Vier jaar lang werkte Bart Van Loo aan De Bourgondiërs: aartsvaders van de Lage Landen. Duizend jaar Europese geschiedenis balde hij samen tot ruim zeshonderd vaardig geschreven bladzijden. Met oog voor detail schildert hij het ontstaan van de Nederlanden in de vijftiende eeuw. 'De Lage Landen zijn een Bourgondische uitvinding', zegt hij. 'Om dat verhaal goed uitgelegd te krijgen, moest ik ver teruggaan in de tijd.'
...

Vier jaar lang werkte Bart Van Loo aan De Bourgondiërs: aartsvaders van de Lage Landen. Duizend jaar Europese geschiedenis balde hij samen tot ruim zeshonderd vaardig geschreven bladzijden. Met oog voor detail schildert hij het ontstaan van de Nederlanden in de vijftiende eeuw. 'De Lage Landen zijn een Bourgondische uitvinding', zegt hij. 'Om dat verhaal goed uitgelegd te krijgen, moest ik ver teruggaan in de tijd.' U begint in 406. Bart Van Loo: De reconstructie van de eerste 990 jaar in 66 bladzijden heeft me maanden gekost. Ik begin bij de inval van de barbaren uit het noorden. In december 406 vroor de Rijn in de buurt van Mainz dicht. De schijnbaar onoverbrugbare rivier veranderde in één grote uitnodigende brug. De barbaren uit het ruige Germanië kregen toegang tot het door de Romeinen bestuurde Gallië, het latere Frankrijk. Vandalen, Sueben en Alanen stroomden Gallië binnen. Maar wat níét in onze geschiedenislessen verteld werd: ook Bourgondiërs staken mee de Rijn over. Kwamen de Bourgondiërs dan niet oorspronkelijk uit het zuiden? Van Loo: Helemaal niet. Ze hadden heel Oost-Europa doorkruist, van rivier naar rivier, en stamden eigenlijk van het eiland Bornholm in de Oostzee, tussen Denemarken en Polen. Vóór onze jaartelling heette het Burgundarholm. Die naam smokkelden ze via Oost-Europa mee naar de plek waar ze zich uiteindelijk vestigden: Bourgondië. Aan de hand van dat vergeten Germaanse volk, de Bourgondiërs, schets ik de middeleeuwen in het eerste deel van mijn boek. Clovis, de eerste koning der Franken, bekeerde zich tot het christendom onder grote invloed van zijn vrouw Clothilde, een Bourgondische katholieke prinses. In 911 werden de Noormannen bij Chartres tegengehouden door een leger onder leiding van Richard de Rechtsbrenger, de eerste hertog van Bourgondië. De Bourgondiërs hielden de Vikingen tegen? Van Loo: Jawel. De verslagen Vikingenleider Rollo kon zijn vege lijf redden door zich te laten dopen en werd verbannen. Het eerste stuk land dat hem als ballingsoord werd aangeboden, was Vlaanderen. Toen was dat nog moerasland. Rollo had geen zin om de rest van zijn dagen te zitten verpieteren in een zompig moeras. Hij weigerde en kreeg een ander gebied toegewezen dat we nu kennen als Normandië. Stel je voor dat hij akkoord was gegaan met Vlaanderen - dan leefden wij nu in Normandië. (lacht)Het was niet vanzelfsprekend om dat eerste millennium opnieuw te vertellen aan de hand van de vergeten Bourgondiërs. Maar ik móést dat doen, want bij alle belangrijke Europese revoluties stonden zij telkens weer op de eerste rij. Na dat millennium-in-66-bladzijden vertelt u de Bourgondische eeuw, die liep van 1369 tot 1467, in 292 bladzijden. De verhoudingen lijken een beetje zoek. Van Loo: Toch niet. Want na dat millennium staan de middeleeuwen in stelling en is de lezer helemaal klaar om te begrijpen wat zal volgen. Dan komt de eigenlijke start van de eenmaking van de Lage Landen, met op 19 juni 1369 het huwelijk in Gent van Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië, met Margaretha van Male, de dochter van de graaf van Vlaanderen. Filips de Stoute legde de basis, zijn nazaten Jan zonder Vrees, Filips de Goede en Karel de Stoute bouwden de erfenis uit. Kleinzoon Filips de Goede gaf de onder zijn gezag verenigde landen aan de benedenloop van Rijn, Maas en Schelde voor het eerst een staatkundige dimensie. Hij zorgde voor een echt gevoel van eenheid met de vierlander, een munteenheid voor de hele Nederlanden. En hij maakte werk van een representatieve vertegenwoordiging: op 9 januari 1464 riep hij de eerste Staten-Generaal van de Nederlanden samen in de gotische zaal van het stadhuis van Brugge. Vertegenwoordigers uit Artesië (het oostelijke en noordelijke deel van het huidige Franse departement Pas-de-Calais, nvdr), Vlaanderen, Frans-Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen, Boulogne en Mechelen waren present. Die bijeenkomst markeert de officiële geboorteakte van de Lage Landen. Dat is nu exact 555 jaar geleden. En daarom siert een portret van Filips de Goede de cover van uw boek? Van Loo: Ik vind dat een beeldschoon portret, naar een verloren origineel van Rogier van der Weyden. Het hangt in het Musée des Beaux-Arts van Dijon, meteen ook het vroegere paleis van de hertogen van Bourgondië. Filips de Goede is de man die de eenmaking écht geregeld heeft. Hij regeerde ook het langst, van 1419 tot 1467. Veel mensen kennen vandaag zijn naam, maar weten niet meer wie hij was of waar hij voor stond. Als ze mijn boek gelezen hebben, zullen ze voor eens en voor altijd weten dat hij onze aartsvader is.Wat voor een man was hij? Van Loo: Hij was zowel ascetisch als wellustig. Soms vastte hij als brave katholiek en soms was hij onwijs geil. Hij organiseerde uitzinnige feesten en had 26 bastaardkinderen bij 25 minnaressen. Enerzijds was hij een stoere ridder die op kruistocht wilde, anderzijds gaf hij bijvoorbeeld justitie een boost door rechtbanken te installeren. Hij creëerde financiële rekenkamers, waar ze behoefte hadden aan mensen met een goed ontwikkeld verstand. Dus moesten er opleidingen komen. Hij werd zo een van de drijvende krachten achter de universiteit van Leuven. Filips was ridder maar ook burger. Met de ene voet stond hij nog in de klassieke middeleeuwen, met de andere in de renaissance. De door hem opgerichte ridderorde van het Gulden Vlies illustreerde die dubbelzinnigheid. Het was een religieuze broederschap van heldhaftige ridders die paraat stonden om op kruistocht te vertrekken. Tegelijkertijd was het een netwerk, een soort van businessclub. Filips kanselier Rolin was een slimme kerel die gestudeerd had, net als zijn allereerste minister van Financiën Bladelin. Lang voor de Franse Revolutie kon wie van goede komaf was voor het eerst dankzij studie carrière maken. Het hof van Filips de Goede was altijd onderweg. Een hoofdstad zoals wij die nu hebben, bestond nog niet. De hofhouding van de hertog was voortdurend on the road? Van Loo: Ze legden lange afstanden te paard af, door weer en wind. Filips de Goede logeerde vaak op verschillende plekken. Hij had de Prinsenhoven in Gent en Brugge en zijn paleizen in Dijon en Rijsel. In Brussel bezat hij het paleis op de Koudenberg. Daar verbleef hij het meest, zeker in de laatste jaren van zijn leven. Je mag gerust stellen dat Brussel de feitelijke hoofdstad van het Bourgondische rijk werd. Het paleis stond op exact dezelfde plaats waar ons huidige koninklijke paleis staat. Je kunt er zijn kelders nog bezoeken en dromen van de vaten beaune die er lagen. U beschrijft feesten georganiseerd door de hertogen van Bourgondië. Het lijken wel scènes uit een film van Fellini, of La Grande Bouffe in overtreffende trap. Vooral de zogeheten ' entremets' spreken tot de verbeelding. Van Loo: De koks deden hun uiterste best om met die tussengerechten de gasten te verrassen. Ze decoreerden trapganzen met diamanten, hulden hazelhoenen in een gouden habijt, of plaatsten een kippenkop op een konijnenlijf. De poten van een gegrilde pauw werden verguld, zijn staart en pluimen werden weer op zijn lijf geplakt, en ze propten een in brandewijn gedrenkte lap stof in zijn bek. Ze staken de prop in brand en onder begeleiding van hoorngeschal werd de vuurspuwende pauw opgediend. De Bourgondiërs waren daar gek op.Het vette en vrome leven van de hertogen van Bourgondië ging later via het werk van Bruegel en figuren als Lamme Goedzak tot de volksaard behoren. Als de hertogen van hun feestjes geen propagandistische kunstwerken hadden gemaakt, zouden we nu iemand die van lekkere gastronomie houdt geen 'bourgondiër' noemen. U citeert kroniekschrijvers. Maar kunnen we hun zogenaamde ooggetuigenverslagen blindelings vertrouwen? Zij werkten toch vaak in opdracht van de machthebbers van die tijd? Van Loo: Nee, ze zijn niet te vertrouwen, al ben ik als schrijver toch blij met hun verhalen. De gerenommeerde historicus Wim Blockmans was tijdens het schrijven van dit boek mijn klankbord. Academici zoals hij verrichten pionierswerk met het uitpluizen van het waarheidsgehalte van al die kronieken. Met de facturen in de hand gaan ze na wat juist is en wat verzinsel. Want de Bourgondiërs waren uitstekende boekhouders? Van Loo: Ze schreven graag facturen en hielden nauwgezet hun boekhouding bij. Die boekhoudingen zijn onmisbare bronnen vol hard cijfermateriaal. De kroniekschrijvers lieten zalige teksten vol anekdotiek na, maar met hun getuigenverslagen moet je goed oppassen. Als zij schrijven dat honderdduizend mensen een veldslag uitvochten, kun je dat aantal beter met een korrel zout nemen. Dat klinkt Trumpiaans. Na zijn inauguratie had de Amerikaanse president Donald Trump het over 'de grootste menigte toeschouwers ooit'. Van Loo: Dat is inderdaad een kopie van toen. Bij het huwelijk van Filips de Goede in 1430 telde een enthousiaste chroniqueur 5000 deelnemers aan de stoet. Een stoet van 5000 deelnemers? Komaan, zeg. Een andere schreef over 150.000 toeschouwers. Natuurlijk vond Filips de Goede die aantallen in zijn kronieken fantastisch. Net zoals Trump jubelt over de opkomst op zijn politieke rally's. De hoge heren leefden zich op hun banketten uit als echte bourgondiërs, maar hoe zat het met het gewone volk? Van Loo: De vijftiende-eeuwse Franse kroniekschrijver Philippe de Commynes beschreef Bourgondië en de Lage Landen onder Filips de Goede als 'de landen van belofte'. Met eten, drinken, feesten en rijkdom. Natuurlijk had De Commynes vooral oog voor de elite. Maar die lag hier wel dikker gezaaid dan elders. De levensstandaard in de Zuidelijke Nederlanden bereikte op dat moment zijn hoogste peil ooit. Het zou daarna nog tot in de negentiende eeuw duren vooraleer we daar terug bij aanknoopten. Niet dat er geen kommer en kwel was, integendeel. Maar binnen het Bourgondische rijk heerste er vrede. In de Bourgondische eeuw kreeg 'de ontwakende individualisering van de westerse mens een kleine groeischeut', schrijft u. Dat gebeurde op het moment dat mensen het geloof in hun privésfeer toelieten. Zweefde het geloof daarvoor dan altijd boven hun hoofden? Van Loo: Geloof was eerst elitair, met de kloosterorden in een glansrol. Vanuit het klooster van het Bourgondische Cluny oefende de benedictijnerorde veel macht uit over de hele katholieke gemeenschap. In Cluny werd gebeden voor het zielenheil van de hele mensheid. De benedictijnen groeiden uit tot een succesvolle religieuze multinational, met kloosters tot in Santiago de Compostella. Vanaf de veertiende eeuw kwam daar verandering in, door rondtrekkende predikers die met hun verhalen steeds meer volk lokten. Hun openbare preken groeiden uit tot heuse spektakels, inclusief stuntachtige verschijningen. Geloof werd iets heel zintuiglijks. Tegelijkertijd veranderde de kunst: die verliet de kerk en het klooster. Gewone mensen wilden graag iets tastbaars van hun geloof. Als ze het zich konden veroorloven, kochten ze een gebedenboek of een brevier. Arme dompelaars hadden een paternoster of bouwden in een hoekje van hun huis een privékapelletje met een kruis of een primitieve afbeelding van Christus met een kaars ervoor. Uit die volksdevotie groeide een heuse industrie van niet al te beste kunst. Mozes en de andere heiligenbeelden doken plots overal op. Het geloof werd 'draagbaar'. Filips de Stoute, de grootvader van Filips de Goede, zat tijdens die evolutie op de eerste rij. Zijn kaarsen waren enorm, net als zijn brevieren. Zijn privékapelletje werd meteen een heel klooster. (lacht) Hij gaf opdracht tot de bouw van het tot de verbeelding sprekende kartuizerklooster van Champmol in Dijon. De kartuizers waren het strengst in het navolgen van de gelofte van armoede, terwijl Filips de Stoute de best geklede man was van zijn tijd. Met Champmol wilde hij zijn toekomst in het hiernamaals veiligstellen? Van Loo: Natuurlijk. Zijn graf moest in dat klooster komen, waar vervolgens een hele orde dag en nacht voor zijn zielenheil kon bidden. In de Lage Landen wierf hij kunstenaars. De belangrijkste was Klaas Sluter uit Haarlem. Niemand kent die man nog, maar ik vind hem de Michelangelo van de Lage Landen. Zijn werk is prachtig, je moet echt eens in Dijon naar het praalgraf van Filips de Stoute gaan kijken. Sluter beeldhouwde de rouwstoet in albast en marmer. Je ziet iemand een traan wegpinken, iemand anders snuit zijn neus. De huidplooien en rimpels van die gebeeldhouwde mensen zijn levensecht. Die meesterwerken zijn gemaakt door iemand van bij ons. Of toch ongeveer: Klaas Sluter was een Haarlemmer die waarschijnlijk rond de markt van Brussel het vak geleerd heeft. Jan van Eyck moet zijn werk in Dijon zeker gezien hebben, want je vindt Sluters invloed terug in het Lam Gods in de Gentse Sint-Baafskathedraal. 'Sluter' wil zeggen: 'sleuteldrager': Klaas Sluter gaf Van Eyck de sleutels waarmee hij de deur van een nieuwe kunsteeuw kon ontsluiten. Daarom geef ik hem met dit boek eindelijk de honneurs die hij verdient. Had hij dan niet op de cover moeten staan? Van Loo: We hebben geen beeld van hem. Toen hij in Dijon aan het werk was, draaide alles nog rond Filips de Stoute en niet rond de kunstenaar. De naam Klaas Sluter kennen we eigenlijk alleen uit de Bourgondische boekhouding. Als de betalingen aan hem daar niet netjes in waren bijgehouden, hadden we zelfs nooit geweten wie die prachtige beelden gemaakt heeft.