Mest. Of gif. Misschien wat veengrond. Van de bushalte aan de provinciale weg naar de dijk waarop het huis van Tommy Wieringa staat, was het me opgevallen. Hoe het water onder de laatste plakken ijs in de kanalen die de velden doorklieven oranjebruin kleurt en hoe de overgebleven sneeuw die tegen de oevers vlokt op badschuim lijkt. 'Mest. Of gif', antwoordt Wieringa op mijn vraag naar wat ik zag. 'We zitten in een stervend landschap. Alles wat je hier ziet, is dood. Er zit geen bodemleven meer in.'
...

Mest. Of gif. Misschien wat veengrond. Van de bushalte aan de provinciale weg naar de dijk waarop het huis van Tommy Wieringa staat, was het me opgevallen. Hoe het water onder de laatste plakken ijs in de kanalen die de velden doorklieven oranjebruin kleurt en hoe de overgebleven sneeuw die tegen de oevers vlokt op badschuim lijkt. 'Mest. Of gif', antwoordt Wieringa op mijn vraag naar wat ik zag. 'We zitten in een stervend landschap. Alles wat je hier ziet, is dood. Er zit geen bodemleven meer in.' Hij zet koffie en houdt het versgebakken brood onder de neus van zijn dochter. 'Wat een geur, hè. ' Ik wijs naar de ganzen die gakkend overvliegen en op de graslanden neerstrijken. 'Graseters. En gras is er genoeg. Engels raaigras. Turbogras. Het heeft een ongelooflijke groeisnelheid en hoge eiwitwaarde. Goed voer voor de beesten. Hoewel, de koeien schijnen er een constante ontsteking van te hebben, daarom is hun stront zo dun. Het is zoals Prediker 1:18 zegt: "Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart." Zo kijk ik naar het landschap. Er is een mooi woord uitgevonden door Theunis Piersma, trekvogelecoloog. Landschapspijn. Dat heb ik heel beslist en altijd.' 'Koffie?' Hij veert recht. Een auto nadert langzaam over de dijk. 'Peter is daar.' Het is een warm weerzien. Ze willen elkaar omarmen, houden zich in en knijpen elkaar stevig in de schouder. Ze meten de tijd op die tussen hen ligt. Wanneer was de laatste keer? December 2019, besluiten ze. De 75e verjaardag van hun beider uitgeverij, De Bezige Bij, de groepsfoto op de trap. Peter Terrin rondde sindsdien met Al het blauw een roman af. Wieringa bundelde in Gedachten over onze tijd de columns die hij schreef en nog steeds schrijft voor de weekendeditie van NRC Handelsblad. 'De mooiste plek in columnland', noemt hij het. Ook zijn volgende roman heeft hij op gang getrapt. 'Ik heb vandaag eens teruggekeken in mijn dagboek. In maart 2019 ben ik begonnen met schrijven, na een lange researchperiode. Toen kwam daar te veel tussen. Drie maanden Tanzania, de lockdown waarvan ik de muren opliep, in oktober heb ik het hele monster opnieuw geschreven. Ik kwam niet snel genoeg to the point. Dat heeft zich op een fantastische manier opgelost en nu ben ik weer een gelukkig schrijver. Net als deze heer. Proficiat', zegt hij tegen Terrin. Terrin: 'Dank je. Ik ben er echt blij mee. Ik heb het gevoel dat ik weer een stap heb gezet. Ik heb een soort vrijheid gevonden. Het boek is geschreven in losse paragrafen. Kleine eilandjes. Het biedt me veel mogelijkheden. Je kunt snel van personage en van standpunt wisselen, zit onmiddellijk in de diepte.' Wieringa: 'Ik ben bij de scène waar hij zijn vrouw voor het eerst aftuigt. Het heeft ook die rare atmosfeer, dat bevreemdende van Patricia. Steden die je niet goed kent. Buitenwegen die nergens heen leiden. Droevige wijken.' Terrin: 'Vlaanderen in optima forma.' Ze lachen. 'Wat ik je wilde vragen, Tommy', gaat Terrin verder. 'Dat oranjekleurige schuim op het water?' Wieringa: 'Mest. Gif. Veengrond. Nederland in al zijn glorie.' Wieringa neemt een spade die in de hoek van de gang staat en zegt dat we naar de overkant gaan, over het kanaal. Er ligt een ingegraven woonboot met daarachter een doodlopende weg die de boer als opslagplaats van in zwart plastic gewikkelde hooibalen gebruikt en als voertuigenpark. Wieringa hoost water uit de boot voor de oversteek, 'door de knieën buigen' zegt hij als we aan boord stappen. Twee dode karpers dobberen aan de kant en klotsen als zwerfafval tegen de oever. 'Slachtoffers van het ijs.' Ik zoek een roeispaan, die ligt gebroken op de bodem van de boot en dan begrijp ik het. De spade is de spaan. Wieringa duwt hem tegen de zompige kant, schept er een van de dode karpers mee op, keilt die verderop het water in en roeit ons naar de overkant. 'Soms zit hier een schildpad', zegt hij als we voet aan wal zetten. Vandaag is het water zwart. Je kunt er allerlei geheimen in zien. Maar geen schildpad. Tien, elf jaar, schatten ze. Zo lang kennen ze elkaar. Terrin: 'Na een boekvoorstelling van Christophe Vekeman in boekhandel Walry heb ik Tommy naar zijn hotel gebracht. Dat was nodig. Even later stuurde ik hem De bewaker op en kreeg een prachtige brief terug, met kort daarop het verzoek te speechen op de boekpresentatie van Dit zijn de namen. Ik dacht: waarom vraagt hij mij? Een onbekende Vlaming?' Wieringa: 'Ik vroeg hem omdat ik De bewaker gelezen had. In die brief heb ik dat een soort vacuümgetrokken universum genoemd waar in totale luchtledigheid iets heel ingrijpends gebeurt op de allerkleinst mogelijke manier tussen twee mannen in een parkeerkelder. Ik had niet vaak zoiets beklemmends gelezen. Het bracht me terug bij mijn eerste leeservaringen, een primaire leessensatie, een gevoel van geluk, waarvan je denkt: godverdomme, dit is goed, hoe is dat mogelijk? Dat kan niet iedere schrijver.' Terrin: 'Het is nu een coronaboek in Italië.' Wieringa: 'Begrijpelijk.' Al het blauwis een boek over een onmogelijke liefde, maar ook over vriendschap. Het hoofdpersonage Simon denkt vaak na over het ongemak van de vriendschap. Hij vraagt zich af of het 'aanmatigend' is iemand je vriend te noemen.Peter Terrin: Ik vind vriendschap complex. Het zou iets natuurlijks moeten zijn. Als ik naar mijn vrouw kijk: zij heeft goede vriendinnen uit haar studententijd, die zijn meegegroeid, dat is vanzelfsprekend. Ik heb dat niet zo. Wanneer ben je iemands vriend? Als ik Tommy mijn vriend noem, vind ik dat aanmatigend. Misschien is Tommy gewoon vriendschappelijk met mij zoals hij dat met anderen ook is. Ik weet niet waar de grens is, waar moet je over om te kunnen zeggen: dit is vriendschap? Erover praten, biedt geen oplossing, het schept verwijdering. Tommy Wieringa: Daarom is het jammer dat je de drank hebt opgegeven, Peter. Het is de enige vrijzone waar het kan, elkaar lallend in de armen vallen en zeggen: je bent mijn vriend. Terrin: We hebben wel een fysieke omgang met elkaar, testen plagerig elkaars spieren, als jongetjes, we kloppen op elkaar. Maar een van de voorwaarden is toch ook een bepaalde vorm van bewondering. Wieringa: Zeker. Ik zou het niet hebben als ik zijn oeuvre niet goed vind. Het zou niet gaan. Terrin: Een paragraaf lezen van Tommy geeft mij een lichamelijk genoegen, ik kan het voelen in mijn borst. Dat mooie, lenige Nederlands. Ik geloof alles wat hij schrijft door de beheersing en de pracht van zijn taal. Maar de bewondering gaat ook over hoe Tommy samenvalt met wie hij is, terwijl ik het gevoel heb dat ik niet helemaal klop. Wieringa: Wat een fantastische zin. 'Ik heb het gevoel dat ik niet helemaal klop.' Is dat een sociaal ongemak? Of ook tegenover jezelf? Terrin: Ook tegenover mezelf. Als ik fotografeer, valt het helemaal weg. Dan werk ik op instinct. Bij schrijven gedeeltelijk. Het heeft te maken met wat in Al het blauw een hoofdthema is: wat mensen zien in jou, wat ze projecteren op jou, wat ze verwachten en hoe je daaraan beantwoordt of net niet. Dat is het verhaal van mijn leven. Ik ben een eeuwige twijfelaar. Vandaar dat ik me niet uitspreek als er gebeld wordt voor een of andere opinie. Niet dat het mij niet aangaat. Ik heb af en toe last van een mening, maar ik hoef die niet te delen. Wieringa: Peter is heel zuinig met zichzelf. Ik ben meer een soort gutsende rioolbuis vergeleken met deze man. Vanwaar die voorzichtigheid? Terrin: Ik ben als de dood dat men mij in een vakje stopt. Ik wil niet dat iemand in de boekhandel mijn boek vastpakt, mijn naam leest en denkt: nou ja, Terrin, die ken ik wel. Ik wil dat hij niets weet en dat mijn naam bijkomstig is. Dat is natuurlijk heel idealistisch in de wereld van vandaag. Wieringa: Je hebt het ook in je boeken. Je deelt jezelf niet gul mee en hooguit in uiterst versluierde zin. Terrin: Ik heb ooit een boek geschreven, Vrouwen en kinderen eerst, dat was helemaal autobiografisch. Wieringa: Een fantastisch boek. Terrin: Niemand stelde me ooit de vraag: 'Peter, is dit autobiografisch?' Ik vond dat zelf vreemd. Maar als het al te gek is, kan het blijkbaar niet autobiografisch zijn. Een wekelijkse column is niet aan u besteed? Ook niet het genot van de deadline, zoals meneer Wieringa het in de inleiding van Gedachten over onze tijd schrijft? Terrin: La joie de se voir imprimé. Ik herken het wel. Wieringa: Je zou er genoeg aan kunnen hebben, de deadline als wekelijks ankerpunt. Maar de roman is toch altijd nummer 1. Terrin: Toen ik de beslissing nam om te schrijven, heb ik me altijd voorgenomen niets dat schrijven in de weg te laten staan. In de beginperiode kluste ik bij, maar nooit met journalistiek werk of andere schrijfopdrachten. Ik voelde dat ik mijn hoofd helemaal nodig zou hebben voor mijn literaire werk. Later heb ik het wel gedaan. Vier jaar lang. Een column voor Knack. Tot men me belde met de vraag om wat nauwer aan te sluiten op de actualiteit. En toen, nee, ik ben zo'n twijfelaar. Ik diende iets in en een uur later mailde ik alweer: 'Mag ik het terug? Ik ben van mening veranderd.' Tommy is anders, denk ik. Meneer Wieringa, bent u inderdaad die man uit één stuk zoals Peter u beschrijft? Wieringa: Ik heb niet meer de voortdurende notie dat er iets aan mij moet veranderen. Ik heb mijn universiteitsperiode, toen ik ook wat scheef in het kader stond, zwetend doorgebracht. Ik ging soms naar huis om een ander hemd aan te trekken omdat het doorweekt was van het zweet. Iedereen leek te weten waarheen, waaraan, waaraf. Ik dacht: hoe weten ze dat? Waar zijn de codes? Terrin: Zo heet mijn debuut. De code. Daarom? Terrin: Daarom. Ik heb de indruk dat ik in veel dingen die ik doe de eeuwige buitenstaander blijf. Ik ben gedebuteerd bij LJ Veen. Ik vond dat geweldig. Gerard Reve zat in dat fonds. In Vlaanderen was geen kat geïnteresseerd. 'LJ Veen? Dat zijn toch die dode schrijvers?' Ik was al dood voor ik gedebuteerd was. Opnieuw leek ik er buiten te staan, buiten het wereldje van de Vlaamse literatuur, want ik was geen Vlaamse schrijver. Mijn taal was anders. Vroeger had ik het daar nog moeilijk mee, ondertussen vind ik het een prima positie. Wieringa: Kinderen krijgen helpt. Als ik ergens ben, vind ik niets zo fijn als een van mijn dochters op de arm dragen als een soort schild tegen de wereld. En natuurlijk helpen de boeken die je geschreven hebt. De ruimte achter je is niet oningevuld gebleven. Ik heb geen existentiële twijfel meer of ik überhaupt iets te vertellen heb wat het opschrijven waard is. Ik hou van schrijven. Zo stompzinnig is het. Ik hou ervan om te gaan zitten, te werken, te ploeteren, daar word ik een beetje christelijk lyrisch van, dat zich telkens herhalend wonder van het leven dat zich op papier vermenigvuldigt. Dat heb ik al veertig jaar en het verveelt nooit. Daarom kun je als schrijver heel lang jong blijven. De eeuwige beginner. In enkele van uw columns kaart u het dedain voor cultuur en literatuur aan, meneer Wieringa. Eén draagt als titel 'Bij de uitvaart van het boek.' Is de liefde voor literatuur tanende? Wieringa: Het is een gedicht van Menno Wigman. Ik ben kwistig met citaten in mijn columns. Het is best goed om de lui te vertellen dat er een oneindig reservoir aan prachtige gedachten en sublieme zinnen is waaruit je kunt putten. Mijn stiekeme hoop is dat af en toe iemand naar het oorspronkelijke werk grijpt. Overal plug ik A.L. Snijders, Isaak Babel, Joseph Roth, als een soort dj van de literatuur. Want ik vrees dat het begrip van de roman tanende is, ja. De concentratie die nodig is om een roman te verteren, vraagt nogal wat en ik denk niet dat de technologie van vandaag bijdraagt aan de populariteit en het begrip van de roman. Terrin: Ik zie het niet zo zwart in. Ik denk dat het goedkomt met het lezen. Mijn zoon van elf heeft het te pakken en in elke klas zitten er twee of drie die geboeid luisteren als je een lezing geeft. In onze tijd was dat niet anders. Wieringa: In onze tijd hadden veel huizen boekenkasten. Terrin: Mijn huis niet. We hadden één boek in achttien delen. De Standaard Encyclopedie. Bij elkaar gespaard door mijn moeder, voor de ontwikkeling van haar kinderen. Hoe rijk gevuld was de boekenkast in uw huis? Wieringa: De Kinderbijbel. Het hoe-heet-het-ook-alweer-boek van Dr. Spock, een beetje esoterische literatuur van mijn moeder, een doe-het-zelfhandboek en wat woordenboeken van mijn vader, die leraar Engels was. Hij leeft nog, maar geeft natuurlijk geen les meer. Veel boeken waren er niet, daarom is de beschikbaarheid zo belangrijk. Bij mij is het begonnen met een bibliotheek. De beschikbaarheid van een bibliotheek in het kleine dorp waar ik woonde, heeft een groot deel van mijn jeugd ingenomen. Ik heb die hele bibliotheek kunnen lezen, tot de meest onbelangrijke lectuur, maar die honger van een lezend kind is onverslaanbaar. Daarom is dat liberale model zo schadelijk. Een bibliotheek in je dorp is niet hetzelfde als tien kilometer verderop. Terrin: Dat zien we in Vlaanderen natuurlijk ook. Het nutsdenken dat het overneemt. Cultuur is nochtans belangrijk. Het is een grote werkgever. Wieringa: Dat bedoel ik dus, we worden gedwongen naar een vluchtheuvel waar we ons bestaan verantwoorden door erop te wijzen dat de waarde van huizen in de buurt van een boekenwinkel hoger ligt. Zo zijn we ons aan het verdedigen. Literatuur is goed, want lezende mensen zijn over het algemeen slimmere mensen en daar heb je economisch iets aan. Altijd moet je die liberalen vertellen wat het economisch nut is van die dingen, ik word ziek van dat nutsdenken. Net zoals ik ziek word van het dedain waarmee men na tien jaar liberale proleten over cultuur spreekt. Om het dan toch over het virus te hebben: covid-19 is op zichzelf willoos, maar in handen van dit kabinet is het een hamer om cultuur te vernietigen. Voor heren in jullie positie dreigt er nog een andere hamer. Die van de cancelcultuur. Ook die raakt u geregeld aan in uw columns, meneer Wieringa. Terrin: Oh, nu bedoel je dat wij witte, middelbare mannen zijn? Heb jij de woede al ondervonden? Wieringa: Nog niet aan den lijve. Voor de verfilming van Joe Speedboot is me wel gevraagd of die figuur van papa Afrika nog wel van de tijd is. Het grappige is dat alle kunstenaars die ik ken bij zichzelf aan het graven zijn waar ze te attaqueren zijn. Wat is mijn achilleshiel? Heb ik ooit iets geschreven wat niet door de beugel kan? Een soort antecedentenonderzoek. Want als het je overkomt, kan het gruwelijk zijn. Ineens ben je besmet met een ziekte waarvan je niet wist dat je haar had. Het is je huidskleur. Je leeftijd. Je positie. Onlangs werd fotograaf Martin Parr overal uitgekukeld. De vrouw op wier voortdurende inspanningen dat gebeurde, zei iets interessants toen hij zich verontschuldigde. 'Dat is niet genoeg. Jij bent het instituut en we zijn nog maar net begonnen het te onttakelen.' Ik kijk er met interesse naar omdat ik wil weten wat ervan komt. Het is een emancipatorische beweging die veel energie met zich meebrengt, maar vooralsnog in de richting van het pamfletisme. Ik zie er nog weinig kunst van. Terrin: In Al het blauw komt een homoseksuele man voor. Mijn redactrice waarschuwde me dat ik hem voor bepaalde lezers misschien iets te stereotiep neerzette, dat ze daar aanstoot aan konden nemen. Ze zei niet: schrap het, ze zei: er kan een reactie komen. Ik vond dat opmerkelijk. Zo voorzichtig is men aan het worden. Wieringa: We zijn nog steeds in een positie waarin we ons alles kunnen veroorloven. In mijn hele schrijversleven is er me nooit iets in de weg gelegd. Het is een boeiende exercitie om die positie te bekijken die een ander mogelijk niet heeft. In die zin vind ik het interessant wat er gebeurt. Het vervelende is, en dat is de anarchist in mij die spreekt, dat je wordt beknot in het ruimte geven aan je vrijheid. Zoals John Stuart Mill schrijft: de sociale tirannie is sterker dan die van de staat. Terrin: Weet je dat ik in De bewaker uit 2009 mijn personages nog gewoon 'neger' laat zeggen, en dat de betreffende zwarte man vreselijk wordt gemarteld? Hoe is het vertaald? Terrin: Goeie vraag. Dat weet ik niet. Een jaar of drie geleden is me wel gevraagd mijn 'blank' in 'wit' te veranderen. Ik was niet helemaal op de hoogte. Wieringa: Er zijn gevoeligheden en velen ervan zijn terecht. Rond Zwarte Piet. In het begin dacht ik ook dat er een soort verveling achter stak, maar intussen sprak ik voldoende mensen die dat zo'n kwalijke stereotypering vonden dat het hen pijn deed en die hun kinderen liever niet naar school stuurden wanneer er een domme, zwarte man rommel maakte in de klas. Het is goed een zekere openheid te bewaren voor andermans gevoeligheden. De vraag is alleen: is een gesprek mogelijk? Wie heeft er recht van spreken? Terrin: Krijg jij veel boze mails? Reacties op je columns? Wieringa: Ik probeer mijn vijand te ontmoeten, maar dat lukt zelden. Ik stuur vriendschapsverzoeken via Facebook naar woedende mensen omdat uit alles blijkt dat dat hele sociale medium gebaseerd is op gebrek aan werkelijk contact waardoor de haat en de ellende er zo op kunnen metastaseren. Ik zoek in alles voortdurend naar echt contact. Kijken wat er van de haat overblijft als je ze tegenkomt. Niet zo heel veel meestal. Ik zit met rugbyers met heel rechtse opvattingen in een team. Politiek staan we mijlenver uit elkaar, maar op zondag hebben we hetzelfde ding te doen. Hoe is het gekomen dat we de ander uitsluitend beoordelen aan de hand van zijn opvattingen en ideeën? Terrin: Als ik fotografeer, loop ik in de rafelranden van een stad, in straatjes waar verder uitsluitend bewoners komen. Ze zien iemand rondlopen die foto's neemt en de eerste reflex is om daar als een soort waakhond op af te stormen. 'Wa doede gij hier?' 'Ik neem foto's.' 'Waarom? Wa gade daarmee doen?' Niet zo veel. En voor je het weet, is de mens ontdooid en toont hij je waar de echt mooie zichten zijn. Het is een verre sprong, maar voor mij is literatuur ook zo'n ontmoetingsplaats. Ze biedt je de kans mensen van allerlei slag van nabij te leren kennen. Wieringa: Daarom stel ik voor opvattingen te beschouwen als slechte adem. Je neemt een beetje afstand, maar je keert de persoon niet de rug toe. De regen ratelt op het houten dak van de barak. 'Kom even hier staan, Tommy, voor het raam', vraagt Terrin. Het licht strijkt, de avond kondigt zich aan, nog snel wil de fotograaf in Terrin de duisternis voor zijn. Met een camera van bijna vijftig jaar werkt hij analoog en in zwart-wit. Knettergek werd hij van de overmaat aan mogelijkheden van de digitale fotobewerking. 'Op alle vlakken ben ik een sobretariër geworden. Ik geniet almaar meer van minder', glimlacht hij. 'Hij heeft een portret van mij gemaakt dat ik het allerliefst als portretfoto gebruik', vertelt Wieringa. 'Weet je nog, in Montpellier? Een hele mooie, vrolijke foto. Je kunt zien dat ik hem ken, dat ik me bij hem op mijn gemak voel.' Vriendschap verdraagt weinig woorden en dus staren we door het raam, naar de regendruppels die hortend strepen trekken, naar het water dat zwelt. 'Overstroomt het hier vaak?', vraag ik. 'Droogte is een groter probleem', antwoordt Wieringa. 'We zijn zo efficiënt in het afvoeren van water dat als er een druppel valt in het Drentse Wold die in drie weken door het systeem wordt geknepen en in de Waddenzee uitspoelt.' Het brengt ons bij het thema waarin Wieringa zich al een tijd heeft vastgebeten en waarover hij op verzoek van Johan Simons nu ook een theaterstuk schrijft. De klimaatcrisis. In zijn columns verwijst hij geregeld naar De onbewoonbare aarde van de Amerikaanse journalist David Wallace-Wells. Sommigen zouden het een alarmistisch boek noemen. 'Het kan niet te alarmistisch zijn', meent Wieringa. 'Het verwijt van alarmisme komt van mensen die kool en geit willen sparen, hier een windmolen, daar een zonnepaneeltje en verder gaan we door zoals we bezig zijn. Dat is absoluut onvoldoende. Deze tijd is een permanente noodtoestand, die maar nauwelijks zo wordt ervaren. Het is oorlog en pest tegelijk, niettemin gedragen we ons alsof alles zo zal doorgaan als altijd. Geruststellende gewoonten en ficties benemen ons het zicht op de crisis. We beschouwen oorlogen, hongersnoden, waterschaarste, Waldsterben en migratiestromen als geïsoleerde verschijnselen, terwijl ze thuishoren in het overkoepelende narratief van de klimaatcrisis. De mens is helaas superslim, maar een beetje te dom voor deze kwestie. Onze verbeelding schiet tekort.' Hij glimlacht. 'Ik zal er hopelijk iets nuttigs over schrijven.' Terrin: 'Ik ben benieuwd. Zoals vaak met actuele thema's laat ik ze liever op een onnadrukkelijke manier in mijn werk sluipen, ze worden de achtergrond waartegen mijn personages hun verhalen beleven.' Wieringa: 'Jij bent de tijd voor. Je schreef met De bewaker al een coronaboek voor er van een pandemie sprake was.'