Wat is verlichting? In een essay uit 1784 met die vraag als titel antwoordde Immanuel Kant dat verlichting erin bestaat dat de mensheid 'haar zelfverkozen onvolwassenheid afschud', haar 'luie en laffe' onderwerping aan de 'dogma's en formules' van religieus of politiek gezag. Het motto van de verlichting, verkondigde hij, is: 'Durf te weten!' En haar fundamentele eis is de vrijheid van denken en meningsuiting.
...

Wat is verlichting? In een essay uit 1784 met die vraag als titel antwoordde Immanuel Kant dat verlichting erin bestaat dat de mensheid 'haar zelfverkozen onvolwassenheid afschud', haar 'luie en laffe' onderwerping aan de 'dogma's en formules' van religieus of politiek gezag. Het motto van de verlichting, verkondigde hij, is: 'Durf te weten!' En haar fundamentele eis is de vrijheid van denken en meningsuiting. Wat is dé verlichting? Er bestaat geen officieel antwoord op die vraag, omdat het tijdperk dat Kant in zijn essay noemde nooit is afgebakend met een openings-- en sluitingsceremonie, zoals bij de Olympische Spelen, en ook de grondbeginselen niet zijn vastgelegd in een eed of een geloofsbelijdenis. Meestal wordt de verlichting in de laatste zestig, zeventig jaar van de achttiende eeuw geplaatst, al vloeide ze voort uit de wetenschappelijke revolutie en de Eeuw van de Rede in de zeventiende eeuw en liep ze als het ware over in de hoogtijdagen van het klassieke liberalisme in de eerste helft van de negentiende. Geïnspireerd door uitdagingen van de conventionele wijsheid door de wetenschap en verkenningsreizen, het bloedvergieten in recente religieuze oorlogen en de vrije uitwisseling van ideeën en de vrije beweging van mensen, probeerden de verlichtingsdenkers de menselijke conditie op een nieuwe manier te begrijpen. Hun tijd werd gekenmerkt door een overvloed aan ideeën, waarvan sommige tegenstrijdig waren maar die door vier thema's met elkaar werden verbonden: rede, wetenschap, humanisme en vooruitgang. Op de eerste plaats komt de rede. Over de rede valt niet te onderhandelen. Zodra je wilt discussiëren over de vraag wat we moeten geloven (of over welke andere vraag ook) en je volhoudt dat je antwoorden, hoe die ook luiden, redelijk of gegrond of waar zijn en dat andere mensen ze daarom ook zouden moeten geloven, verbind je je tot de rede en tot de toetsing van je overtuigingen aan objectieve maatstaven. Als de denkers van de verlichting iets gemeen hadden, was het dat ze erop stonden dat de rede vol overtuiging als norm wordt toegepast bij het begrijpen van de wereld, en dat er niet wordt teruggevallen op godsdienst, dogma, openbaringen, gezag, charisma, mystiek, profetie en waarzegging, visioenen, onderbuikgevoel of het verklaren van heilige teksten, die allemaal tot waanideeën leiden. Veel huidige schrijvers verwarren de bekrachtiging van de rede binnen de verlichting met de onwaarschijnlijke bewering dat mensen puur rationeel handelen. Dat strookt absoluut niet met de historische realiteit. Denkers als Kant, Baruch Spinoza, Thomas Hobbes, David Hume en Adam Smith waren leergierige, onderzoekende psychologen die zich terdege bewust waren van onze irrationele hartstochten en grillen. Zij stelden dat we alleen konden hopen die ooit te overwinnen door de gebruikelijke oorzaken van dwaasheid te benoemen. Het doelbewust toepassen van de rede was júíst noodzakelijk omdát we normaal gesproken helemaal niet zo redelijk denken. Dat brengt ons bij het tweede ideaal, wetenschap, het verfijnen van de rede om de wereld te begrijpen. De wetenschappelijke revolutie was revolutionair op een manier die in onze tijd moeilijk naar waarde is te schatten omdat de meeste ontdekkingen die eruit zijn voortgevloeid voor ons vanzelfsprekend zijn geworden. De noodzaak van een 'wetenschap van de mens' was een thema dat verlichtingsdenkers verbond die het over heel veel andere zaken met elkaar oneens waren, onder wie Montesquieu, Hume, Smith, Kant, Nicolas de Condorcet, Denis Diderot, Jean-Baptiste d'Alembert, Jean-Jacques Rousseau en Giambattista Vico. Hun overtuiging dat er zoiets als een universele menselijke natuur bestond en dat die wetenschappelijk bestudeerd kon worden, maakte van hen beoefenaars van wetenschappen die pas eeuwen later een naam zouden krijgen. Het waren cognitieve neurowetenschappers, die gedachten, emoties en psychopathologie probeerden te verklaren vanuit fysieke hersenmechanismen. Het waren evolutiepsychologen, die het leven probeerden te typeren in zijn natuurstaat en die probeerden vast te stellen met welke dierlijke instincten we 'ten diepste zijn bezield'. Het waren sociaal psychologen, die schreven over de morele sentimenten die ons samenbrengen, de zelfzuchtige hartstochten die ons verdelen en de kortzichtigheid die onze beste plannen in het honderd laat lopen. En het waren cultureel antropologen, die in de verhalen en verslagen van ontdekkingsreizigers op zoek gingen naar data over eigenschappen die bij alle mensen hetzelfde waren en naar de verschillende zeden en gewoonten binnen de culturen die er op aarde bestonden. Het idee van een universele menselijke natuur brengt ons bij een derde thema, het humanisme. De denkers uit de Eeuw van de Rede en van de verlichting zagen dat er grote behoefte bestond aan een seculier fundament voor moraliteit, omdat zij nog helder de eeuwen vol religieuze bloedbaden voor de geest hadden: de kruistochten, de inquisitie, de heksenvervolgingen, de Europese godsdienstoorlogen. Ze legden dat fundament in wat we nu het humanisme noemen en dat het welzijn van individuele mannen, vrouwen en kinderen hoger plaatst dan de eer en glorie van stam, ras, natie of religie. Het zijn individuen, niet groepen, die een bewustzijn hebben - die genot en pijn voelen, vervulling en angst. Of het nu werd voorgesteld als het doel om het hoogste geluk te verschaffen voor zo veel mogelijk mensen of als een onvoorwaardelijke verplichting mensen als doel te behandelen en niet als middel, het was, zeiden ze, het universele vermogen van een persoon om te lijden en te gedijen dat een beroep deed op onze morele betrokkenheid. Gelukkig stelt de menselijke natuur ons in staat daar gehoor aan te geven, doordat we zijn begiftigd met mededogen, wat ook wel goedheid, liefdadigheid, medelijden en sympathie wordt genoemd. Aangezien we zijn toegerust met het vermogen te sympathiseren met andere mensen, kan niets de 'cirkel' van mededogen ervan weerhouden zich van het gezin, de familie en de stam uit te breiden naar de gehele mensheid, en al helemaal niet wanneer we door de rede beseffen dat wijzelf of een van de groepen waarvan we deel uitmaken niets unieks bezitten waardoor alleen wij het verdienen. We worden het kosmopolitisme in gedreven en aanvaarden dat we wereldburgers zijn. Een humanistisch bewustzijn bewoog de verlichtingsdenkers ertoe niet alleen religieus geweld te veroordelen, maar ook de seculiere wreedheden van hun tijd, waaronder slavernij, tirannie, terechtstellingen wegens onbeduidende misdrijven als winkeldiefstal en stroperij, en sadistische straffen als geseling, amputatie, spietsen, het uitrukken van ingewanden, radbraken en de brandstapel. De verlichting wordt ook wel de humanitaire revolutie genoemd, omdat ze leidde tot de afschaffing van barbaarse praktijken die in vele beschavingen al millennialang de gewoonste zaak van de wereld waren. Als de afschaffing van de slavernij en van wrede straffen geen vooruitgang is, is niets het, en dat brengt ons bij het vierde verlichtingsideaal. Doordat ons begrip van de wereld was vergroot door de wetenschap en onze cirkel van mededogen zich dankzij de rede en het kosmopolitisme uitbreidde, kon de mensheid op intellectueel en moreel vlak vooruitgang boeken. Ze hoefde niet te berusten in de ellende en irrationaliteit van het heden en hoefde ook niet te proberen de klok terug te zetten en terug te keren naar een vervlogen gouden tijd. Het verlichtingsgeloof in vooruitgang moet niet worden verward met het negentiende-eeuwse romantische geloof in mystieke krachten, wetten, dialectiek, oorlog, openbaringen, het lot, Tijdperken van de Mens, en evolutionaire krachten die de mens steeds verder omhoogstuwen richting Utopia. Het ideaal van vooruitgang moet ook niet verward worden met de twintigste-eeuwse beweging om de samenleving opnieuw in te richten naar believen van technocraten en planologen, iets wat politicoloog James Scott Authoritarian High Modernism noemt. Deze beweging ontkende het bestaan van een menselijke natuur, met haar rommelige, onoverzichtelijke behoefte aan schoonheid, natuur, traditie en sociale intimiteit. Met een 'schoon tafelkleed' als uitgangspunt ontwierpen de modernisten stadsvernieuwingsprojecten die levendige buurten vervingen door wegen, hoogbouw, winderige pleinen en brutalistische architectuur. 'De mens zal herboren worden', zo luidde hun theorie, en 'zal in een geordende relatie met het geheel leven'. Deze ontwikkelingen werden soms in verband gebracht met het woord 'vooruitgang', maar dat was nogal ironisch: 'vooruitgang' die niet gestuurd wordt door humanisme ís geen vooruitgang. In plaats van te proberen de menselijke natuur te vormen, richtte de verlichtingshoop zich op menselijke instituties. Door de mens voortgebrachte systemen als regeringen, îwetten, markten en internationale instituten vormen een natuurlijk doel voor het toepassen van rede om de omstandigheden voor de mensheid te verbeteren. Met deze zienswijze is regeren niet een goddelijk recht, een synoniem voor 'samenleving' of een belichaming van de nationale, religieuze of raciale ziel. Het is een menselijke uitvinding waartoe de maatschappij stilzwijgend heeft besloten, die in het leven is geroepen om het welzijn van haar burgers te vergroten door hun gedrag af te stemmen en zelfzuchtige handelingen te ontmoedigen die voor ieder individu verleidelijk kunnen zijn, maar waarvan iedereen slechter wordt. In de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring, het beroemdste product van de verlichting, wordt het als volgt verwoord: 'Om het recht van leven, vrijheid en geluk te garanderen, worden regeringen onder de mensen ingesteld, die hun rechtmatige bevoegdheden ontlenen aan de instemming der geregeerden.' Tijdens de verlichting vond ook de eerste rationele analyse van voorspoed plaats. Uitgangspunt was niet de manier waarop rijkdom wordt verdeeld, maar de daaraan voorafgaande vraag hoe rijkdom überhaupt tot stand komt. Overvloed kan alleen ontstaan door een netwerk van specialisten, die allemaal leren hoe ze iets zo effectief mogelijk kunnen maken, en die de vruchten van hun vindingrijkheid, vaardigheden en inspanningen combineren en ruilen. Specialisatie werkt alleen in een markt waar deskundigen hun goederen en diensten mogen ruilen, en Smith legde uit dat economische activiteit een vorm van samenwerking was die voor alle partijen voordelig was (een win-winsituatie, modern gezegd): iedereen krijgt iets terug wat waardevoller voor hem is dan wat hij heeft prijsgegeven. Door vrijwillig te ruilen bezorgen mensen anderen voordeel door zichzelf voordeel te bezorgen. Zoals Adam Smith schreef: 'We verwachten ons avondeten niet door de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker, maar doordat ze oog hebben voor hun eigen belang. We doen geen beroep op hun menselijkheid, maar op hun eigenliefde.' Smith zei niet dat mensen hard en egoïstisch zijn, of dat dat zou moeten; weinigen hadden mededogen hoger in het vaandel staan dan hij. Hij zei alleen dat elke neiging die mensen hebben om voor zichzelf en hun familie te zorgen, in een markt iedereen ten goede kan komen. Ruilen kan een hele samenleving niet alleen rijker maken, maar ook aangenamer, omdat het in een effectieve markt efficiënter is om dingen te kopen dan om ze te stelen, en omdat andere mensen levend meer waarde voor ons hebben dan dood. (Zoals de econoom Ludwig von Mises het eeuwen later verwoordde: 'Als de kleermaker ten strijde trekt tegen de bakker, moet hij voortaan zijn eigen brood bakken.') Veel verlichtingsdenkers, onder wie Montesquieu, Kant, Voltaire, Diderot en Abbé de Saint-Pierre, onderschreven het ideaal van doux commerce, zachte handel. De stichters van Amerika - George Washington, James Madison en in het bijzonder Alexander Hamilton - ontwierpen de instituties van de jonge natie om het land vooruit te helpen. Dat brengt ons bij een ander verlichtingsideaal, vrede. Oorlog kwam in de geschiedenis zo vaak voor dat het vanzelfsprekend was te denken dat het fenomeen een permanent onderdeel van de menselijke conditie uitmaakte en dat vrede alleen in het hiernamaals kon bestaan. Maar nu werd oorlog niet langer gezien als een straf van God die ondergaan en betreurd moest worden, of als een glorieuze krachtmeting die gewonnen en gevierd werd, maar als een praktisch probleem dat moest worden ingedamd en vroeg of laat moest worden opgelost. In Naar de eeuwige vrede zette Kant maatregelen uiteen die leiders ervan zouden weerhouden hun land een oorlog in te sleuren. Naast internationale handel pleitte hij voor representatieve republieken (die we nu democratieën zouden noemen), wederzijdse transparantie, normen tegen verovering en internationale interventie, de vrijheid om te reizen en te immigreren, en een federatie van staten die bij onderlinge geschillen zouden laten bemiddelen. Ondanks de vooruitziendheid van de stichters, ontwerpers en filosofen is Verlichting nu geen verheerlijking van de verlichting. De verlichtingsdenkers waren mannen en vrouwen van hun tijd, de achttiende eeuw. Sommigen waren racist, seksist, antisemiet, slavenhouder of duellist. Het valt voor ons bijna niet te begrijpen waarom ze zich over bepaalde kwesties zorgen maakten, en ze kwamen niet alleen met geniale ideeën maar ook met heel wat idiote. Concreter: ze werden te vroeg geboren om enkele van de fundamenten van ons moderne begrip van de werkelijkheid te waarderen. Ze zouden zelf de eersten zijn geweest om dat toe te geven. Als je de rede verheft, gaat het om de integriteit van de gedachten, niet om de persoonlijkheid van de denker. En als je vooruitgang belangrijk vindt, kun je moeilijk beweren dat je het allemaal wel begrijpt. We doen niets af aan de verlichtingsdenkers als we een aantal cruciale ideeën over de menselijke conditie en vooruitgang benoemen waarmee wij wel bekend zijn en zij niet.Vertaling: Ralph van der Aa