Tijdens een debat in het Vlaams Parlement over de studiekeuze in het secundair onderwijs beweerde Kim De Witte (PVDA) dat 'een kind uit een arm gezin zeven keer meer kans heeft op een C-attest dan een kind uit een rijk gezin'.

De Witte laat weten dat het cijfer afkomstig is uit het boek De (her)vormende school van Kristof De Witte en Jean Hindriks. 'Het gaat hier over een vergelijking tussen de uitersten. De kinderen uit de vijf procent rijkste gezinnen versus de kinderen uit de vijf procent armste gezinnen.'

'De helft van de Vlaamse leerlingen in de armste groep is op 15-jarige leeftijd al blijven zitten, terwijl dit amper 7% is voor de rijkste gezinnen', legt auteur Kristof De Witte uit. De cijfers komen uit het PISA-onderzoek (Programme for International Student Assessment).

'De PISA-cijfers slaan op de cumulatieve cijfers over zittenblijven van het kleuteronderwijs tot de leeftijd van 15', zegt professor Ides Nicaise, hoofd van de onderzoeksgroep Onderwijs en Levenslang Leren (KU Leuven). De cijfers houden dus ook rekening met zittenblijvers in het lager onderwijs. Bovendien doen een aantal leerlingen in het secundair ook na een B-attest hun jaar opnieuw. 'Vermoedelijk is er verwarring ontstaan door de cijfers over "zittenblijven tussen 6 en 15 jaar" te interpreteren in termen van C-attesten. Maar de boodschap, het verband met sociale ongelijkheid en zittenblijven, blijft overeind.'

Op het einde van de tweede graad is de kans op een C-attest in het aso en het kso wel significant hoger voor leerlingen van arme afkomst.

Beleidsadviseur Hannah Vermaut

De Diversiteitsbarometer Onderwijs, een onderzoek in opdracht van het Interfederaal Gelijkenkansencentrum Unia, berekende wel specifiek de kansen op attesten in het secundair onderwijs. 'Op het einde van de eerste graad is de kans op het behalen van een C-attest niet significant verschillend tussen leerlingen van een hoge of lage sociaaleconomische afkomst, in tegenstelling tot een A- en B-attest', vertelt beleidsadviseur Hannah Vermaut. 'Maar op het einde van de tweede graad is de kans op een C-attest in het aso en het kso wel significant hoger voor leerlingen van arme afkomst.'

Het verschil is groter in scholen met een hoog aandeel rijke kinderen. Voor leerlingen van arme afkomst bedraagt de kans op een C-attest 1,3% voor het aso en 2,3% voor het kso. Wanneer ouders het sociaal-economisch beter hebben, is dat 0,9% en 1,5%.

Een zeven keer grotere kans lijkt overdreven, al worden arm en rijk hier anders afgebakend dan bij PISA-cijfers. 'De onderste 50% van de sociaal-economische verdeling wordt hier vergeleken met de bovenste 50%', zegt Nicaise.

'De verdeling is gebaseerd op de indicatoren uit de Vlaamse onderwijsdata, namelijk het diploma van de moeder en de studietoelage', legt Vermaut uit. 'Dat kun je niet zomaar vergelijken met de indicatoren uit het PISA-onderzoek.'

'We hebben daar geen andere indicator voor', bevestigt Ilse Laurijssen, postdoctoraal onderzoeker aan de VUB. Ook zij maakte op basis daarvan een berekening. 'Voor de tweede en derde graad blijkt de kans op een C-attest voor een leerling met een laagopgeleide moeder of met een studietoelage niet 7 keer zo groot, maar minder dan 2 keer.'

Het gaat hier wel om de kans op een C-attest per schooljaar. 'Een geaccumuleerde kans voor het 1e tot het 6e middelbaar hebben we niet, hierdoor kunnen we niet uitsluiten of het cijfer klopt.'

Conclusie

De kans dat een 15-jarige schoolachterstand heeft, is bij de 5% armste gezinnen zeven keer groter dan bij de 5% rijkste gezinnen. Er zijn evenwel te veel onbekende factoren om een specifieke uitspraak over C-attesten te kunnen doen. Knack beoordeelt de stelling dus als eerder waar.

BRONNEN

Alle bronnen werden laatst geraadpleegd op 18 maart 2020 tenzij anders vermeld.

* Bijgewerkt op 25 maart 2020 om 16u45, om bronvermeldingen en hyperlinks toe te voegen aan het artikel.

Krasse uitspraak, straf cijfer of dito feit in de actualiteit gezien? Stuur uw vraag met exacte bronvermelding van het citaat naar factchecker@knack.be

RMG
© RMG

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Tijdens een debat in het Vlaams Parlement over de studiekeuze in het secundair onderwijs beweerde Kim De Witte (PVDA) dat 'een kind uit een arm gezin zeven keer meer kans heeft op een C-attest dan een kind uit een rijk gezin'. De Witte laat weten dat het cijfer afkomstig is uit het boek De (her)vormende school van Kristof De Witte en Jean Hindriks. 'Het gaat hier over een vergelijking tussen de uitersten. De kinderen uit de vijf procent rijkste gezinnen versus de kinderen uit de vijf procent armste gezinnen.' 'De helft van de Vlaamse leerlingen in de armste groep is op 15-jarige leeftijd al blijven zitten, terwijl dit amper 7% is voor de rijkste gezinnen', legt auteur Kristof De Witte uit. De cijfers komen uit het PISA-onderzoek (Programme for International Student Assessment). 'De PISA-cijfers slaan op de cumulatieve cijfers over zittenblijven van het kleuteronderwijs tot de leeftijd van 15', zegt professor Ides Nicaise, hoofd van de onderzoeksgroep Onderwijs en Levenslang Leren (KU Leuven). De cijfers houden dus ook rekening met zittenblijvers in het lager onderwijs. Bovendien doen een aantal leerlingen in het secundair ook na een B-attest hun jaar opnieuw. 'Vermoedelijk is er verwarring ontstaan door de cijfers over "zittenblijven tussen 6 en 15 jaar" te interpreteren in termen van C-attesten. Maar de boodschap, het verband met sociale ongelijkheid en zittenblijven, blijft overeind.' De Diversiteitsbarometer Onderwijs, een onderzoek in opdracht van het Interfederaal Gelijkenkansencentrum Unia, berekende wel specifiek de kansen op attesten in het secundair onderwijs. 'Op het einde van de eerste graad is de kans op het behalen van een C-attest niet significant verschillend tussen leerlingen van een hoge of lage sociaaleconomische afkomst, in tegenstelling tot een A- en B-attest', vertelt beleidsadviseur Hannah Vermaut. 'Maar op het einde van de tweede graad is de kans op een C-attest in het aso en het kso wel significant hoger voor leerlingen van arme afkomst.' Het verschil is groter in scholen met een hoog aandeel rijke kinderen. Voor leerlingen van arme afkomst bedraagt de kans op een C-attest 1,3% voor het aso en 2,3% voor het kso. Wanneer ouders het sociaal-economisch beter hebben, is dat 0,9% en 1,5%. Een zeven keer grotere kans lijkt overdreven, al worden arm en rijk hier anders afgebakend dan bij PISA-cijfers. 'De onderste 50% van de sociaal-economische verdeling wordt hier vergeleken met de bovenste 50%', zegt Nicaise. 'De verdeling is gebaseerd op de indicatoren uit de Vlaamse onderwijsdata, namelijk het diploma van de moeder en de studietoelage', legt Vermaut uit. 'Dat kun je niet zomaar vergelijken met de indicatoren uit het PISA-onderzoek.' 'We hebben daar geen andere indicator voor', bevestigt Ilse Laurijssen, postdoctoraal onderzoeker aan de VUB. Ook zij maakte op basis daarvan een berekening. 'Voor de tweede en derde graad blijkt de kans op een C-attest voor een leerling met een laagopgeleide moeder of met een studietoelage niet 7 keer zo groot, maar minder dan 2 keer.' Het gaat hier wel om de kans op een C-attest per schooljaar. 'Een geaccumuleerde kans voor het 1e tot het 6e middelbaar hebben we niet, hierdoor kunnen we niet uitsluiten of het cijfer klopt.'