Dinsdag keurde het Europees Parlement het handelsakkoord met het Verenigd Koninkrijk goed. Hoewel de inhoud reeds eind december werd vastgelegd, moest het halfrond voor eind april zijn zegen geven om de boel alsnog af te ronden. Het nieuwe akkoord, dat tot nog toe voorlopig in voege was, moet de relatie tussen beide kanten van het Kanaal voor een onbepaalde periode vormgeven.
...

Dinsdag keurde het Europees Parlement het handelsakkoord met het Verenigd Koninkrijk goed. Hoewel de inhoud reeds eind december werd vastgelegd, moest het halfrond voor eind april zijn zegen geven om de boel alsnog af te ronden. Het nieuwe akkoord, dat tot nog toe voorlopig in voege was, moet de relatie tussen beide kanten van het Kanaal voor een onbepaalde periode vormgeven.De teksten van het zogenaamde EU-VK Handels- en Samenwerkingsakkoord, goed voor 1259 bladzijden, omvatten ruwweg twee pijlers: handel en veiligheid. Nucleaire samenwerking en de uitwisseling en bescherming van geclassificeerde data worden in twee aparte overeenkomsten geregeld. Verder blijven de Britten - tegen vergoeding - deel uitmaken van vijf Europese programma's zoals Horizon of Copernicus. Niet vervat zit samenwerking op vlak van defensie en buitenlands beleid. Harde brexit met akkoordWat betekent het akkoord eigenlijk? 'De brexit kent enkel verliezers', viel de afgelopen jaren meermaals langs Europese zijde te horen. Voor de Unie was dat van meet af aan duidelijk. De vijfde grootste economie ter wereld verlaat haar rangen. Zonder het Verenigd Koninkrijk telt de EU nog maar één lidstaat met een permanente zetel in de VN-Veiligheidsraad. Nog maar één lidstaat met een enorm financieel centrum op haar grondgebied. Nog maar één lidstaat die met eigen kernwapens het oude continent kan bewaken. Voor het Verenigd Koninkrijk - vooral voor de brexiteers - liggen de zaken anders. Daar wordt het succes van de brexit beoordeeld in de verhouding tussen twee elementen: de economische impact enerzijds en de herwonnen soevereiniteit - hét kernthema van de brexit - anderzijds. Vraag is dus in hoeverre de Britse regering er in geslaagd is om de economische kost van de brexit te minimaliseren en tegelijkertijd het zelfbeschikkingsrecht zoveel mogelijk uit te putten. Want het is die soevereiniteit waarvan Brits premier Boris Johnson en Nigel Farage geloven dat ze het Verenigd Koninkrijk op termijn economische voorspoed zal bezorgen. Eerst de economische kost. Met het nieuwe handels- en samenwerkingsakkoord hebben het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie een overeenkomst bereikt waarmee handel een pak moeilijker wordt dan voordien - een logisch gevolg van de brexit en de Britse keuze om de douane-unie en de interne markt te verlaten. Berekeningen van de Britse overheidsdiensten wijzen op een bbp-verlies van vijf procent tegen 2035 bij een harde brexit mét een akkoord. De tekst omvat afspraken waarmee de twee partijen in bijna alle gevallen tarief- en quotavrije toegang tot elkaars markt behouden als aan de vereiste standaarden voldaan wordt. Handelaars aan beide kanten van het Kanaal en de Ierse Zee krijgen daarom een flinke brok administratie op hun bord wanneer ze goederen willen in- en uitvoeren, onder meer omdat ze voor bepaalde goederen moeten kunnen bewijzen dat die voldoende op Europees of Brits grondgebied gefabriceerd zijn. Controles tussen Groot-Brittannië enerzijds en de Europese Unie en Noord-Ierland anderzijds zijn een feit. Diensten zitten nauwelijks in de overeenkomst vervat. Dat zal ook niet snel veranderen: elke Europese toegeving aan het Verenigd Koninkrijk die verder gaat dan de handelsafspraken tussen de Unie en Japan en Canada, moet Brussel ook aan de laatste twee doen - volgens het zogenaamde Most-Favoured-Nation-principe. Dat is voor het Verenigd Koninkrijk een bittere pil om te slikken. Op vlak van dienstverlening, goed voor tachtig procent van het Britse bruto binnenlands product, heeft het Verenigd Koninkrijk een handelsoverschot met de Europese Unie. Britse dienstverleners zullen dochterondernemingen op Europese bodem moeten oprichten als ze toegang tot de Europese dienstenmarkt willen (behouden). Er is geen automatische en wederzijdse erkenning voorzien van professionele kwalificaties van Britten en inwoners van de Europese lidstaten op elkaars grondgebied. Of een Brit een werkvisum krijgt, hangt af van de nationale wetgeving van de lidstaten. Wie zich onvoldoende bewust is van de beperkingen, kan zelfs de toegang tot de Unie worden ontzegd. Bovendien blijft het voorlopig afwachten in welke mate Brussel de Britse regels voor de financiële dienstverleningssector als evenwaardig erkent zodat die sector toegang krijgt tot de Unie. WeerhakenOp naar het soevereiniteitsaspect. Take Back Control, luidde de boodschap van de Vote Leave-campagne. In hoeverre hebben de Britten dat weten te bemachtigen? De Unie eiste aanvankelijk dat het Verenigd Koninkrijk alle toekomstige Europese regelgeving moest overnemen en dat het Europees Hof van Justitie bevoegd zou blijven wanneer handelsgeschillen opduiken. De regering-Johnson heeft beide eisen kunnen afwenden. Er komt geen automatische koppeling van de regels, geen suprematie van het Europees recht over de nationale recht. De Britse regering kan sinds februari dit jaar haar eigen handelsakkoorden sluiten - weliswaar vaak onder slechtere voorwaarden dan de Europese handelsakkoorden waar ze als lidstaat van kon profiteren. Het Verenigd Koninkrijk is niet meer gebonden aan het vrij verkeer van personen. Intra-Europese migratie over het Kanaal willen de Britten op die manier beter kunnen controleren. Politici in onder meer Noorwegen, niet-lidstaat maar deel van de Europese Economische Ruimte, menen daarom dat de Britten betere voorwaarden hebben gekregen dan zijzelf. Tot zover de 'winst'.De producten die de Britten willen blijven verkopen op de Europese markt moeten echter aan de Europese regelgeving blijven beantwoorden. Bovendien zijn er verregaande afspraken over sociale en ecologische voorwaarden die volgens handelsexperts een pak ingrijpender zijn dan bij andere handelsakkoorden. De Britse regering is voortaan bij machte om haar standaarden en regels uit te vaardigen. Maar dat heeft - althans in theorie - verstrekkende gevolgen voor het Britse bedrijfsleven. Zo kan de Unie andere sectoroverschrijdende heffingen invoeren op Britse producten wanneer ze meent dat zulke aanpassingen 'significante' en 'wezenlijke' nadelen herbergen voor de Europese ondernemer. Aangezien die heffingen uiteindelijk door de Europese consument betaald worden, zal de vraag naar Britse producten gevoelig afnemen. Daarom zullen Britse ondernemers niet snel geneigd zijn om twee aparte productielijnen te installeren, te meer omdat het de voordelen van schaalvergroting fnuikt. Een gelijkaardig verloop is er bij het omstreden visserijdossier. Johnson liet afgelopen vrijdag optekenen dat het Verenigd Koninkrijk vanaf 2026 opnieuw zoveel vis kan vangen als het zelf wil. In principe heeft hij gelijk. Over een periode van 5,5 jaar zal de waarde die Europese vissers binnen de Britse 200-mijlszone mogen vangen met 25 procent afnemen - een toegeving van de Europese Unie. Vervolgens zullen Londen en Brussel opnieuw jaarlijks onderhandelen over de toegang en de hoeveelheid die Europese vissers er mogen vangen. Willen de Britten de deur helemaal sluiten, dan hebben ze daar volledig het recht toe. Maar ook hier zijn er flinke weerhaken. Indien de Britse regering de quota voor Europese vissers aanscherpt of als er geen akkoord komt, dan heeft de Unie op haar beurt het recht om importheffingen in te voeren die de economische en sociale impact van het Britse manoeuvre weerspiegelen. In dat geval wordt de prijs van visproducten op het Europees vasteland duurder en zullen Europese consumenten minder snel geneigd zijn om Britse vis te kopen. Bovendien kan de Unie zelfs beslissen om de Britse toegang op bijvoorbeeld de waardevollere Europese energiemarkt stop te zetten - een weinig waarschijnlijke piste. Eenheid en veiligheidEn dan is er nog de heikele kwestie rond Noord-Ierland. Om de vrede aan de Noord-Ierse grens niet in het gedrang te brengen heeft Boris Johnson vorig jaar de toegeving gedaan dat Noord-Ierland in de Europese interne markt blijft en de Brusselse regels zal moeten blijven volgen. Dat stelt de Britse premier en zijn opvolgers voor een ongemakkelijk dilemma. Als de Britse regering besluit om de toekomstige regels van de Europese interne markt niet te blijven volgen, dan zal Noord-Ierland in de handelspraktijk steeds verder van Groot-Brittannië afdrijven. Als de Britse regering dat laatste wil voorkomen, dan kunnen ze het Europese juk - zo beschouwen de brexiteers het althans - niet van zich afschudden. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de Noord-Ierse Unionisten niet bepaald opgezet zijn met het akkoord. Op het moment van schrijven is het bovendien nog steeds onduidelijk of er tijdig een oplossing voor de Britse enclave Gibraltar - waarover niet in het akkoord vervat staat - wordt gevonden. Spanje en het Verenigd Koninkrijk hebben daar op donderdagochtend nog steeds geen akkoord bereikt, waardoor de rots aan de Middellandse Zee het enige gebied dreigt te worden waar een harde brexit zonder overeenkomst dreigt. Tot slot de veiligheidssamenwerking: het Verenigd Koninkrijk verlaat het zogenaamde Schengen Informatiesysteem voor opsporing, een Europese dienst die de Britse politiediensten in 2019 maar liefst 600 miljoen keer raadpleegden. Op vlak van politie- en justitiesamenwerking verlaten de Britten Europol en Eurojust, al blijft informatieuitwisseling wel op een alternatieve en meer beperkte manier mogelijk. Ook wordt er een nieuw systeem - alweer een minder ambitieuze samenwerking - opgezet rond de uitlevering van verdachten ter vervanging van het Europese Arrestatiebevelsysteem. Het Verenigd Koninkrijk heeft van de Europese Unie een voorlopige goedkeuring gekregen van een half jaar voor data-uitwisseling. Brussel kan die beslissing echter op eigen houtje terugdraaien wanneer Londen solide databescherming niet kan garanderen of het Europese Handvest voor de Rechten van de Mens onvoldoende respecteert. ParlementenSamengevat: de Britten betalen een flinke prijs voor soevereiniteit met heel wat weerhaken. Onduidelijk is momenteel in welke mate het Verenigd Koninkrijk die soevereiniteit de komende jaren zal proberen uit te spelen om zichzelf globaal te positioneren. In ieder geval wordt het voor het Londen een pak moeilijker om van buitenaf de Unie naar hun voorkeuren te beïnvloeden. Het akkoord tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie is daarom veeleer een beginpunt van een nieuwe en meer gespannen relatie dan het einde van het lidmaatschap en de transitieperiode. In maar liefst 25 comités zullen Brussel en Londen voortaan minstens eenmaal per jaar overleggen over de manier waarop de twee vanaf 1 januari met elkaar zullen omgaan. Over de defensie- en buitenlandsamenwerking moeten de gesprekken überhaupt nog plaatsvinden. Wordt vervolgd. De grootste verliezers van dit politieke proces zijn echter de parlementsleden. Zowel in het Verenigd Koninkrijk als in de Europese Unie hebben zowel de nationale parlementen als het Europees halfrond door de aanslepende onderhandelingen nauwelijks de kans gekregen om de teksten grondig door te nemen wanneer het er toe deed. Westminster heeft het akkoord in recordtempo moeten verwerken, het Europees Parlement kon het na de voorlopige inwerkingtreding van de lidstaten simpelweg niet meer maken om de overeenkomst naar de prullenbak te verwijzen. Onder meer in Nederland lieten heel wat parlementsleden weten dat de manier waarop het proces is verlopen niet voor herhaling vatbaar is. Voor een ingrijpend akkoord over een ingrijpende beslissing is dat een kwalijke zaak.