Zielig, eenzaam, verwend, egoïstisch: er bestaan veel vooroordelen over enige kinderen, aldus Jacqueline van Swet, voormalig orthopedagoge en gezondheidspsychologe (Fontys Hogescholen) in Goed Gevoel. Maar die zijn niet wetenschappelijk, onderstreept ze. 'Integendeel: uit onderzoek blijkt dat "enige kinderen" statistisch gezien beter samenwerken, meer doorzettingsvermogen en verantwoordelijkheidsgevoel bezitten, ijveriger, netter en gezagsgetrouwer zijn en meer op zichzelf kunnen zijn dan andere kinderen.' We probeerden contact op te nemen met Van Swet, maar kregen geen antwoord. Ze publiceerde wel een boek over het thema: Enig kind. Daarin verwijst ze naar The Future of Your Only Child van Carl E. Pickhardt, die op zijn beurt verwijst naar de Amerikaanse psychologe Toni Falbo, 'die tot de conclusie kwam dat enige kinderen in de meeste gevallen ongeveer hetzelfde scoorden als kinderen met broers en zussen, met uitzondering van twee kenmerken waarop ze opvallend hoger scoorden: zelfwaarde en motivatie om te presteren.'

De effecten zijn minimaal en moeten enorm genuanceerd worden.

Hoogleraar ontwikkelingspsychologie Bart Soenens (UGent) las het overzichtsartikel van Falbo. 'Het is een meta-analyse van veel verschillende studies. Die wijzen elk afzonderlijk soms in de een of andere richting, maar als je alle resultaten naast elkaar legt, kun je alleen maar concluderen dat dat toeval is: gemiddeld genomen zijn er amper verschillen tussen enige kinderen en kinderen met broers of zussen. Dat blijkt ook uit andere studies met grote, representatieve steekproeven. Specifiek over samenwerken vond ik geen onderzoek terug. De persoonlijkheidsdimensie die nog het dichtst in de buurt komt, is sociabiliteit. Maar daarmee wordt geen enkel verband gevonden.' Soenens vindt het wél positief dat Jacqueline van Swet strijdt tegen enkele hardnekkige vooroordelen over enige kinderen. 'Stanley Hall, een van de grondleggers van de ontwikkelingspsychologie, beweerde zelfs dat "enig kind zijn een ziekte op zich is". Vandaag denken velen nog steeds dat enige kinderen narcistischer zijn, wat ook in onderzoek is weerlegd. Intussen weten we dat de aan- of afwezigheid van broers of zussen voor- en nadelen kan hebben, maar niet doorslaggevend is voor de ontwikkeling.'

'De gezinssamenstelling blijkt inderdaad niet zo veel effecten te hebben op de ontwikkeling', beaamt professor klinische psychologie Guy Bosmans (KU Leuven). 'Ik vond wel enkele onderzoeken die minimale verschillen tussen enige kinderen en kinderen met broers of zussen blootleggen. Maar die komen vooral uit China en zijn dus cultureel bepaald, zeker gezien de eenkindpolitiek. Uit één onderzoek bleek bijvoorbeeld dat enige kinderen iets creatiever zouden zijn, wat onrechtstreeks zou kunnen leiden tot betere samenwerking. Maar zoals gezegd: de effecten zijn minimaal en moeten enorm genuanceerd worden.'

'Jacqueline van Swet heeft zeker gelijk als het gaat over vooroordelen tegenover enige kinderen: daarover bestaat goed wetenschappelijk onderzoek', zegt ook professor gezinspedagogiek Karla Van Leeuwen (KU Leuven). Uit de meeste onderzoeken blijkt dat er amper verschillen zijn tussen kinderen met of zonder broers en zussen.'

Conclusie

Enkele onderzoeken tonen kleine verschillen aan tussen enige kinderen en kinderen met broers of zussen. Maar de meeste wetenschappelijke publicaties en experts zijn het erover eens dat die er nauwelijks zijn. Daarom beoordeelt Knack de stelling als eerder onwaar.

BRONNEN

Alle bronnen werden laatst geraadpleegd op 19 augustus 2020 tenzij anders vermeld.

* Bijgewerkt op 27/8/2020 om 10:00, om bronvermeldingen en hyperlinks toe te voegen aan het artikel.

Krasse uitspraak, straf cijfer of dito feit in de actualiteit gezien? Stuur uw vraag met exacte bronvermelding van het citaat naar factchecker@knack.be

RMG
© RMG

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Zielig, eenzaam, verwend, egoïstisch: er bestaan veel vooroordelen over enige kinderen, aldus Jacqueline van Swet, voormalig orthopedagoge en gezondheidspsychologe (Fontys Hogescholen) in Goed Gevoel. Maar die zijn niet wetenschappelijk, onderstreept ze. 'Integendeel: uit onderzoek blijkt dat "enige kinderen" statistisch gezien beter samenwerken, meer doorzettingsvermogen en verantwoordelijkheidsgevoel bezitten, ijveriger, netter en gezagsgetrouwer zijn en meer op zichzelf kunnen zijn dan andere kinderen.' We probeerden contact op te nemen met Van Swet, maar kregen geen antwoord. Ze publiceerde wel een boek over het thema: Enig kind. Daarin verwijst ze naar The Future of Your Only Child van Carl E. Pickhardt, die op zijn beurt verwijst naar de Amerikaanse psychologe Toni Falbo, 'die tot de conclusie kwam dat enige kinderen in de meeste gevallen ongeveer hetzelfde scoorden als kinderen met broers en zussen, met uitzondering van twee kenmerken waarop ze opvallend hoger scoorden: zelfwaarde en motivatie om te presteren.' Hoogleraar ontwikkelingspsychologie Bart Soenens (UGent) las het overzichtsartikel van Falbo. 'Het is een meta-analyse van veel verschillende studies. Die wijzen elk afzonderlijk soms in de een of andere richting, maar als je alle resultaten naast elkaar legt, kun je alleen maar concluderen dat dat toeval is: gemiddeld genomen zijn er amper verschillen tussen enige kinderen en kinderen met broers of zussen. Dat blijkt ook uit andere studies met grote, representatieve steekproeven. Specifiek over samenwerken vond ik geen onderzoek terug. De persoonlijkheidsdimensie die nog het dichtst in de buurt komt, is sociabiliteit. Maar daarmee wordt geen enkel verband gevonden.' Soenens vindt het wél positief dat Jacqueline van Swet strijdt tegen enkele hardnekkige vooroordelen over enige kinderen. 'Stanley Hall, een van de grondleggers van de ontwikkelingspsychologie, beweerde zelfs dat "enig kind zijn een ziekte op zich is". Vandaag denken velen nog steeds dat enige kinderen narcistischer zijn, wat ook in onderzoek is weerlegd. Intussen weten we dat de aan- of afwezigheid van broers of zussen voor- en nadelen kan hebben, maar niet doorslaggevend is voor de ontwikkeling.' 'De gezinssamenstelling blijkt inderdaad niet zo veel effecten te hebben op de ontwikkeling', beaamt professor klinische psychologie Guy Bosmans (KU Leuven). 'Ik vond wel enkele onderzoeken die minimale verschillen tussen enige kinderen en kinderen met broers of zussen blootleggen. Maar die komen vooral uit China en zijn dus cultureel bepaald, zeker gezien de eenkindpolitiek. Uit één onderzoek bleek bijvoorbeeld dat enige kinderen iets creatiever zouden zijn, wat onrechtstreeks zou kunnen leiden tot betere samenwerking. Maar zoals gezegd: de effecten zijn minimaal en moeten enorm genuanceerd worden.' 'Jacqueline van Swet heeft zeker gelijk als het gaat over vooroordelen tegenover enige kinderen: daarover bestaat goed wetenschappelijk onderzoek', zegt ook professor gezinspedagogiek Karla Van Leeuwen (KU Leuven). Uit de meeste onderzoeken blijkt dat er amper verschillen zijn tussen kinderen met of zonder broers en zussen.'