Traag schuift een schip langs het hoge riet achter de tuin van Hung. Vroeger was hier veel nijverheid aan de stroom gevestigd, maar nu zit er alleen nog een brasserie in de oude pakhuizen. Toen Hung in Wichelen aankwam, werd de oever vooral door palingvissers gebruikt. En er was het pad der verliefden.
...

Traag schuift een schip langs het hoge riet achter de tuin van Hung. Vroeger was hier veel nijverheid aan de stroom gevestigd, maar nu zit er alleen nog een brasserie in de oude pakhuizen. Toen Hung in Wichelen aankwam, werd de oever vooral door palingvissers gebruikt. En er was het pad der verliefden. 'Nooit heb ik mij eenzamer gevoeld', zegt Hung, die vanmiddag Vietnamees gekookt heeft voor mij. Hij laat een stilte vallen. Dan glimlacht hij breed: 'Ik vond nergens werk, maar gelukkig kon ik, als boeddhist, hier hulpkoster worden in de katholieke kerk.' Het binnenschip op de rivier valt in het niet bij de mammoetschepen die over een van de drukste vaarroutes ter wereld voeren, tussen Hongkong en Singapore, maar die voor Hung en zijn reisgenoten niet wilden stoppen. Zelfs niet om wat water of eten te geven. Dat benadrukt Hung nog het meest, wanneer hij over z'n reis vertelt. Hij kan zich vergissen, maar hij denkt dat er zesentwintig schepen passeerden. Sommige zagen hen misschien niet, of deden alsof ze hen niet zagen. Maar andere kwamen tot op nauwelijks honderd meter van de stuurloze vissersboot. Soms zag hij zelfs mensen op het schip lopen. Ze keken niet op of om. 'Help, help, kom ons alsjeblieft redden', riepen de vluchtelingen, wanneer er weer een schip aan de einder verscheen. En weer verdween. Ze maakten zo veel mogelijk misbaar, gaven lichtsignalen, zwaaiden tot hun arm er bijna af viel. Geen reactie. Ze dachten dat de matrozen misschien bang waren van piraten en lieten alleen nog vrouwen en kinderen op het bovendek. Zonder resultaat. Ze dachten dat de matrozen misschien ook bang waren van vrouwen en kinderen en deden alsof iedereen dood op het dek lag. Vergeefse moeite. Ze zagen Australische, Japanse, Zuid-Koreaanse en andere schepen koudweg voorbijvaren. Ze begonnen al die landen, waar ze zo naar gehunkerd hadden, hartgrondig te haten. Telkens als ze een schip zagen, vatten ze hoop, en telkens als het schip wegvoer, voelden ze wanhoop. Geen drie keer, geen acht keer, maar zesentwintig keer. Dat was misschien nog erger dan de honger en dorst: dat mensen je zagen doodgaan, en ervoor kozen om je dood te laten gaan. Je leven was niets waard. Je was minder dan niets. Een rottend blad op de oceaan. Hung voelde alle ogen op hem gericht, de kapitein. Hij zag de lichamen in al hun ellende, met nog nauwelijks onderscheid tussen mannen en vrouwen, zo mager en smerig waren die lijven. Sommigen waren door een zonnesteek geveld. Velen hadden diepe brandwonden. Verdroogde huid kwam in grote stukken los van hun lichaam. Hung zag ook de lompen, het vuilnis, de uitwerpselen in zijn boot. Hij spande een touw rond de boeg en vroeg de mensen zich in het water onder te dompelen om af te koelen. De meesten gingen aan het touw hangen, zelfs de grootmoeder van vierenzestig, ondanks de haaien die in het gebied voorkwamen. Hij maakte intussen het dek zo veel mogelijk schoon, want een vuile, stinkende boot vol drek en braaksel bracht alleen maar ongeluk en was een vloek voor de godin van de zee. Al dat water om hen heen, en geen druppel om hun dorst te lessen. Zelfs urine was er niet meer om te drinken, zo uitgedroogd waren ze. Het werd ook voor een ervaren visser als Hung een ondraaglijke, gekmakende gedachte. Hij nam een kom en sprong in de golven. Als een waterduivel klom hij weer in de boot, stak de kom boven zijn hoofd en danste op en neer. Hij sprak: 'De Godin van Genade, oftewel de patrones van de zee, heeft me gezond water gegeven. Iedereen moet een slok drinken. Het is gegarandeerd veilig.' Bijna iedereen wilde hem geloven en dronk van de kom. Het was toch het einde, wat maakte het nog uit? Het was zo voorbestemd, ze konden het alleen maar aanvaarden. 's Avonds weer de lichtjes van schepen. Hung probeerde nog kleren in brand te steken als noodsignaal. Een vrachtschip kwam zo dichtbij. Het vertraagde niet. Het versnelde. Hij schudde ongelovig het hoofd. Toen zag Hung een plek aan de hemel die onwerkelijk fel oplichtte. Ook vele anderen zagen de flits, als een grote ster die openspatte. De ziel van een gestorvene, dachten ze. Hung was erg geraakt en vroeg zijn reisgenoten om te bidden. Zelfs Phong met z'n grote mond, die in God noch gebod geloofde en zich baas maakte over de boot, bad mee... 'Komaan, pak nog een loempia', besluit Hung, weer met een glimlach die vertrekt bij zijn mondhoeken, zich snel naar zijn ogen verspreidt en dan zijn hele gezicht verlicht. 'Wat was dat hemellicht?' vraag ik. 'De geest van mijn overleden moeder', zegt Hung, die me nog twee zakken eten meegeeft, genoeg om een vluchtelingenfamilie bijna een week te voeden. 'Een voorteken van wat komen zou.' Hoe dan ook, het is altijd het beste om bij het begin te beginnen. Alleen, hij zou niet weten wat het begin is. 'Ik weet niet eens wanneer ik geboren ben', zegt Hung, en hij kijkt me onzeker aan, ineens overmand door twijfel. 'Op papier ben je van 1944, maar in werkelijkheid een stuk jonger', zegt zijn dochter Quyen. 'Want volgens de familie ben je geboren in het jaar van de Rat.' 'Er waren geen geboorteakten. Het was volop oorlog.' 'Vertel het zoals het echt is, Ba, ' zegt Quyen nadrukkelijk, terwijl ze met een krabbenpootje in zijn richting priemt. 'Vertel gewoon hoe de dingen gingen.' Hij gaat laten we zeggen stilaan naar de zeventig. We zitten aan het strand van Qui Nhon, dicht bij de plek waar hij als visser leefde en werkte, rond een lange tafel met veel familie. Er staat een dozijn schotels op, met gestoomde zeebaars, geroosterde inktvis, geroerbakte groenten, noedels, rijst, vissaus en veel verse kruiden. We kraken de krabbenrug, schrapen het vlees eraf, zuigen het merg eruit. Quyen proeft van alles, elke keer een hapje. Hung leegt zijn kom tot de laatste slok en tot de laatste slurp. Behendig manoeuvrerend om zijn satijnen hemd en gouden halsketting niet te besmeuren. In Wichelen, waar hij als eerste kleurling aanbelandde en waar hij nog altijd met overall en pet de kerkvloeren schrobt, ziet hij er enigszins anders uit. Ik heb de familie Truong lang geleden toevallig leren kennen, via een bevriende buurman, en heb Hung vaak in Wichelen bezocht. Het dorp heeft volgens hem bijna niets met Qui Nhon gemeen, behalve dat het ook aan het water ligt, in een grote bocht van de Schelde. De mensen kleumen er meestal rond de kachel van de kou en eten boterhammen met kaas of paté als ontbijt en konijn met pruimen en puree als het feest is. Hung kent er iedereen en heel Wichelen kent Hung. Maar wie kent hem echt? Toegegeven, hij kent hier in centraal Vietnam lang zo veel mensen niet meer. Maar kijk, de welige groene bergen in de achtergrond, beneden de baai met kleurige vissersboten, daarachter de broeierige stad, wie zou dat niet missen? Ook daarom wil hij, sinds hij met pensioen is, het liefst teruggaan naar het land waar de mensen z'n moedertaal spreken en eruitzien zoals hij. Misschien ook omdat ze hem daar het gevoel geven dat hij iemand is. Wil niet iedereen iemand van betekenis zijn? Hij heeft geen diploma, geen carrière, was visser in Vietnam en hulpkoster in Vlaanderen, maar hij durfde zijn leven in te zetten voor iets hogers, iets dat groter was dan hijzelf. Hij was een bootvluchteling en zit in feite nog altijd op die boot. Soms vraagt hij zich af waar en wanneer hij gaat aanmeren. Ook Quyen, de populaire chef van het toprestaurant Little Asia in Brussel, waar ze haar dankbare klanten met veel charme koestert ('zeg maar Gwen'), heeft ineens, de veertig voorbij, het gevoel gekregen alleen hier nog zichzelf te kunnen zijn, ook al weet ze niet meer precies wie ze zelf is. Ze wil weten waar ze vandaan komt, hoe het was, hoe het ging zoals het ging, en waarom. Ze wil op zoek, samen met mij. Ik heb intussen al een pak foto's en documenten verzameld en verschillende passagiers van de boot van Hung gesproken. Ik wil ze liefst allemaal terugvinden. Pas toen ik de afgelopen jaren de beelden in het journaal zag van de bootvluchtelingen op de Middellandse Zee - die donkere, anonieme mensenmassa's - begon ik Hung anders te zien. Ineens realiseerde ik me dat hij me nooit over de periode van de bootreis zelf had verteld, alsof hij zomaar was overgebeamd. Alsof hij er een gekuiste versie van had gemaakt. 'Ik kende maar drie mensen op zijn boot', zegt Quyen. 'Loc, de rechterhand van mijn vader. Phap, een visser uit de buurt. En Wang, het zoontje van tante Du.' 'Hoe oud was je toen precies?' vraag ik. 'Ik ben een Varken', zegt ze aarzelend. 'Maar ook mijn precieze geboortedatum kennen we niet. Het was niet lang voor Tet, het Vietnamese nieuwjaar.' Met haar rechterhand zit ze een tandenstoker in haar gebit te prikken, terwijl ze haar linkerhand voor haar mond houdt. Ze praat binnensmonds voort. 'Het was in elk geval tijdens het stormseizoen, dus zeker in het najaar...' Haar moeder Tot, een warme vrouw die moederlijk mijn kommetje volgooit met voedsel, terwijl ze 'eten! eten!' gebiedt in gebroken Nederlands, vertelt dat er die avond een stormvloed was. Ze had angstig staan toekijken. Grote witte golven braken op de vissershuizen, gooiden de boten overhoop, zetten de kust onder water. Een visser verdronk toen zijn sloep omsloeg. De regen gutste neer op het strand dat vol afgerukte bomen en ingestorte muren lag. Daarop voelde Tot hevige buikpijn. 'En toen brak haar water, ' lacht Quyen, 'in volle storm, in volle oorlog.' Hung bracht haar door de regen twee straten verder naar het provinciale ziekenhuis, waar Amerikaanse zusters en Nieuw-Zeelandse dokters gewonde soldaten verzorgden. De maan viel bijna uit de lucht van ellende toen Quyen die nacht ter wereld kwam, najaar 1971. Een klein meisje met een bruin velletje en zwart krulhaar, dat Hung liefkozend 'krullenkopje' zou noemen.Hij wilde haar officieel de naam Huyen geven, wat zoiets als zacht betekent, maar de ambtenaar schreef Quyen op, en dat betekent macht; een vergissing die haar een slecht karma heeft bezorgd en haar karakter in een verkeerde plooi heeft gelegd, denkt ze nog altijd. Haar geboorteakte werd pas na de oorlog opgemaakt, en toen werd er een slag geslagen naar de juiste datum. In Vietnam werd de verjaardag van je geboorte toch niet gevierd, maar wel de verjaardag van je dood. En hoe. O ja, Hung betekent held. Kom, gebaart hij en hij trekt me mee naar enkele jonge palmbomen met witgekalkte bast. Ze wiegen zacht in de wind, hun dunne stammen kaarsrecht naar de hemel, hun dak van bladeren uitgespreid als een parasol om schaduw te geven in de middagzon. Hung moet even zoeken voor hij de juiste plek vindt, want hij heeft bijna geen herkenningspunten meer. Hier ongeveer stond het stenen huisje met zinken dak van zijn vader. Daar het schuurtje waar de netten werden opgeborgen en gerepareerd. De boot lag gewoon voor het huis aan het strand. 'Dit is de plaats', zegt Hung theatraal, en hij staat te wijzen naar een huis dat er niet meer is, 'waar mijn navelstreng werd doorgesneden en de moederkoek begraven.' Ik begrijp dat het een oud Vietnamees gebruik is om navelstreng en placenta dicht bij het huis te begraven, zodat je bloed vanaf het begin vermengd wordt met de grond van je geboorteplek. Samen met het bloed van je broers en zussen. Verbonden met de aarde en met elkaar. 'En de navelstreng van Quyen?' vraag ik. 'Ook', lacht Hung. 'Zeg alleen iets als het juist is', roept Quyen. 'Anders schrijft de professor weer een brief tegen ons.' Hung is bijna altijd meegaand, wil het mensen naar de zin maken, niet tegenspreken, en soms heeft Quyen een hekel aan die gedienstigheid die ze 'typisch Vietnamees' noemt. Het visserskwartier was vroeger een buurt met kleine steegjes tot aan het strand, maar tien jaar geleden werden honderden huizen afgebroken om plaats te maken voor een geasfalteerde boulevard en een promenade met mediterrane allure. De communistische overheid wil Qui Nhon promoten als badplaats, maar voorlopig zonder groot succes. Waar het huis van zijn vader stond, is er nu alleen maar hard olifantsgras te zien. Doodzonde, vindt Hung, die het nog makkelijker zou kunnen aanvaarden als er een hotel in de plaats was gekomen. De familie kreeg een minieme onteigeningsvergoeding. Na z'n vlucht heeft Hung z'n vader overigens nooit meer teruggezien, want korte tijd later ging hij al dood. Hung had geen afscheid van hem genomen, en het trof hem diep toen hij het in Wichelen vernam via een telegram. Hij mocht van die katholieke pastoor wel een klein boeddhistisch altaartje in de pastorie oprichten, dat bood hem wat troost en houvast. Hung trekt aan zijn sigaret en kijkt roerloos naar de baai, de eilanden voor de kust, de Zuid-Chinese Zee erachter. Het doet hem goed om zo ver over de zee te kunnen kijken en zo rustig te staan roken op de grond waar zijn navelstreng werd begraven. Meer opwinding heeft hij niet meer nodig in zijn bestaan. Het is alsof hij niet alleen de zee maar zijn hele leven overziet. Ook aan de andere kant van de wereld heeft hij nooit de smaak van de noedelsoep thuis kunnen vergeten, de tabaksgeur van zijn vader, de bombardementen door de Franse koloniale troepen, de vlucht in de binnenlanden, de schielijke dood van zijn moeder, zijn trouwfeest op het platteland, de boten en netten vol vis, de Amerikaanse B-52's, de napalm over de brandende jungle, de romantische verhalen van het hoertje Kieu, het aroma van verse vissaus, de honger in de strafkampen, de zieltogende bootvluchtelingen, de lommerrijke palmbomen en de lieflijke lotusvijver van de grote pagode. Een half mensenleven vervlochten met het wereldgebeuren. Hij wijst naar het strand een kilometer verder, bij het Victoriebeeld en het Saigon Qui Nhon Hotel. 'Daar had ik met de vluchtelingen afgesproken. Maar het hotel en het standbeeld waren er toen nog niet. Alleen maar onkruid.' Een hele tijd geleden, het jaar doet er nauwelijks toe, het is tegenwoordig niet anders, is hij daar dus met zijn boot vertrokken, voorgoed, ondanks zijn begraven navelstreng. Het was een winderige dag, 5 augustus, op het heetst van het jaar. Je zag de bergen zweten, de golven koken. Zijn boot leek prima in orde, net opgeknapt. Hij had de oude schuit gekocht van een visser verderop, die een grotere boot ging aanschaffen. Wekenlang moest Hung er nog aan werken. De dieselmotor van 10 PK repareren, het houtwerk timmeren, een nieuwe laag teer op de kiel strijken, de romp verven. Marineblauw was zijn schip, met een gele en rode streep over de hele lengte. Tot slot had hij het registratienummer aan bakboord op de zijkant van de lage motorcabine gezet: NB 1010 NDC. Een kleine houten vissersboot van twaalf meter lang en 2,5 meter breed, met onder de dekplanken veel ruimte om vis op te bergen. Gebouwd voor ondiepe waters langs de kust of in de rivier, niet voor de open zee. Hung vroeg een waarzegger in de buurt of de sterren gunstig stonden. Volgens de horoscoop was 5 augustus een geschikte dag. Alle tekenen waren goed. Dit zou zijn tweede geboorte worden, maar nu als dertiger, met een tobberig brein en angstig hart. Een lastige, langgerekte geboorte. Die namiddag kwamen z'n vrouw Tot en hun kinderen, de jongste een zuigeling van twee maanden oud, in stoet naar het strand om de boot in te zegenen. Ze hadden wierook mee, rijst, bananen en koekjes, alles wat nodig was om het geluk af te smeken en het ongeluk af te weren. Ze baden tot de Boeddha, de Godin van Genade, de voorouders. De nieuwe boot was van levensbelang voor de hele familie. Hung vouwde de handen, boog diep, murmelde een gebed met de ogen dicht, bracht de offergaven aan boord. Op de dag van het inwijdingsritueel, een ommekeer in hun leven, begon de laatste reis van de boot die veel vis en voorspoed moest brengen. 'Ik was negen, bijna tien', zegt Quyen met schorre stem. 'Ik dacht echt dat we moesten bidden voor een goede vangst.' 'Nee, ik had de boot gekocht om te vluchten', zegt Hung bedremmeld. Hij wendt zijn blik af en kijkt naar de grond. 'Maar ik was de baai nog niet uit of ik huilde al van spijt. Ik wilde terug. Omdat mijn vrouw er niet bij was.' Wat later zegt Quyen stil tegen mij: 'Zijn tweede vrouw. Tante Du.'