Soms heb je de ene alleenheerser nodig om je de weg naar de andere te wijzen. We reden die herfstdag met de auto van Madrid naar El Escorial, het barokke paleizencomplex dat Filips II (1527-1598) als teken van zijn onverwoestbaar geloof liet bouwen even ten noorden van de Spaanse hoofdstad. In de bergen links van ons zagen we een gigantisch kruis steeds dichterbij komen. Eerst was het een stipje aan de einder, uiteindelijk bleek het een bouwwerk hoger dan de meeste Europese kathedralen, een toren van 150 meter hoog. 'Daar ligt Franco begraven', zei een van de twee Spaanse vrienden met wie ik onderweg was. 'In een in de rotsen uitgehakte basiliek in de Valle de los Caídos', de Vallei der Gevallenen.
...

Soms heb je de ene alleenheerser nodig om je de weg naar de andere te wijzen. We reden die herfstdag met de auto van Madrid naar El Escorial, het barokke paleizencomplex dat Filips II (1527-1598) als teken van zijn onverwoestbaar geloof liet bouwen even ten noorden van de Spaanse hoofdstad. In de bergen links van ons zagen we een gigantisch kruis steeds dichterbij komen. Eerst was het een stipje aan de einder, uiteindelijk bleek het een bouwwerk hoger dan de meeste Europese kathedralen, een toren van 150 meter hoog. 'Daar ligt Franco begraven', zei een van de twee Spaanse vrienden met wie ik onderweg was. 'In een in de rotsen uitgehakte basiliek in de Valle de los Caídos', de Vallei der Gevallenen. We wilden in El Escorial de kunstverzameling gaan bekijken, inclusief een schilderij van Jeroen Bosch. Ik stelde voor om eerst het mausoleum van Franco te bezoeken. Mijn vrienden reageerden verbaasd en ook een beetje lacherig. Maar niet veel later kronkelden we omhoog de bergen in. Onderweg vertelden ze over de dag dat de dictator gestorven was, en alle scholen meteen hun deuren moesten sluiten. Ze werden terug naar huis gestuurd, en niet veel later kwamen ook hun ouders thuis. De meeste bedrijven gingen dicht. Een tijdperk was voorbij. Over dictators valt veel te zeggen. Je kunt het hebben over hun persoonlijkheden. Over hun zeer verschillende manieren van omgaan met de macht. Over het bloed dat aan hun vingers kleeft. Over hun levens, en de niet altijd even vrolijke manieren waarop die zijn geëindigd. De diversiteit is groot bij alleenheersers, dood of levend. Maar er is één ding dat voor bijna alle dictators geldt: van goede smaak hebben ze meestal weinig last. Er stonden geen andere auto's op de parking van de Valle de los Caídos, en toen we met zijn drieën de basiliek binnenwandelden, sprong de lelijkheid van het geheel meteen in het oog. Het gebouw wilde imponeren, en dat moest vooral gebeuren door de omvang. Bombastisch was een eufemisme, als was het een scenografie van Albert Speer. Aan het altaar van de basiliek, door politieke gevangenen uitgehakt in de rotsen, lagen een paar ruikertjes bloemen op twee grafstenen. Op de eerste stond de naam van José Antonio Primo de Rivera, de zoon van generaal Miguel Primo de Rivera, Spaans militair dictator van 1923 tot 1930. De zoon stichtte zelf de fascistische partij Falange. Al tijdens het eerste jaar van de burgeroorlog, in 1936, werd hij door de republikeinen gefusilleerd. Naast hem ligt Francisco Franco, Spaans dictator voor het leven. De overwinnaar van de burgeroorlog die tot aan zijn dood in 1975 (hij was toen 82) aan de macht bleef. Dat Franco en Primo de Rivera naast elkaar begraven liggen, is geen toeval. Generaal Franco trad op het voorplan in 1936, toen links in Spanje de verkiezingen won met een minieme meerderheid van slechts 200.000 stemmen. Met in Marokko gelegerde troepen probeerde Franco een staatsgreep te plegen. Een deel van het Spaanse leger koos zijn kant, maar de coup mislukte. Het was wel het begin van een burgeroorlog waarbij Franco, indien nodig met veel bloedvergieten, zijn land wilde zuiveren van anti-Spaanse, progressieve elementen. Met de militaire dictatuur van Miguel Primo de Rivera in het achterhoofd, schoof hij zichzelf naar voren als de geknipte man om het land te leiden, en smeedde hij een rechtse coalitie die de steun kreeg van traditionalisten, katholieken, monarchisten en de Falange, de Spaanse fascisten. Uiteindelijk ging hij die partij, die na de dood van José Antonio Primo de Rivera moeite had om een nieuwe sterke man te vinden, ook leiden. De beweging zonder leider en de leider zonder beweging vonden elkaar. Dat Franco altijd een hekel had gehad aan de jonge Primo de Rivera werd gemakshalve terzijde geschoven. Franco gebruikte de Falange als middel om de burgerlijke samenleving te organiseren en in toom te houden. De kerk leverde de ideologische basis van het Francoregime, het leger zorgde ervoor dat hij eerst aan de macht kwam en die later ook kon behouden. De Falange deed de rest. Het was niet Franco zelf die besliste dat hij in de Valle de los Caídos begraven zou worden. Dat deden zijn opvolger, koning Juan Carlos, en de toenmalige Spaanse premier. Hij werd bijgezet in de basiliek die hij zelf in 1959 had geopend, tot meerdere heil en glorie van zichzelf. Officieel moest het een monument van verzoening worden en alle slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog eren en herdenken, maar het was vooral een merkteken in het landschap dat het katholieke Francotijdperk blijvend zou markeren. Een bouwwerk dat indruk moest maken. 'Wat een gigantisch rotsblok zou je nodig hebben om dit graf af te sluiten!', laat Graham Greene een Spaanse dorpspastoor, het titelpersonage van zijn roman Monsignor Quixote uit 1982, verzuchten als hij de basiliek voor de eerste keer bezoekt, verbijsterd door haar gigantische omvang. Spaans extreemrechts is vandaag marginaal in omvang en impact. Electoraal kwam het na de dood van de dictator niet echt meer aan de bak. Af en toe vindt er in of aan de Valle de los Caídos nog wel eens een neofascistische manifestatie plaats, waar de heimwee naar de Francotijd wordt gecelebreerd. Meer dan feestjes in de marge lijken dat niet te zijn. Uit onderzoek blijkt zelfs dat de meeste jonge Spanjaarden amper nog weten wie Franco was en waar zijn regime voor stond. De lacherigheid van mijn Spaanse vrienden toen ik hen twintig jaar geleden voorstelde om de basiliek te bezoeken, was een teken aan de wand. De tijd van Franco was voorbij. Toch is de Valle de los Caídos sindsdien uitgegroeid tot een van de heetste hangijzers van de Spaanse politiek. Iets wat ogenschijnlijk niet te rijmen valt met de onverschilligheid van een groot deel van de Spaanse publieke opinie met betrekking tot de dictator en zijn regime. Die onverschilligheid van het grote publiek is evenwel deels het gevolg van het Pacto del Olvido, het Pact van het Vergeten, een overeenkomst gesloten door alle politieke fracties bij de overgang van dictatuur naar democratie na de dood van Franco. Alle partijen verbonden er zich toe de burgeroorlog en de dictatuur niet als politiek wapen te gebruiken, en niet aan te sturen op wraak. Het akkoord maakte de vreedzame overgang van dictatuur naar democratie mede mogelijk, maar maakte van kritiek op het vroegere staatshoofd meteen ook een heikele zaak. Al te kritische uitlatingen konden de democratie in gevaar brengen. Dus werd er gezwegen, en bleef er erg veel onbespreekbaar. Het Pacto del Olvido hield decennialang stand, ook toen de socialisten met Felipe González in 1982 voor het eerst een premier mochten leveren. Diens conservatieve opvolger José Maria Aznar speelde het minder tactisch, en koos vaak voor de confrontatie. Zo kregen verenigingen die de nagedachtenis van Franco eren onder zijn bewind subsidies. Pas vanaf 1998 kwam het grote zwijgen onder druk te staan. De Spaanse onderzoeksrechter Baltasar Garzón (ook een tijdje Kamerlid voor de socialistische PSOE) vaardigde een internationaal arrestatiebevel uit tegen de voormalige Chileense dictator Pinochet met de bedoeling hem te berechten voor de dood van Spaanse staatsburgers na zijn staatsgreep in 1973. Pinochet was een groot bewonderaar van Franco, en een van de weinige staatshoofden die zijn begrafenis bijwoonde, naast prins Rainier van Monaco en koning Hoessein van Jordanië. In de Spaanse pers klonk in de weken na de demarche van Garzón steeds luider de roep om ook de misdaden van de eigen dictatuur door een rechtbank te laten behandelen. De Spaanse democratie had ondertussen al enkele pogingen tot staatsgreep overleefd, en zat volgens nogal wat historici, journalisten en politici stevig genoeg in het zadel om de trauma's uit het verleden te kunnen behandelen en te bespreken. Veel nabestaanden van mensen die waren omgebracht tijdens de burgeroorlog waren daarbij nadrukkelijk vragende partij. José Luis Rodríguez Zapatero was zo iemand. Zijn grootvader was een officier die tijdens de burgeroorlog geweigerd had de kant van Franco te kiezen en om die reden werd geëxecuteerd. In 2004 won Zapatero de verkiezingen voor de socialisten, en drie jaar later drukte hij als premier de zogenaamde Ley de Memoria Histórica door, de Wet op de Historische Herinnering. Die behelsde onder meer de verwijdering van standbeelden die strijders uit de burgeroorlog verheerlijkten, een officiële veroordeling van het Francoregime, het in het leven roepen van ondersteuning voor slachtoffers van de burgeroorlog en hun nabestaanden, en de beslissing dat er niet langer politieke activiteiten in Valle de los Caídos mochten plaatsvinden. De basiliek moest zelfs een tijdje de deuren sluiten. Zapatero's opvolger Mariano Rajoy van de conservatieve Partido Popular draaide vanaf 2011 die maatregelen terug of stak ze in de ijskast. Hoe met de vaderlandse geschiedenis werd omgegaan, leek voortaan bepaald te gaan worden door de steeds wijdere politieke slingerbeweging tussen links en rechts, met telkens een radicaal andere visie op het verleden. Nu de nieuwe, socialistische premier Pedro Sánchez afgelopen zomer liet weten het stoffelijk overschot van Franco zo snel mogelijk te willen weghalen uit de Valle de los Caídos - tegen de zin van de Spaanse kerk en van de familie Franco - lijkt daar niet meteen verandering in te komen. De premier wil dat de Valle de los Caídos niet langer een verzamelplaats voor extreemrechts en Franco-nostalgici is. De Partido Popular is het daar, op de oppositiebanken, niet mee eens. 'Het heeft geen zin oude wonden open te rijten', is haar standpunt. De regering stemde al met het plan van Sánchez in. Het is nu wachten op het Spaanse Hooggerechtshof, dat zich in de komende maanden moet uitspreken over een verzoek van de familie Franco om de opgraving tegen te houden. Dat is minder vreemd dan het lijkt. Want niet alleen extreemrechts kan als erfgenaam van het Franco-regime en de ideologie erachter beschouwd worden, ook de Partido Popular kan wat dat betreft adelbrieven voorleggen. Dat heeft alles met de technocraten te maken die Franco tijdens de laatste twintig jaar van zijn bewind bijstonden. Franco mag dan wel begonnen zijn als fascist, gaandeweg veranderde zijn regime van karakter. Naarmate de krijgskansen keerden, hield de man die ooit een geheim samenwerkingsakkoord met Hitler en Mussolini sloot zich al tijdens de Tweede Wereldoorlog steeds meer op de vlakte. Bij een bezoek aan de Caudillo, zoals Franco zich liet noemen (een Spaanse term voor 'krijgsheer'), stelde de Britse ambassadeur vast dat de foto's van Hitler en Mussolini op zijn bureau plots vervangen waren door die van de Portugese president en de paus. Al zou het nog tot 1955 duren voor Spanje mocht toetreden tot de Verenigde Naties, na een opgelegd isolement van tien jaar. Omstreeks die tijd werd een geleidelijke verandering binnen het regime zichtbaar. Het fascisme werd nooit echt opgegeven, maar kreeg wel een steeds kleinere impact op de besluitvorming binnen de regering. Franco omringde zich voortaan vooral met technocraten die in de eerste plaats gerekruteerd werden uit de katholieke organisatie Opus Dei. In die evolutie was 1959 een scharnierjaar. Een ingrijpende economische verandering werd doorgevoerd, het zogenaamde Plan de Estabilización. Spanje zocht daarnaast ook een veel nauwer contact met de internationale gemeenschap, wat bezegeld werd met een sterk gemediatiseerd bezoek van de Amerikaanse president Eisenhower aan Madrid in december van dat jaar. De technocraten namen het heft stevig in handen. Om aan de macht te kunnen blijven ging Franco akkoord met maatregelen die hij zelf niet begreep. Geholpen door een gunstige internationale conjunctuur leverde het meteen resultaat op. Het land moderniseerde, en ook de kerk - die zich in Spanje altijd van zijn conservatiefste kant had laten zien - ontsnapte niet aan the winds of change, zeker niet na het Tweede Vaticaans Concilie. Na de dood van de dictator waren het enkele hervormingsgezinde technocraten die het voortouw namen in de overgang naar de parlementaire democratie. Twee mensen waren daarbij van doorslaggevende betekenis: koning Juan Carlos, die uiteindelijk toch door Franco als zijn opvolger was aangewezen en na diens dood meteen zijn vertrouwen in de democratie uitsprak, en Adolfo Suárez, de eerste gekozen minister-president na het Franco-tijdperk. Zij belichaamden de transitie van dictatuur naar democratie, en zorgden er daarbij steeds voor dat de staat en niet de straat het voortouw bleef nemen. Alles gebeurde in nauw overleg tussen meerderheid en oppositie. Dat Suárez, die lid geworden was van Opus Dei, eerder al onder Franco had gediend en directeur van de staatszender TVE was, gaf hem ter rechterzijde de nodige credibiliteit. Franco's minister van Binnenlandse Zaken Manuel Fraga richtte bij de overgang naar de democratie een nieuwe partij op, de Alianza Popular. Met beperkt succes bij de verkiezingen, want de partij genoot niet ten onrechte de reputatie een haven voor voormalige franquisten te zijn. Het was wachten op Aznar om de partij - nadat de naam in 1989 veranderd werd in Partido Popular (PP) - naar de mainstream en electoraal succes te leiden. Zelfs al durfde Aznar zichzelf weleens een falangist te noemen, toch heeft de PP zich sindsdien stevig gevestigd als een conservatieve, christendemocratische partij. Wie de nalatenschap van Franco, of zijn stoffelijk overschot, bovenaan op de agenda plaatst, verwijst daarmee dus niet alleen naar de Spaanse Burgeroorlog en de dictatuur. Hij of zij kietelt ook de PP en haar aanhang, door ook de wortels van de partij en haar ontstaansgeschiedenis weer actueel te maken - en die zijn onlosmakelijk verbonden met de dictatuur. Goed voor een politieke stellingenoorlog die nu al vijftien jaar duurt, waarbij de wind bij elke regeringswissel van richting lijkt te veranderen. Met zijn 1,64 meter is Franco nooit groot van gestalte geweest, maar hij werpt zijn lange schaduw nog steeds ver voor zich uit - of zijn stoffelijke resten nu opgegraven worden of niet. De voortdurende terugkeer van de geest van Franco is in Spanje een politieke realiteit die uiteindelijk minder met een onverwerkt fascistisch verleden te maken heeft, dan wel met de weer steeds harder wordende links-rechtstegenstelling binnen de Spaanse politiek.