Achttien jaar geleden liet Johan Bollen België achter zich om in de Verenigde Staten te gaan werken als computerwetenschapper. Hij doctoreerde aan de VUB in experimentele psychologie en trok daarna naar de VS om zich te verdiepen in sociale computerwetenschappen, menselijk gedrag op sociale media, en digitale bibliotheken. Hij maakte enkele jaren geleden furore met het onderzoek dat aantoonde dat de collectieve gemoedsgesteldheid op Twitter een goeie voorspeller was voor koersschommelingen op de beurs. Onderzoek waarmee hij wereldwijd de pers haalde. 'Twitter is de kanarie in de koolmijn van de economie', zei hij toen. Vandaag houdt hij zich nog altijd bezig met het bestuderen van menselijk gedrag op sociale media - en met de manier waarop fake news zich verspreidt op het internet.
...

Achttien jaar geleden liet Johan Bollen België achter zich om in de Verenigde Staten te gaan werken als computerwetenschapper. Hij doctoreerde aan de VUB in experimentele psychologie en trok daarna naar de VS om zich te verdiepen in sociale computerwetenschappen, menselijk gedrag op sociale media, en digitale bibliotheken. Hij maakte enkele jaren geleden furore met het onderzoek dat aantoonde dat de collectieve gemoedsgesteldheid op Twitter een goeie voorspeller was voor koersschommelingen op de beurs. Onderzoek waarmee hij wereldwijd de pers haalde. 'Twitter is de kanarie in de koolmijn van de economie', zei hij toen. Vandaag houdt hij zich nog altijd bezig met het bestuderen van menselijk gedrag op sociale media - en met de manier waarop fake news zich verspreidt op het internet.'Sociale media maken ons waarschijnlijk ongelukkiger', is één van de ontnuchterende vaststellingen die hij maakt, als expert in menselijk gedrag op sociale media. Of het nu Facebook, Twitter of Instagram is: ons humeur gaat er niet op vooruit wanneer we veel tijd doorbrengen op sociale media. 'Voortdurend geconfronteerd worden met opgewekte vakantiefoto's en andere kiekjes kan ons het gevoel geven dat we minder gelukkig zijn dan onze vrienden. En je hebt ook de Friendship en Happiness Paradox: als je op sociale media zit, heb je statistisch gezien meer kans om minder populair en minder gelukkig te zijn dan je vrienden.' Bollen werd zelf ook ongelukkig van sociale media. Hij had een Twitter-account en sloot die enkele maanden geleden af. 'Ik vond het niveau van de debatten en de informatie op Twitter alsmaar bedenkelijker worden. Ik zag veel hate speech, valse beschuldigingen en misleidende informatie. Door de Amerikaanse verkiezingen was de inzet hoog en stonden de zenuwen gespannen. Ik heb het idee dat de sociale media mee verantwoordelijk zijn voor de verruwing en de verlaging van ons maatschappelijk debat. Voor mijn gemoedsrust is het beter om me daar niet druk in te maken, dat haalt toch niets uit. Ik zit wel nog op Facebook, omdat ik zo contact kan houden met vrienden en familie. Maar ik heb er twijfels over of het mij gelukkiger maakt. Ik denk van niet. Misschien sluit ik ook daar mijn profiel nog af. Ik ben ook niet meer zo zeker dat het voor onze maatschappij als geheel een meerwaarde is.'Nochtans doet een groeiende groep jongeren in onze samenleving net het tegenovergestelde: ze zijn steeds afhankelijker van sociale media. Johan Bollen: 'Ja, dat verbaast me niet. Het is hun venster op de wereld. Een heel beperkend venster, moet eraan toegevoegd. Het is moeilijker om in het echte leven iemand af te blaffen of doodgewoon weg te lopen als het je niet aanstaat, zoals dat gebeurt op sociale media. Plus: je kan je op sociale media makkelijker afsluiten van informatie die jouw ideeën en meningen uitdaagt. Je hoeft mensen niet te volgen als ze je niet aanstaan.' 'Blij word ik daar niet van, zoals ik al zei, maar ik ben als wetenschapper wel opgetogen dat er nog altijd zoveel mensen zijn die Facebook en Twitter wel de moeite vinden. Op Facebook zit ongeveer 1 miljard mensen, op Twitter 300 à 400 miljoen. Dat geeft mij een onschatbare waarde aan gegevens over mensen, zowel individueel als collectief. We ontwikkelen nu methodes waarmee we op basis van iemands tweets nagaan wanneer hij zich in een emotionele dip bevond en wanneer hij zich beter voelde. Als wetenschapper ben ik dus grote fan.'Hoe komt het dat zoveel mensen op sociale media zitten, als ze er volgens u ongelukkiger van worden?Johan Bollen: 'Ik weet dat het bizar lijkt, maar mensen doen heel veel dingen waar ze ongelukkiger van worden. Ze gokken, bijvoorbeeld, terwijl dat niet goed is voor hun welzijn. Zeker niet voor hun financiële welzijn. Sociale media hebben een gelijkaardig ingebouwd verslavend effect. Het achterliggende principe is hetzelfde als bij gokmachines: je moet mensen op onregelmatige basis belonen, zoals met likes en retweets, zodat ze blijven spelen. Het zijn commerciële omgevingen die er alles aan doen om ons bij hen te houden. Dat is nodig om ons hun advertenties te laten zien, waar ze geld aan verdienen.' U bestudeert haatboodschappen en nepnieuws en hoe die zich verspreiden op sociale media. Hoe komt het dat die zo floreren?Johan Bollen: 'Veel nepnieuws lokt emoties uit. Doelbewust: daar krijg je veel meer reacties op, waardoor ze viraal kunnen gaan. Sociale media verspreiden ook berichten en nieuws die we via onze vrienden of volgers aangereikt krijgen. Als ik een extreme opvatting op Twitter zet, zien al mijn meestal gelijkgezinde volgers dat en verspreidt het zich razendsnel, zonder dat er tegenspraak komt. En dan ben je er: je hebt een online kweekbuis waarin we meer en meer virulente meningen en ideeën naar elkaar sturen. Die directheid is tegelijk de sterkte en de zwakte van sociale media, en vooral van Twitter. Dat wordt nog versterkt door de aanbevelingssystemen die de sociale media gebruiken: ze bestuderen ons gedrag, wat we liken, wat we online kopen, enzovoort, om ons dingen aan te bieden die ons al bevallen of ons te linken aan mensen die gelijkaardig denken.' We dachten enkele jaren geleden dat sociale media het maatschappelijke debat zouden verrijken. Fout gedacht?Johan Bollen: 'Misschien wel. Ik heb altijd onderzoek gedaan naar collectieve intelligentie, het vermogen van grote groepen mensen om gezamenlijk betere beslissingen te maken dan elk van hen individueel zou kunnen maken. The wisdom of the crowd, heet dat. Democratie is voor een stuk op dat idee gebaseerd. Mits de juiste omstandigheden, mits de juiste interacties kan het wisdom of the crowd-effect wel degelijk werken. Maar als ik nu kijk naar sociale media, begin ik te vermoeden dat ze wel eens het omgekeerd effect kunnen hebben. In de foute omstandigheden krijg je de madness of the crowds, zoals die in 1840 beschreven werden door de Schotse journalist Charles Mackay. Hij beschreef in detail hoe verschillende momenten waarop menigten en meutes helemaal knettergek werden, leidden tot economische instorting en heksenvervolgingen.'Het lijkt wel Twitter.Johan Bollen:(lacht) 'Je zou denken dat Mackay Twitter heeft voorspeld, ja. We dachten dat we nu een systeem hadden waarin mensen aan elkaar gekoppeld zouden worden en waarin we samen veel verstandiger zouden worden. Op dit moment zijn er sterke aanwijzingen dat dat niet het geval is op sociale media.'Moeten we ons stilaan zorgen maken over de rol en de maatschappelijke impact van sociale media, als je ziet welke impact ze hebben op de leefwereld van jongeren?Johan Bollen: 'Persoonlijk maak ik er me zeker grote zorgen over, ja. Kijk, er zijn twee mogelijkheden: misschien is het inherent aan sociale media dat ze het maatschappelijke debat verzieken en onze mogelijkheid om goeie beslissingen te nemen aantasten. Of, de andere mogelijkheid: ze maken zichtbaar wat vroeger onzichtbaar bleef. In de jaren '90 waren veel mensen verrast door het succes van het Vlaams Blok. Zonder sociale media zag men die trend niet zo scherp. Daarom: misschien weerspiegelen sociale media alleen maar eerlijker wat er al is.''Niettemin moeten we ons allemaal beraden over de gevolgen van de technologie en hoe we die in ons maatschappelijk debat integreren zonder dat het schadelijk wordt. Ik vergelijk het met de periode waarin eerste gsm's opdoken: toen was het nog gewoon voor mensen om in hun gsm te staan roepen op straat of bus. De technologie was nog nieuw en de omgangsvormen hadden zich nog niet aangepast. Misschien heeft onze samenleving het punt bereikt dat we moeten nadenken hoe we dat soort technologie best gebruiken.'In welke richting denkt u dan?Johan Bollen: 'Ik ben geen moraalridder die anderen wil vertellen wat ze moeten doen. Maar er zijn enkele omgangsvormen die wel belangrijk kunnen zijn: meer bedachtzaamheid bijvoorbeeld, en beseffen dat uitspraken bij een groot publiek terecht komen. Ik denk dat sommigen nog altijd de illusie hebben dat straffe uitspraken, beledigingen en extreme meningen alleen bij enkele intieme vrienden terecht komen. Dat is niet zo. In principe kijkt de hele wereld mee.''Ook het onderwijs speelt een rol. Als scholier leerde ik in de Nederlandse les om commerciële communicatie te doorzien. Bijvoorbeeld: 'X wast 25 procent witter'. Witter dan wat? Mosterd? We leerden cognitieve strategieën aan om beter te begrijpen hoe taal gemanipuleerd werd om ons zaken te doen geloven die eenvoudigweg niet waar zijn. Ik beschouw dat nog altijd als een van de nuttigste dingen die ik op school geleerd heb. Je zou vandaag makkelijk hetzelfde kunnen doen met wat er op sociale media verteld wordt.' Een ander antwoord is misschien Hoaxy, de software die u en uw collega's aan de Indiana University ontwikkelden om nepnieuws te detecteren.Johan Bollen: 'Hoaxy bestaat uit twee elementen. Het eerste, ontwikkeld door collega's van mij, bekijkt waar informatie vandaan komt en hoe die zich verspreidt. Op basis van de manier waarop informatie of nieuws zich verspreidt kan je al nagaan of het gaat om mensen die doelmatig fout nieuws verspreiden of niet. Stel: ik wil iedereen ervan overtuigen dat Bart De Wever thuis een marihuanaplantage heeft. Ik kan een serie bots programmeren die die tweets verspreiden. Dat verspreidingspatroon zal er helemaal anders uit zien dan wanneer De Standaard daar een reportage zou over maken. Computers kunnen dat ongewone patroon meteen oppikken, analyseren en rapporteren. Op basis daarvan weet je al tot op zekere hoogte of het nieuws geloofwaardig is of niet.' 'De tweede component, waarbij ik zelf van dichtbij ben betrokken, is het ontleden van de informatie van het nepnieuws zelf. Iemand zegt bijvoorbeeld: Barack Obama is een moslim. Is dat waar of niet? Een algoritme ontleedt de informatie en probeert die te verzoenen met bestaande kennisdatabanken, zoals bijvoorbeeld Wikipedia. Concreet probeert het algoritme een pad te vinden dat Obama en het begrip moslim met elkaar verbindt. Als dat een heel moeilijk pad is, wil dat zeggen dat die informatie moeilijk te verzoenen is. Als het een heel evident pad is, is het waarschijnlijk, dan is de kans veel groter dat het juist is. Het berekent dus de waarschijnlijkheid van een statement.' Ik kan me inbeelden dat heel veel bedrijven geïnteresseerd zijn. Gaan jullie het commercialiseren?Johan Bollen: 'Dat moet de universiteit beslissen. We zien het algoritme als iets dat we ter beschikking stellen aan de samenleving, als iets dat nodig is.' Facebook moet van Europa nepnieuws aanpakken. Misschien zijn zij wel geïnteresseerd.Johan Bollen: 'Ja, maar ik vraag me vooral af hoe Facebook dat nepnieuws moet aanpakken. Ik heb ooit een kwade e-mail gekregen van iemand die zei dat ik niet op eigen houtje kon beslissen wat fake nieuws is en wat niet. Een heel agressieve mail. Mensen accepteren niet zomaar dat je hen zegt wat vals is en wat niet. Zonder goede algoritmes zouden mensen bij Facebook subjectief gaan beslissen - dat is een zeer heikele kwestie. Facebook zal moeite hebben om dat objectief te doen, en de vraag is hoe effectief het zal zijn. De leugen is tien keer de wereld rond vooraleer de waarheid zijn schoenen aangetrokken heeft. Dat spreekwoord klopt als een bus, zeker op sociale media.' 'Fake nieuws gaat razend snel, dat kun je heel moeilijk inhalen. Voor alle duidelijkheid: ik moedig aan dat sociale media zich beraden over de aanpak van nepnieuws, maar ik maak me zorgen over hoe effectief het zal zijn. Vroeger hadden we mensen die heel goed waarheid en leugen van elkaar konden scheiden; journalisten en experts. Aan dat soort mensen hebben we nu meer dan ooit behoefte. Maar onder meer Donald Trump heeft ontdekt dat je journalisten kan omzeilen en onzin kan verspreiden zonder dat het eerst gefilterd wordt door mensen die zijn uitspraken controleren op hun waarheidsgehalte.'Maar ook jullie software kan helpen.Johan Bollen: 'Ja. Ik denk dat we meer en meer van dat soort algoritmische methodes gaan zien. Als iemand een netwerk van geautomatiseerde accounts gebruikt om nieuws te verspreiden - zoals dat gebeurde in aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen - kan dat veel sneller en makkelijker gedetecteerd worden. Ons algoritme zou ervoor kunnen zorgen dat wanneer ik iets tweet of post - zoals 'smurfen bestaan echt' - het algoritme aangeeft dat het hoogstwaarschijnlijk fout is. Dat is nog een onschuldig voorbeeld. We hebben meegemaakt dat er in presidentiële debatten volop gelogen werd, dat de kans dat iemand de waarheid sprak minder dan vijftig procent was. Stel je dat eens voor. Het is mogelijk dat algoritmes toegevoegd worden aan de live feed bij een politiek debat en aangeven dat iemand hoogstwaarschijnlijk aan het liegen is. Als iemand bijvoorbeeld zegt dat de werkloosheid nu hoger is dan ooit, dan is dat makkelijk te controleren. Bij een volgend presidentieel debat zou je die technologie al kunnen toepassen.'Enkele jaren geleden maakte u furore met onderzoek dat uitwees dat de stemming op Twitter een goede voorspeller was voor veranderingen in de beurskoersen. Kan u ook politieke evoluties ook voorspellen? Johan Bollen: 'Ja, dat kan. Samen met mijn collega's van het departement sociologie hebben we onderzoek gedaan naar twee verkiezingen voor het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. En wat bleek? De kandidaat die de meeste vermeldingen kreeg op Twitter werd ook verkozen. Die link was heel sterk. Maar we hebben ook gekeken naar rol van emoties. Je zou verwachten dat wanneer mensen slecht spreken over Donald Trump en heel veel mensen Hillary Clinton prijzen, de winnaar voor de hand ligt. Fout, volgens ons onderzoek. Het draait louter om het aantal vermeldingen die een kandidaat krijgt. Trump kreeg op de voorpagina's van de online kranten zowat iedere dag meer dan vijf tot tien keer aandacht dan Clinton. Hij kreeg aanzienlijk meer aandacht, en het is mogelijk op die basis te voorspellen wie de verkiezingen wint. Al moet ik daarbij zeggen: voor mij persoonlijk was het wel een verrassing dat hij president werd. Ik had beter onze grafieken geloofd.' (lacht)