd in Europa verblijvende Alan Lomax te ontlokken, maar hij liet zich niet uit zijn tent lokken. Het kwam hem duur te staan: Seeger werd beschuldigd van 'minachting van het Congres' en leefde jarenlang met de dreiging in de gevangenis te belanden. Van het communistische netwerk van leden en fellow travelers schoot intussen vrijwel niks meer over. Deze afgrondelijke ironie wordt al te zelden opgemerkt: terwijl de CIA in het buitenland grote tentoonstellingen sponsorde van Amerikaanse abstracte expressionisten om zo de VS te afficheren als een toonbeeld van respect voor vrije artistieke expressie, werd in eigen land de goedmoedige banjospeler Pete Seeger gebrandmerkt als een staatsgevaarlijk sujet. Dwight D. Eisenhower, president van 1953 tot 1961, háátte moderne kunst maar politiek gevaarlijk waren die abstracte doeken eigenlijk niet. Maar liedjes waarin onverzettelijkheid, vakbonden, solidariteit en vrede werden bezongen, bleken telkens weer een brug te ver. De wraak van de geschiedenis zou zoet zijn, zij het niet noodzakelijk bestendig. In 1962 werd Seegers veroordeling geschrapt en datzelfde jaar debuteerde Bob Dylan met een plaat waarop onder meer Song to Woody stond - een ode aan zijn held Woody Guthrie en het begin van een culturele omwenteling die nog altijd voortduurt. Maar de nazaten van het racistische en reactionaire Amerika hebben zich sinds de jaren vijftig niet onbetuigd gelaten. Nog veel meer dan tijdens de Koude Oorlog staan de kampen nu onverzoenlijk tegenover elkaar. This Land Is Your Land mag dan al uitgeroepen zijn tot het nieuwe volkslied, dat is het altijd alleen maar geweest voor het andere Amerika. De toekomst daarvan blijft ook onder president Joe Biden ongewis.