Begin 1943 deden er zich twee gebeurtenissen voor, de ene op lokaal en de andere op geopolitiek vlak, die de groep rond Sophie Scholl ertoe aanspoorde om zich in een volgend pamflet heel specifiek tot studenten te richten. Ver weg tekende zich in Stalingrad de ondergang van het Zesde Leger af; voor de Duitsers zou dit een grote schokgolf met zich meebrengen. Dichter bij huis rommelde het onder de studenten van de universiteit van München. De rector en Paul Giesler, die als Gauleiter het hoofd van de partij was in de Reichsgau (administratieve regio) München-Oberbayern, organiseerden op 13 januari in de congreszaal van het Deutsches Museum een plechtigheid naar aanleiding van de 470ste verjaardag van de universiteit. Giesler liet zich in zijn redevoering denigrerend uit over jonge vrouwen die liever studeerden dan de Führer een kind te schenken. Studentes verlieten uit protest de zaal, terwijl hun mannelijke studiegenoten luidkeels hun ongenoegen uitten over de seksistische uitspraken van de hooggeplaatste partijfunctionaris. Leden van de NS-studentenbond probeerden de studentes tegen te houden, de politie werd erbij geroepen, en het kwam tot een duwen en trekken met de opstandige jongelui. De partijleiding was ongerust over wat er zich die dag had afgespeeld en wat er nog meer aan de oppervlakte zou kunnen komen, zeker omdat de universitaire scene in Duitsland in het algemeen gekenmerkt werd door volgzaamheid jegens het regime. De Weiße Rose vermoedde een verzetspotentieel onder de studenten. Sophie Scholl verklaarde later tijdens haar ondervraging dat ze dat wilde aanboren 'omdat we de mening toegedaan waren dat de meesten van de studenten revolutionair waren en begeesterd konden worden, vooral het zelfvertrouwen hadden om iets te ondernemen'.

De groep begon te broeden over een pamflet dat inspeelde op de actualiteit, zowel in München als in Stalingrad. Ze slaagden er ook in om Kurt Huber, professor filosofie aan de universiteit München, als tekstschrijver te winnen. Huber stond al lang kritisch tegenover het nationaalsocialisme - dat hadden de studenten al uit verdekte bewoordingen tijdens zijn colleges kunnen opmaken - maar de redevoering van Giesler had voor hem de doorslag richting verzet gegeven. Huber kweet zich nauwgezet en analytisch briljant van zijn taak. In het zesde pamflet draaide alles om 'Freiheit und Ehre'. Het recente studentenprotest vormde de aanleiding om 'de persoonlijke vrijheid, het kostbaarste goed van de Duitser' weer op te eisen, bedrogen als de Duitse jeugd was geweest in een 'Staat rücksichtsloser Knebelung' ('een staat van meedogenloze kneveling'). De tekst sloeg ook de brug van de Duitse bevrijdingsoorlog van 1813 tegen Napoleon naar 'het breken van de nationaalsocialistische terreur door de macht van de geest' in 1943. Eén passage uit Hubers oorspronkelijke tekstontwerp moest wel sneuvelen. De professor had een positieve kijk op de Wehrmacht. De troepen vormden in zijn ogen een positief tegenbeeld van de partijbonzen. Maar Scholl en Schmorell wilden niet weten van zijn oproep tot de studenten om zich 'restlos (helemaal) in den Dienst unserer herrlichen Wehrmacht' te stellen. Na een hevige discussie over die passage dacht Huber dat zijn tekstontwerp helemaal afgewezen was. Niets was minder waar. De studenten schrapten inderdaad de passage, maar behielden de rest van de tekst en verveelvoudigden hem buiten het weten van Huber ook als pamflet in een tweeduizendtal exemplaren. Het pamflet was op 15 februari klaar om met de post verstuurd te worden. Op zich was dat ook al een groot risico, want in oorlogstijd was het geen sinecure en was het zelfs verdacht om briefomslagen en postzegels in grote hoeveelheden aan te schaffen.

Sophie Scholl gebruikte een trucje: in het postkantoor beweerde ze dat ze zoveel postzegels nodig had voor het versturen van het overlijdensbericht van een gesneuveld familielid.

Sophie Scholl gebruikte een trucje: in het postkantoor beweerde ze dat ze zoveel postzegels nodig had voor het versturen van het overlijdensbericht van een gesneuveld familielid. De studentengroep werd in ieder geval overmoediger. Toen het nieuws bekend was geraakt dat de Duitse troepen in Stalingrad hadden gecapituleerd, waren Hans Scholl en Alexander Schmorell die nacht, van 3 op 4 februari, de straat opgetrokken voor een gewaagde actie. Ze schilderden op de gevel van 29 vooral publieke gebouwen de slogan 'Nieder mit Hitler', vergezeld van een doorgehaald hakenkruis, en rechts en links van de ingang van de universiteit het woord 'Freiheit'. Ze herhaalden samen met Willi Graf een gelijkaardige actie in de nacht van 8 op 9 februari. Een week later, in de nacht van 15 op 16 februari, deden de drie vrienden een duizendtal pamfletten op de post en beschilderden ze op de terugweg de Bayerische Staatskanzlei en nog drie andere gebouwen met de slogans 'Nieder mit Hitler' en 'Hitler Massenmörder'. De Gestapo was na de strooiactie van de nacht van 8 op 9 februari spreekwoordelijk wakker geworden. Ze had ontdekt dat het vijfde pamflet op dezelfde schrijfmachine geschreven was als de vorige vier. Het was dus duidelijk dat de verzetsgroep haar basis in München had. De geheime politie lag op de loer, maar wist de schilderacties in de februarinachten toch niet te verijdelen. De collega's in Stuttgart hadden wel een medestander van de Weiße Rose, een zekere Hans Hirzel, opgepakt nadat die verklikt was door twee leden van de Hitlerjugend. Hirzel liet tijdens zijn verhoor op 17 februari de naam van Sophie Scholl vallen.

Rochtus, D. (2021) Naar de Hel met Hitler, Vrijdag Uitgeverij, blz. 264., .
Rochtus, D. (2021) Naar de Hel met Hitler, Vrijdag Uitgeverij, blz. 264. © .

Het net begon zich dus te sluiten rond de studentengroep. De 18de februari moest toen nog volgen. Niemand weet wat Hans en Sophie Scholl die dag bezield heeft om zo roekeloos te werk te gaan. Hadden ze een voorgevoelen dat hun arrestatie nakend was? Voelden ze zich euforisch omdat Stalingrad de zelfverzekerdheid van het Derde Rijk aangetast had? Broer en zus Scholl loochenden in het begin van hun verhoor in het Wittelsbacher Palais, de Gestapo-centrale in München, alle betrokkenheid bij de pamfletacties. Maar de bewijzen tegen hen in de vorm van bijvoorbeeld een paar honderd postzegels waren snel gevonden bij het uitkammen van hun woning. Hans had bij zijn arrestatie nog het ontwerp van een zevende pamflet, dat op naam van Christian Probst stond, op zak. Hij probeerde het nog tevergeefs te vernietigen door het in te slikken, en kon dus zijn vriend niet meer uit de klauwen van de Gestapo redden. Het regime wilde korte metten maken met de verzetsgroep. Net zoals in het geval van de Rote Kapelle stoorde het de machthebbers dat het verzet uitging van en zich richtte tot burgerlijke kringen, temeer omdat deze doorgaans in de Duitse traditie van loyaliteit ten opzichte van de overheid stonden. Van communisten verwachtte het ns-regime niets anders dan verzet, maar als het burgerlijke milieu barsten vertoonde, zou het draagvlak voor het nationaalsocialisme wel eens vlugger dan gevreesd kunnen wankelen. Hans Scholl en zijn vrienden behoorden tot een studentencompagnie van de Wehrmacht. Ze vielen normaal gezien onder de jurisdictie van het Reichskriegsgericht. Giesler wilde echter een proces voor het Volksgerichtshof houden en richtte zich tot Martin Bormann, de chef van de Reichskanzlei, om van de Führer een beslissing in die zin gedaan te krijgen.

Het proces tegen de Scholls en Probst begon op 22 februari en nam nauwelijks drie uur in beslag.

Zo geschiedde. Hans Scholl en Christian Probst werden uit de Wehrmacht gestoten. Roland Freisler, de voorzitter van het Volksgerichtshof, reisde naar München vanuit Berlijn. Het proces tegen de Scholls en Probst begon op 22 februari en nam nauwelijks drie uur in beslag. Het vonnis veroordeelde de drie jonge mensen tot de doodstraf omdat ze 'defaitistische gedachten gepropageerd en daardoor de vijand van het Reich begunstigd en onze weerbaarheid ondermijnd [hebben]'. Aan een genadeverzoek viel niet eens te denken. Hans, Sophie en Christian werden drie uur na de uitspraak onthoofd. Op 19 april vond er een tweede proces plaats tegen veertien aangeklaagden. Alexander Schmorell, Willi Graf en Kurt Huber kregen de doodstraf, de anderen kwamen er met gevangenisstraffen tussen zes maanden en tien jaar vanaf. Het Volksgerichtshof nam er aanstoot aan dat het studenten waren die zich daaraan 'schuldig' hadden gemaakt, '(...) Duitse studenten waarvan de eer te allen tijde de zelfopoffering voor volk en vaderland was!' Dat kon niet anders dan met de dood bestraft worden, oordeelde het gerechtshof, want anders 'zou het begin van een ontwikkelingsketting gevormd worden waarvan het einde ooit - 1918 - was'. Uit die motivering bleek duidelijk de angst voor 'verraad' dat net zoals in 1918 de ondergang van het Reich zou inluiden. De Duitse nationalisten hadden na de wapenstilstand van 11 november 1918 de Dolchstoßlegende verbreid, de legende dat sociaaldemocraten, Joden, bolsjewisten en allerlei democratische krachten schuldig zouden zijn aan de nederlaag door het dapper verder strijdende leger een dolkstoot in de rug te hebben toegediend. Falk Harnack werd als enige vrijgesproken, hoewel of misschien wel juist omdat hij de broer van Arvid was. De rechters wilden speculaties vermijden over verbanden tussen de Weiße Rose en de Rote Kapelle en daarmee het bestaan van een wijdvertakte en uitgebreide verzetsbeweging. Bij een derde proces op 13 juli kreeg een aangeklaagde een gevangenisstraf van slechts zes maanden. De anderen werden vrijgesproken, onder hen zelfs de architect Eickemeyer.

Rochtus, D. (2021) Naar de Hel met Hitler, Vrijdag Uitgeverij, blz. 264. €22,50

Begin 1943 deden er zich twee gebeurtenissen voor, de ene op lokaal en de andere op geopolitiek vlak, die de groep rond Sophie Scholl ertoe aanspoorde om zich in een volgend pamflet heel specifiek tot studenten te richten. Ver weg tekende zich in Stalingrad de ondergang van het Zesde Leger af; voor de Duitsers zou dit een grote schokgolf met zich meebrengen. Dichter bij huis rommelde het onder de studenten van de universiteit van München. De rector en Paul Giesler, die als Gauleiter het hoofd van de partij was in de Reichsgau (administratieve regio) München-Oberbayern, organiseerden op 13 januari in de congreszaal van het Deutsches Museum een plechtigheid naar aanleiding van de 470ste verjaardag van de universiteit. Giesler liet zich in zijn redevoering denigrerend uit over jonge vrouwen die liever studeerden dan de Führer een kind te schenken. Studentes verlieten uit protest de zaal, terwijl hun mannelijke studiegenoten luidkeels hun ongenoegen uitten over de seksistische uitspraken van de hooggeplaatste partijfunctionaris. Leden van de NS-studentenbond probeerden de studentes tegen te houden, de politie werd erbij geroepen, en het kwam tot een duwen en trekken met de opstandige jongelui. De partijleiding was ongerust over wat er zich die dag had afgespeeld en wat er nog meer aan de oppervlakte zou kunnen komen, zeker omdat de universitaire scene in Duitsland in het algemeen gekenmerkt werd door volgzaamheid jegens het regime. De Weiße Rose vermoedde een verzetspotentieel onder de studenten. Sophie Scholl verklaarde later tijdens haar ondervraging dat ze dat wilde aanboren 'omdat we de mening toegedaan waren dat de meesten van de studenten revolutionair waren en begeesterd konden worden, vooral het zelfvertrouwen hadden om iets te ondernemen'. De groep begon te broeden over een pamflet dat inspeelde op de actualiteit, zowel in München als in Stalingrad. Ze slaagden er ook in om Kurt Huber, professor filosofie aan de universiteit München, als tekstschrijver te winnen. Huber stond al lang kritisch tegenover het nationaalsocialisme - dat hadden de studenten al uit verdekte bewoordingen tijdens zijn colleges kunnen opmaken - maar de redevoering van Giesler had voor hem de doorslag richting verzet gegeven. Huber kweet zich nauwgezet en analytisch briljant van zijn taak. In het zesde pamflet draaide alles om 'Freiheit und Ehre'. Het recente studentenprotest vormde de aanleiding om 'de persoonlijke vrijheid, het kostbaarste goed van de Duitser' weer op te eisen, bedrogen als de Duitse jeugd was geweest in een 'Staat rücksichtsloser Knebelung' ('een staat van meedogenloze kneveling'). De tekst sloeg ook de brug van de Duitse bevrijdingsoorlog van 1813 tegen Napoleon naar 'het breken van de nationaalsocialistische terreur door de macht van de geest' in 1943. Eén passage uit Hubers oorspronkelijke tekstontwerp moest wel sneuvelen. De professor had een positieve kijk op de Wehrmacht. De troepen vormden in zijn ogen een positief tegenbeeld van de partijbonzen. Maar Scholl en Schmorell wilden niet weten van zijn oproep tot de studenten om zich 'restlos (helemaal) in den Dienst unserer herrlichen Wehrmacht' te stellen. Na een hevige discussie over die passage dacht Huber dat zijn tekstontwerp helemaal afgewezen was. Niets was minder waar. De studenten schrapten inderdaad de passage, maar behielden de rest van de tekst en verveelvoudigden hem buiten het weten van Huber ook als pamflet in een tweeduizendtal exemplaren. Het pamflet was op 15 februari klaar om met de post verstuurd te worden. Op zich was dat ook al een groot risico, want in oorlogstijd was het geen sinecure en was het zelfs verdacht om briefomslagen en postzegels in grote hoeveelheden aan te schaffen. Sophie Scholl gebruikte een trucje: in het postkantoor beweerde ze dat ze zoveel postzegels nodig had voor het versturen van het overlijdensbericht van een gesneuveld familielid. De studentengroep werd in ieder geval overmoediger. Toen het nieuws bekend was geraakt dat de Duitse troepen in Stalingrad hadden gecapituleerd, waren Hans Scholl en Alexander Schmorell die nacht, van 3 op 4 februari, de straat opgetrokken voor een gewaagde actie. Ze schilderden op de gevel van 29 vooral publieke gebouwen de slogan 'Nieder mit Hitler', vergezeld van een doorgehaald hakenkruis, en rechts en links van de ingang van de universiteit het woord 'Freiheit'. Ze herhaalden samen met Willi Graf een gelijkaardige actie in de nacht van 8 op 9 februari. Een week later, in de nacht van 15 op 16 februari, deden de drie vrienden een duizendtal pamfletten op de post en beschilderden ze op de terugweg de Bayerische Staatskanzlei en nog drie andere gebouwen met de slogans 'Nieder mit Hitler' en 'Hitler Massenmörder'. De Gestapo was na de strooiactie van de nacht van 8 op 9 februari spreekwoordelijk wakker geworden. Ze had ontdekt dat het vijfde pamflet op dezelfde schrijfmachine geschreven was als de vorige vier. Het was dus duidelijk dat de verzetsgroep haar basis in München had. De geheime politie lag op de loer, maar wist de schilderacties in de februarinachten toch niet te verijdelen. De collega's in Stuttgart hadden wel een medestander van de Weiße Rose, een zekere Hans Hirzel, opgepakt nadat die verklikt was door twee leden van de Hitlerjugend. Hirzel liet tijdens zijn verhoor op 17 februari de naam van Sophie Scholl vallen. Het net begon zich dus te sluiten rond de studentengroep. De 18de februari moest toen nog volgen. Niemand weet wat Hans en Sophie Scholl die dag bezield heeft om zo roekeloos te werk te gaan. Hadden ze een voorgevoelen dat hun arrestatie nakend was? Voelden ze zich euforisch omdat Stalingrad de zelfverzekerdheid van het Derde Rijk aangetast had? Broer en zus Scholl loochenden in het begin van hun verhoor in het Wittelsbacher Palais, de Gestapo-centrale in München, alle betrokkenheid bij de pamfletacties. Maar de bewijzen tegen hen in de vorm van bijvoorbeeld een paar honderd postzegels waren snel gevonden bij het uitkammen van hun woning. Hans had bij zijn arrestatie nog het ontwerp van een zevende pamflet, dat op naam van Christian Probst stond, op zak. Hij probeerde het nog tevergeefs te vernietigen door het in te slikken, en kon dus zijn vriend niet meer uit de klauwen van de Gestapo redden. Het regime wilde korte metten maken met de verzetsgroep. Net zoals in het geval van de Rote Kapelle stoorde het de machthebbers dat het verzet uitging van en zich richtte tot burgerlijke kringen, temeer omdat deze doorgaans in de Duitse traditie van loyaliteit ten opzichte van de overheid stonden. Van communisten verwachtte het ns-regime niets anders dan verzet, maar als het burgerlijke milieu barsten vertoonde, zou het draagvlak voor het nationaalsocialisme wel eens vlugger dan gevreesd kunnen wankelen. Hans Scholl en zijn vrienden behoorden tot een studentencompagnie van de Wehrmacht. Ze vielen normaal gezien onder de jurisdictie van het Reichskriegsgericht. Giesler wilde echter een proces voor het Volksgerichtshof houden en richtte zich tot Martin Bormann, de chef van de Reichskanzlei, om van de Führer een beslissing in die zin gedaan te krijgen.Zo geschiedde. Hans Scholl en Christian Probst werden uit de Wehrmacht gestoten. Roland Freisler, de voorzitter van het Volksgerichtshof, reisde naar München vanuit Berlijn. Het proces tegen de Scholls en Probst begon op 22 februari en nam nauwelijks drie uur in beslag. Het vonnis veroordeelde de drie jonge mensen tot de doodstraf omdat ze 'defaitistische gedachten gepropageerd en daardoor de vijand van het Reich begunstigd en onze weerbaarheid ondermijnd [hebben]'. Aan een genadeverzoek viel niet eens te denken. Hans, Sophie en Christian werden drie uur na de uitspraak onthoofd. Op 19 april vond er een tweede proces plaats tegen veertien aangeklaagden. Alexander Schmorell, Willi Graf en Kurt Huber kregen de doodstraf, de anderen kwamen er met gevangenisstraffen tussen zes maanden en tien jaar vanaf. Het Volksgerichtshof nam er aanstoot aan dat het studenten waren die zich daaraan 'schuldig' hadden gemaakt, '(...) Duitse studenten waarvan de eer te allen tijde de zelfopoffering voor volk en vaderland was!' Dat kon niet anders dan met de dood bestraft worden, oordeelde het gerechtshof, want anders 'zou het begin van een ontwikkelingsketting gevormd worden waarvan het einde ooit - 1918 - was'. Uit die motivering bleek duidelijk de angst voor 'verraad' dat net zoals in 1918 de ondergang van het Reich zou inluiden. De Duitse nationalisten hadden na de wapenstilstand van 11 november 1918 de Dolchstoßlegende verbreid, de legende dat sociaaldemocraten, Joden, bolsjewisten en allerlei democratische krachten schuldig zouden zijn aan de nederlaag door het dapper verder strijdende leger een dolkstoot in de rug te hebben toegediend. Falk Harnack werd als enige vrijgesproken, hoewel of misschien wel juist omdat hij de broer van Arvid was. De rechters wilden speculaties vermijden over verbanden tussen de Weiße Rose en de Rote Kapelle en daarmee het bestaan van een wijdvertakte en uitgebreide verzetsbeweging. Bij een derde proces op 13 juli kreeg een aangeklaagde een gevangenisstraf van slechts zes maanden. De anderen werden vrijgesproken, onder hen zelfs de architect Eickemeyer. Rochtus, D. (2021) Naar de Hel met Hitler, Vrijdag Uitgeverij, blz. 264. €22,50