Premier Alexander De Croo (Open VLD) stapt vrijdagmiddag op het vliegtuig richting de Portugese kuststad. Niet iedereen is fysiek aanwezig: Duits bondskanselier Angela Merkel en Nederlands premier Mark Rutte zijn er enkel zaterdag via videoverbinding bij. In Europese kringen valt te horen dat Raadsvoorzitter Charles Michel het zich na SofaGate moeilijk kan permitteren om te eisen dat iedereen fysiek aanwezig is, maar vermoedelijk speelt er nog een andere reden mee waarom niet iedereen in levende lijve opdaagt: het hoofdthema van de informele Europese top.
...

Premier Alexander De Croo (Open VLD) stapt vrijdagmiddag op het vliegtuig richting de Portugese kuststad. Niet iedereen is fysiek aanwezig: Duits bondskanselier Angela Merkel en Nederlands premier Mark Rutte zijn er enkel zaterdag via videoverbinding bij. In Europese kringen valt te horen dat Raadsvoorzitter Charles Michel het zich na SofaGate moeilijk kan permitteren om te eisen dat iedereen fysiek aanwezig is, maar vermoedelijk speelt er nog een andere reden mee waarom niet iedereen in levende lijve opdaagt: het hoofdthema van de informele Europese top.Zaterdag debatteren de Europese leiders namelijk over het Europees sociaal beleid, een thema dat weinig populair is op het Europese niveau. Nochtans wijst een recente rondvraag van de Europese Commissie erop dat bijna 90 procent van de respondenten een sociaal Europa belangrijk vindt. Met zulke aantallen doet sociaal beleid haasje over met klimaat als het belangrijkste politieke thema onder Europese burgers. Gelijke kansen op de arbeidsmarkt, eerlijke arbeidsomstandigheden en kwaliteitsvolle gezondheidszorg zijn de grootste bezorgdheden.Vraag is echter hoe zulke grieven op Europees niveau kunnen worden aangepakt. De Unie is namelijk nauwelijks bevoegd voor sociale aangelegenheden. Met historische gronden: wanneer de zes stichtende landen in 1957 de Europese Economische Gemeenschap in het leven riepen, werd sociaal beleid - felle druk van Frankrijk ten spijt - niet naar het Europese niveau getild. Op dat moment was daar ook weinig nood aan: de lidstaten kenden ondanks uiteenlopende sociaaleconomische rechten een min of meer vergelijkbaar welvaartsniveau. Bijna 65 jaar later ziet het plaatje er volledig anders uit. De Unie bestaat intussen uit 27 landen die op sociaaleconomisch vlak aanzienlijk van elkaar verschillen. Zo bestaat er in zes Europese lidstaten geen minimumloon en loopt de verhouding tussen dat minimumloon en de kosten van levensonderhoud in de Unie ver uit elkaar. Een korte blik naar Zweden enerzijds en Bulgarije anderzijds zegt voldoende. Zulke verschillen maken het nog veel moeilijker - en misschien zelfs onwenselijk - om datgene te proberen waartoe de zes lidstaten in 1957 nauwelijks tot niet bereid waren.Op vlak van sociaal beleid lopen de meningen doorheen de Unie namelijk ver uit elkaar. In de Scandinavische landen komen de regeringen nauwelijks tussen in het sociaal overleg en meent men dat het Europese niveau daarvan moet wegblijven. De Oost-Europese lidstaten maken zich dan weer zorgen om hun competitiviteit in de Europese eenheidsmarkt. Onder meer Nederland en Oostenrijk staan op hun beurt wegens soevereiniteitsredenen niet te trappelen om nationale bevoegdheden naar het EU-niveau over te hevelen. Tot slot zijn er een vijftal voluntaristische landen, waaronder België en Italië, die meer Europese samenwerking op sociaal vlak best zien zitten. Het was toenmalig eurocommissaris voor Werk en Sociale Zaken Marianne Thyssen (CD&V) die een vijftal jaar geleden een poging deed om het thema een doorstart te geven met een Europese Pijler voor Sociaal Beleid. Met verdeeld succes. De lidstaten gingen akkoord met twintig beginselen die onder drie overkoepelende ambities werden ondergebracht: gelijke kansen een eerlijke toegang tot de arbeidsmarkt, rechtvaardige werkomstandigheden, en sociale bescherming en inclusiviteit. In de praktijk veranderde er echter weinig. Zoals vaker kwam de grootste stap er onverwachts in volle crisistijd: de coronapandemie. Midden april vorig jaar presenteerde de Europese Commissie het zogenaamde SURE-programma, een pakket van 100 miljard euro aan sociale obligaties waarmee de lidstaten goedkoop kunnen lenen om de gevolgen van de arbeidsduurverkorting te financieren. Van de 7,8 miljard euro waar België recht op heeft, werd intussen 2 miljard gebruikt. Bovendien kwam de Commissie in november met een actieplan om de drie bovenstaande ambities van de Europese Sociale Pijler tegen 2030 te realiseren. Die Pijler bevat - alweer - drie concrete hoofddoelstellingen: een werkzaamheidsgraad van 78 procent, een jaarlijkse opleiding voor 60 procent van alle Europese volwassenen, en het armoederisico voor 15 miljoen mensen wegwerken. Nu Portugal het halfjaarlijkse voorzitterschap van de lidstaten bekleedt, maakt de socialistische premier Antonio Costa van dat pakket prioriteit. Met onder meer een richtlijn voor een Europees minimumloon, een garantie voor kwetsbare kinderen, en betere voorwaarden voor platformwerkers reikt zijn ambitie ver. Costa krijgt de steun van België en Spanje. Die lieten in een gezamenlijke non-paper - een officieuze positiebepaling - weten dat ze mee op de kar willen springen. 'Het actieplan van de Commissie is een welgekomen stap en moet zowel op Europees als op nationaal niveau worden aangegrepen om sociale vooruitgang en opwaartse sociale convergentie te bevorderen', klinkt het in een document waarin de hand van minister Frank Vandenbroucke (Vooruit) duidelijk zichtbaar is. België vraagt bijvoorbeeld om concrete indicatoren die dakloosheid, de loonkloof en schoolverlaters nauwgezet in beeld moeten brengen. Maar België en Spanje staan min of meer geïsoleerd. In een andere non-paper trappen elf Europese lidstaten - waaronder Nederland, Denemarken en de Baltische Staten - aanzienlijk op de rem. 'Elk Europees initiatief op deze domeinen moet in overeenstemming zijn met het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel en moet zorgvuldig rekening houden met de verschillende nationale uitgangspunten, uitdagingen en institutionele structuren', schrijven de elf in niet mis te verstane woorden. Diezelfde elf beargumenteren bovendien dat ze met het Europese herstelfonds van 750 miljard en de bijkomende middelen in het kader van de nieuwe Europese zevenjarenbegroting reeds voldoende sociale inspanningen leveren. Bijkomende grote stappen moeten Portugal en co. van hen niet verwachten. Door dat verzet wordt er zaterdag geen doorbraak verwacht. 'Volgens het huidige voorontwerp van de slotverklaring komen de lidstaten niet verder dan een wollige verklaring waarin ze de drie hoofddoelstellingen slechts "verwelkomen". Zoals dat vrijwel altijd gaat op het domein van sociaal beleid', vertelt een Europese diplomaat op voorwaarde van anonimiteit aan Knack. 11.11.11-voorzitter en professor sociaal beleid Bea Cantillon (UAntwerpen), die zaterdag in Porto de leiders zal toespreken op een conferentie die aan de vergadering voorafgaat, toont zich niettemin hoopvol. 'Het klopt dat het niet altijd even vlot gaat als het op Europees sociaal beleid aankomt. Maar ik blijf optimistisch. Er staan momenteel plannen in de steigers die tien jaar geleden totaal ondenkbaar waren. We zien een steeds versnellende beweging in een duidelijke richting. Dit is zeker niet het eindpunt.'