Bert Bertrand, de Brusselaar die verliefd was op Patti Smith

Patti Smith op 13 mei 1976 in Père-Lachaise in Parijs, op weg naar België. © Claude Gassian
Stijn Tormans

Eeuwigheid kent geen tijd, maar het levert af en toe wel een straf verhaal op. Straks treedt Patti Smith op in de stoeterij van zijne majesteit, het Koninklijk Circus: op de plek waar ooit paarden draafden, speelt ze vanavond haar eerste plaat Horses.

Die klassieke songs zingt ze niet voor het eerst in Brussel: dat was op 14 mei 1976 in de studentenaula Emile Janson. Ze voegde er toen, als bis, nog die ene zin van The Who aan toe: I Hope I Die Before I Get Old. Godzijdank hield ze geen woord: Patti Smith is vandaag 78, Horses wordt 50.

‘I love you’, riep iemand een paar jaar geleden in de AB richting podium. ‘I love you longer, since 1976’, riep ze terug.

Ooit, in een Londense hotelkamer, vroeg ik haar of ze zich nog iets herinnerde van die 14e mei 1976. ‘Alles’, antwoordde ze. De crazy kids of Brussels waren die avond zo vurig dat ze zelfs de vloer afbraken. Dat had zelfs de Electric Lady uit New York nog nooit meegemaakt.

Een van die Brusselse jongeren was Bert Bertrand, de man die haar mee naar hier heeft gehaald. Hij zal er vanavond niet bij zijn in het Koninklijk Circus, want hij volgde de raad van The Who wél. Op eigen initiatief werd hij lid van de Club van 27, samen met Jim Morrison, Jimi Hendrix en zovele anderen.

Over hem, en haar, gaat dit verhaal.

***

14 mei 1976 is een warme vrijdag, maar één zonder elektriciteit. Het land staakt. Maar niet ter hoogte van het Auditorium Emile Janson aan de Franklin Rooseveltlaan.

Vijftig jaar later zijn er weinig schriftelijke bronnen over die stroomopstoot tussen 21 en 23 uur, op een recensie van Marc Didden in Humo na. ‘Neem nooit een tram die geen muziek draait van Patti Smith’, schreef hij toen. ‘Nochtans had ik vooraf geen Patti Smith-sjaal rond mijn hals geknoopt’, zegt Didden vandaag. Het eerste nummer op Horses is haar versie van Gloria, waarover Bob Dylan ooit zei: “Laat een gitaar van de trap vallen en je hoort de intro van Gloria.”’ (lacht)

In Emile Janson, op 14 mei 1976. ‘Sinds vanavond weet ik dat Brussel een rock-‘n-rollstad is.’ © Didier Deprez

Toch was Didden best gefascineerd door haar. En dat kwam vooral door die onwaarschijnlijke androgyne hoes van Horses. ‘Die foto van Robert Mapplethorpe! Ik hield ook van New York, rock-’n-roll én wilde wijven. Daarom reisde ik naar Janson.’ Dat beklaagt hij zich nog altijd niet. ‘Het optreden was een rubberen slag in mijn bakkes.’  Uit zijn verslag van toen: ‘Hier waren de rock-’n-roll gipsy’s aan het werk. De echten. Die houden van hun publiek en hun reet tonen aan de blauwneuzen die mopperen dat ze wat eigen composities had moeten brengen. Of dat de basgitaar te luid stond. Tien volle minuten brulde en stampte het publiek om meer. Smith en co verschenen weer voor een van de beste ballads ooit. Toen ze Time, time, time is on my side zong, geloofde ik haar.’

‘Ik herinner me nog haar laatste bindtekst’, vertelt Didden. ‘”Ooit zal ik sterven, maar niet voor de laatste elpee van The Stones is verschenen.”’

Tot lang na middernacht blijven jongeren plakken in de buurt van Janson, om een glimp van de  zangeres op te vangen. ‘Wat is ze klein!’ ‘Heb je haar schoenen gezien?’ ‘Ze heeft een gek loopje!’

In een universiteitslokaal onder hard wit tl-licht interviewt Bert Bertrand van het undergroundblad More haar. ‘Sinds vanavond weet ik dat Brussel een rock-’n-rollstad is’, zegt Patti tegen Bert. Tot gisteren kende ze Brussel alleen uit haar verbeelding en de biografie van haar held, de Franse dichter Arthur Rimbaud. ‘In deze stad keek hij recht in de geweerloop van zijn oude minnaar Paul Verlaine: rekke-tekke-tek. De volgende keer dat ik hier ben, Bert, moet je me tonen waar dat is gebeurd.’

Die volgende keer is al een paar maanden later. Na de zomer, op zondag 10 oktober 1976, keert de zangeres terug naar Brussel, deze keer naar het Koninklijk Circus. Het zijn verkiezingen in België en Bertrand kiest wéér voor Patti Smith – deze keer interviewt hij haar voor het concert.

De intro van zijn stuk in More is verrassend: ‘Het zou niet veel vergen om de werkelijkheid aan te dikken, zodat de sensatiekranten de affaire oppikken, de romance tussen Patti en mij, en dat France Dimanche weldra het bestaan van ons verborgen kind onthult. Toen ze mij vertrouwelijk het nummer van haar kamer gaf, verwachtte ze misschien niet anders.’

Journalist en muzikant Bert Bertrand (1955-1983) ‘Aan Genesis vroeg hij: “Waarom maken jullie toch zo’n vervelende muziek?”’ © GF

Dan begint het interview. ‘Hi Bert’, zegt Patti. Ze herkent hem nog van in Janson, een paar maanden eerder. Allebei hebben ze een hete zomer van 1976 achter de rug. Hij vertelt haar dat ze nu in elke Belgische jeugdclub Gloria draaien. ‘Oh God, die Belgen zijn fantastisch’, lacht ze.

Zij vertelt hem dat ze vooral op haar gitaar heeft gespeeld. ‘Soms heel gracieus, maar soms  komt het niet. Ik weet niet of jij ooit iemand hebt afgetrokken, Bert (Gosh! Dit is de eerste keer dat iemand mij die vraag stelt!) of dat je jezelf aftrekt, dan weet je dat het prachtig kan zijn. Zoals de liefde bedrijven met een zwaan (Ik moet bekennen dat ik dat nog nooit geprobeerd heb), maar wanneer ze te veel coke op hebben of stomdronken zijn, kunnen ze niet ejaculeren. En soms is mijn gitaar te fucked-up en kan ik haar niet laten ejaculeren.’ (Ik heb plots een visioen van jongens die zich masturberen voor een foto van de naakte Patti, terwijl ze naar Radio Ethiopia in het ene oor luisteren en Elton John in het andere. Vlug, ander onderwerp, leest ze ook Madame Butterfly?).

‘Ik ben bezig met een plaat die Rock-’n-Roll Nigger gaat heten’, gaat Smith verder. ‘Ik wil een nieuwe interpretatie geven aan het woord “neger”: het betekent nu artiest. Keith Richards, Brâncusi en Michelangelo… allemaal niggers.’

Ze zegt ook dat haar optreden in het Finse Turku zo fantastisch was, maar niet zo fantastisch als dat in Janson. ‘Ik begrijp nu waarom Rimbaud ooit naar deze stad vluchtte.’

***

En dan barst haar tweede Belgische concert los, met de camera’s van de RTBF als getuige. Op hun beelden dansen alléén crazy kids in het publiek. Geen enkele oude zak. In de schemer aan de zijkant staat iemand die een beetje op Bert Bertrand lijkt.

De inhoud op deze pagina wordt momenteel geblokkeerd om jouw cookie-keuzes te respecteren. Klik hier om jouw cookie-voorkeuren aan te passen en de inhoud te bekijken.
Je kan jouw keuzes op elk moment wijzigen door onderaan de site op "Cookie-instellingen" te klikken."

Na het optreden beschrijft Bertrand de broeierige taferelen in de coulissen en hun jonge hitte. ‘Iedereen wil Patti aanraken’, noteert hij. Voor zijn ogen wordt een meisje uit New York een wereldster.

De nacht eindigt in café La Victoire. Vier keer fluistert Smith in het oor van Bertrand: ‘Hoe zit dat nu met die belofte die we maakten in Janson? We gingen toch naar de plek waar Rimbaud en Verlaine… bel me morgenochtend. Mijn kamernummer is 612.’

Om twee uur ’s ochtends stappen ze met negen in een limousine. Ze fluistert het geheim in het oor van haar bassist Ivan Kral en lacht. Terwijl ze door de natte straten van Brussel rijden, grijnst Smith: ‘Weten jullie dat Keith Richards nog in deze limousine gepist heeft?’

De volgende morgen staat Bertrand al vroeg in de lobby van haar hotel, in pak en stropdas. Hij heeft buttons bij voor elk groepslid. En een doowop-album voor haar gitarist Lenny Kaye. Maar geen Smith te bespeuren. Hij belt naar kamer 612. ‘Ik maak je toch niet wakker, Patti?’
‘Oh! Hi, Bert! Nee, ik ben onze afspraak niet vergeten. Maar excuses, ik moet direct naar de luchthaven.’

Een paar tellen later verschijnt ze in de lobby van het hotel. Ze geeft hem een roos en verdwijnt als een schicht in de dag. ‘Je bent sexy in dat kostuum, Bert’, roept ze nog in de vlucht. Het interview van Bertrand eindigt in hoofdletters: P.S. I LOVE YOU.

‘En toen schreef hij: “J’ai plus peur de la vie que de la mort.”’

***

‘Elke keer als Patti in Brussel was, vroeg ze naar Bert’, zegt Didden. Later zijn Bert en Patti naar het graf van Rimbaud geweest in het Noord-Franse Charleville-Mézières. Er bestaat zelfs een foto van haar, met het hoofd uit het raam van een NMBS-rijtuig. Genomen door Bert. Maar hij was vooral een goede journalist: scherp, cynisch, geestig. Ik leerde hem kennen toen we allebei in de Livornostraat 97 werkten in Brussel: ik als journalist voor Humo, hij voor de Waalse tegenhanger Télémoustique.’

Veel pret viel er aan Waalse zijde niet te beleven: er werkten allemaal serieuze baardmensen die neerkeken op zijn talent. Daarom stak Bertrand graag de taalgrens over in de Livornostraat: aan de andere kant leek iedereen wel opgetrokken uit rock-’n-roll. ‘Het klikte tussen ons’, zegt Didden. ‘Ook al was Bert zes jaar jonger en prikte hij van die ronde buttons op zijn vest.’ Zoals elke jongeling van de seventies, met wat punk in zijn lijf, toen deed.

‘Op de Humo-redactie werd weleens een pint gedronken. Bert dronk nooit mee, tot verbijstering van zijn vader: “Mijn zoon ontzegt zich elk genotsmiddel”, zei hij. Zijn vader was trouwens een oude bekende: Yvan Delporte, die samen met Franquin Guust Flater bedacht en daar ook wat op leek. Zijn zoon was, vanachter zijn donkere brilglazen, meer een observator. Een stoute schuchtere. Hij liep altijd rood aan als hij een brutale vraag wilde stellen aan een rockster, maar hij dééd het wel. Aan Donna Summer vroeg hij: “Valt het mee om op een paard te lijken?” En aan Genesis: “Waarom maken jullie toch zo’n vervelende muziek?” (lacht) Bert zocht graag het gevaar op. Hij nam Joe Strummer mee naar het goorste café in de hoerenbuurt. Aan de bar, tussen Joegoslavische pooiers, wilde hij de zanger van The Clash Brussel tonen.’

Didden en Bertrand sluiten ook buiten de Livornostraat 97 vriendschap. Ze delen een suite in het New Yorkse Olcott Hotel, waar Martin Scorsese even woonde, en slijten een paar schoenzolen in Parijs ‘om naar die ene film van Wim Wenders te gaan kijken die ze nog niet gezien hadden’. Daar interviewen ze ook Ray Davies. ‘Achteraf hebben we toen bijna de trein gemist omdat hij per se nog naar een bar wilde met Davies. “Wat een mooie man is dat toch”, droomde hij in de trein. Hij sprak wel vaker bewonderend over mannenlijven. “Ik ben niet zo geaard”, zei ik hem dan. “Maar ga uw gangen.” Toch zag ik hem nooit met een man of een vrouw. Bert was een eenzaat, maar ook een trouwe vriend. In die dagen stelde ik de muziek samen voor een programma op Omroep Brabant, dat uitgezonden werd op zaterdagavond om elf uur. Ik had één luisteraar: Bert. ’s Morgens zat er een bespreking en een quotering van alle nummers die ik gedraaid had in de bus. “Dat nummer van Todd Rundgren kende ik niet, Marc, maar het is oké. 7/10.”’

Of Didden ooit So You Wanna Be a Rock-’n-Roll Star van Patti Smith gedraaid heeft, weet hij niet meer. Op 1 april 1979 start Bertrand met een band, samen met de zoon van Peyo en nog twee anderen. De band Bowling Balls bestond al in de strip German en wij, maar de zonen van de tekenaars besluiten de grap tot leven te wekken. Ze maken heerlijk maffe videoclips en nummers als You Don’t Know What It’s Like to Be Alone in the House. ‘Elke keer als ik dat opleg, heb ik kippenvel’, zegt Didden. ‘Die stem, die titel, dát was Bert. Voor de anderen bleef die groep een aprilgrap, maar hij wilde meer.’

Zijn faam doet de ronde in Brussel. Zelfs Lou Deprijck noemt zijn alter ego Plastic Bertrand naar hem. Plastic omdat het fake is. En Bertrand, die achternaam ruikt naar punk, zoals die jongen met zijn donkere brilglazen en zijn pins.

Marc Didden. ‘Soms draai ik You Don’t Know What It’s Like to Be Alone in the House van Bowling Balls: die titel, dát was Bert.’   © Saskia Vanderstichele

***

Plastic Bertrand zingt Ça plane pour moi, Bert Bertrand blijft stoute vragen stellen aan rocksterren. Op 4 maart 1982 verschijnt er een merkwaardig stuk in Humo, met als titel ‘Uw tijd is om, eruit!’ Ernaast staat een foto van Lou Reed. Zeven minuten had het interview tussen Bertrand en Reed geduurd. Tot de Brusselaar het aandurfde om te zeggen dat Reeds nieuwe plaat The Blue Mask maar zozo is.

Bertrand verdwijnt ook uit de kolommen van Humo en Télémoustique. Tegen de leden van zijn band zegt hij dat hij voor een jaar naar Bora Bora in de Stille Oceaan vertrekt.

Maanden later krijgt Didden een ansichtkaart, afgestempeld in L.A.: ‘Ik kom terug naar Brussel als ik weet wat ik moet doen met de rest van mijn leven. Bert.’

Didden stuurt snel post terug. ‘Tijdens de winter van 1982 was ik bezig met de opnames van mijn eerste film Brussels By Night. Op een dag zei de producer: “Het geld is op. We moeten stoppen.” Geen sprake van!, riep ik, en ik zond een brief naar al mijn vrienden. Nog altijd ken ik de namen van de mensen die me toen geld gegeven hebben. Bert was een van hen. Hij gaf niet zomaar wat, maar een cheque van 10.000 frank.’

Didden werkt verder aan Brussels By Night. Tijdens de laatste uren van de montage krijgt hij telefoon: ‘Bert is dood.’

‘Ze zeggen dat het gebeurd is in New York – wellicht omdat dat rock-’n-roll klonk, in de stad van Patti Smith’, vertelt Didden. ‘Maar hij heeft zichzelf van het leven beroofd in een motel in New Jersey. De avond ervoor was hij nog iets gaan eten bij een Chinees. Op zijn gelukskoekje stond: Have a good night because tomorrow you will join a very long trip. Hij heeft dat bij zijn afscheidsbrief naar zijn vader gestoken.’ Met een paar mensen in cc: Didden en zijn eeuwige liefde Denise onder meer, maar ook Annik Honoré, de vriendin van Joy Division-zanger Ian Curtis.

‘”Beste vrienden”, begon hij, “Jullie hebben er al een jaar aan kunnen wennen dat ik weg ben. Vanaf nu is het voorgoed.” Hij had het ook over drugs – wat zijn vader pijn deed, want die wist van niets. En toen schreef Bert een zin die ik uitgeknipt heb omdat hij prachtig maar o zo triest is: ‘J’ai plus peur de la vie que de la mort. Ik was meer bang voor het leven dan voor de dood.’’

Didden beslist om Brussels By Night op te dragen aan Bert Bertrand. Maar hij had zoveel liever gehad dat zijn naam níét op de aftiteling stond. Dan zou Bertrand zijn film nog gezien hebben – over mensen die, zoals hij, door de nacht van Brussel doolden, ooit. Ergens in de film vraagt iemand aan Alice: ‘Waarom hou je toch van ongelukkige mensen?’ ‘Omdat ze me gelukkig maken’, antwoordt Alice.

‘Ik mis Bert vaak’, zegt Didden. En niet alleen als er een boek met een opdracht van hem uit de kast valt. Hij heeft ook nog een pin die Bertrand voor hem had meegebracht uit Londen: BORING OLD FART staat erop. SAAIE OUDE ZAK. Vroeger droeg hij die vaak, maar nu durft hij ‘m niet meer op te spelden. Sommige ironie laat je beter met rust — ze heeft ook haar houdbaarheidsdatum.

***

P.S. dus. Marc Didden zag haar nog één keer, veel later, toen hij door de Village in New York struinde. In een portiek zag hij iemand met verf in het haar. Een vrouw stopte naast hem op het voetpad en loerde mee naar binnen. ‘Mijn zoon heeft hier net een huis gekocht’, zei ze, ‘maar schilderen kan hij niet.’

Zij stelde zich niet voor. Hij ook niet. Hij zei niet dat ze een gemeenschappelijke vriend hadden. En dat ze alle twee ooit crazy kids of Brussels waren, die samen met haar Time is on my side zongen in Janson. Hij knikte alleen maar en slenterde verder. Ze zou het wellicht toch niet geloofd hebben.

Let’s Twist Again in Brussel, deze keer mét oude zakken op én voor de bühne. En zonder Bert aan de zijlijn, maar wel in naam van het leven.

Denkt u aan zelfmoord en hebt u een gesprek nodig? Dan kunt u terecht bij de Zelfmoordlijn op het nummer 1813 of via www.zelfmoord1813.be.

Marc Didden maakte een boek over de 75 songs die zijn leven beter maakten: Seventy Five is uitgegeven bij Luster en kost 25 euro. De openingsfoto is van Claude Gassian en komt uit het fotoboek Patti Smith Horses, 1976 Paris uitgegeven bij Gallimard.  

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Expertise