Ik heb me pas laat bekeerd tot de cultus van Joseph Roth en daar kan ik niemand anders de schuld van geven dan mezelf. Jarenlang werd ik door zo veel vrienden en volslagen onbekenden om de oren geslagen met lof voor 's mans talenten dat ik me er op voorhand tegen wapende. Het was simpelweg onmogelijk, zo verzekerde ik mezelf - blasé, zelfs ietwat jaloers - dat een auteur zo veel torenhoge waardering kon verdienen uit zo veel kampen en scholen tegelijkertijd. Ten slotte las ik toch die vermaledijde Radetzkymars en kon niets anders besluiten dan dat het inderdaad een van de allerbeste romans betrof uit de vorige eeuw.
...

Ik heb me pas laat bekeerd tot de cultus van Joseph Roth en daar kan ik niemand anders de schuld van geven dan mezelf. Jarenlang werd ik door zo veel vrienden en volslagen onbekenden om de oren geslagen met lof voor 's mans talenten dat ik me er op voorhand tegen wapende. Het was simpelweg onmogelijk, zo verzekerde ik mezelf - blasé, zelfs ietwat jaloers - dat een auteur zo veel torenhoge waardering kon verdienen uit zo veel kampen en scholen tegelijkertijd. Ten slotte las ik toch die vermaledijde Radetzkymars en kon niets anders besluiten dan dat het inderdaad een van de allerbeste romans betrof uit de vorige eeuw. Overweldigd en overtuigd verslond ik in de daaropvolgende jaren de rest van het verhalende proza van Roth. Dankbaar dat het was vertaald, teleurgesteld omdat het al bij al niet zo'n omvangrijk oeuvre bleek te zijn als dat van bijvoorbeeld zijn Amerikaanse naamgenoot, Philip Roth, nog een schrijver die ik zeer bewonder. Heeft Philip - zo kan ik nooit nalaten te denken - ooit iets geschreven over Joseph? Zo ja: hoe luidde het oordeel van een naoorlogse Joodse Amerikaan over een melancholische Hongaars-Joodse Oostenrijker uit het interbellum? En is dit wel een relevante vraag, of gaat het om een literair gezelschapsspel voor ingewijden? Het is een kwestie die ik met plezier zal voorleggen tijdens een volgende bijeenkomst van het Joseph Roth Genootschap. Dat zulk genootschap bestaat en floreert, zelfs in een andere taal dan die waarin de auteur oorspronkelijk schreef, bewijst diens kwaliteit en blijvende belang. Het is weinig schrijvers gegeven, dood of niet dood, om zo'n club van gangmakers te bezitten, zelfs in de eigen moedertaal en het eigen land van herkomst. Ik stel vast, met pijn in het hart: het Gerard Walschap Genootschap is al jaren opgedoekt bij gebrek aan belangstelling, het geboortehuis van de grote Herman Teirlinck werd maar ternauwernood van de afbraak gered - vandaag is het een bescheiden artistieke ontmoetingsplaats - en van mastodonten als Louis Paul Boon en Cyriel Buysse wordt nog slechts een fractie van het oeuvre heruitgegeven. Roths werk lijkt daarentegen in het Nederlands alleen maar aan te groeien. Dat is vooral te danken aan de bezielster van zijn Nederlandstalige genootschap, docente en vertaalster Els Snick. Onder haar auspiciën en milde bekeringsdrang komt het Genootschap niet alleen jaarlijks samen onder - naar verluidt - gunstige culinaire gesternten, het stimuleert ook de verschijning van interessante secundaire literatuur van en over Roth. In de schilderkunst leert men de meesterlijke vakman beter kennen door zijn verwaarloosde schetsboek dan door zijn bekendste doeken. Uit de probeersels en de miniaturen rijst de werkmethode van het genie veel duidelijker op. Zijn speelsheid, zijn twijfels, zijn tics, zijn angsten: ze liggen open en bloot, nog niet verborgen onder het etiket 'onaantastbaar meesterwerk'. Wie meer houdt van een laboratorium dan van het afgewerkte medicijn, zal zijn hart ook kunnen ophalen aan Spoken in Moskou. Men vindt er om te beginnen de melancholische humor in terug uit Roths romans. Samen met dezelfde messcherpe observaties, dezelfde poëzie met weerhaken, dezelfde aanklachten vol deernis. Maar de aandachtige lezer zal er zowaar ook iets van opsteken. Dat was natuurlijk de uitdrukkelijke bedoeling van de reisreportages. Onbedoeld valt er echter ook veel te leren van Roths persoonlijke ontboezemingen aan vrienden en geldschieters. 'Ik leef in voortdurende angst dat de krant er genoeg van zal krijgen [van zijn bijdragen]', zo biecht hij al in een vroeg stadium van zijn Ruslandreis op. Al is het bij Roth nooit helemaal duidelijk of hij als briefschrijver aast op complimentjes of een lening, of op beide tegelijk. Niet zelden schemert in zijn briefbekentenissen ook een hoop eenzaamheid door, omgezet in loftuitingen en dankbaarheid zonder enige ironie. 'Ik kan nauwelijks beschrijven hoe blij uw brief mij heeft gemaakt', zo begint hij zijn antwoord aan criticus en collega Benno Reifenberg. Op dat moment bevindt Roth zich in Odessa. Zijn latere beschrijving van die stad zal duidelijk maken waarom een brief van een verre vriend een dagenlang hoogtepunt van hoop en vreugde kon betekenen. De beschrijving van andere steden is zo deprimerend dat je ervan uitgaat dat ze nog altijd grossieren in mistroostigheid. '[Alleen in Bakoe en Odessa] heb ik een paar mooie uren beleefd.' Tegelijk dwingt zo'n briefwisseling Roth ook tot het erkennen van zelftwijfel, oog in oog met de taak die hij zich heeft gesteld. 'Er is over Rusland nog zo weinig bekend. Er klopt niets, maar dan ook niets van wat erover geschreven wordt.' Zo luidt de taak. De twijfel luidt als volgt: 'Ik blijf hier niet zo lang als gepland. Het probleem is geld. [...] Ik mis mijn kamer in het Frankfurter Hof [en] ik mis Parijs! [...] Ik ben een Fransman uit het oosten, een aanhanger van het humanisme, een rationalist die gelooft, een katholiek met joodse hersenen, een echte revolutionair... Hoezeer geef ik me hier bloot? Vergeef me deze uitbarsting!' Maar juist zo'n vat vol tegenstrijdigheden blijkt een geschikte gids te leveren om, ook voor de lezer van vandaag, een postrevolutionair halfcontinent als de Sovjet-Unie enigszins te duiden, hoewel het toentertijd amper een decennium bestond. De ruïnes van het oude bestel smeulden nog, de hoop op verandering was nog volop tastbaar, de radicale vernieuwingen volgden elkaar in snel tempo op en de eerste ingebakken kwalen lieten zich al gewaarworden... Welke schrijver laat zich niet verleiden om zo'n meervoudig keerpunt van dichtbij mee te maken? In een eerdere bundeling van artikelen, Joden op drift, legde Roth in een onvergetelijk mozaïek het Joodse leven in Europa vast, kort voor de Holocaust. Vaak ging het om vluchtelingen die, al dan niet tevergeefs, via westelijke routes bescherming zochten tegen de pogrom- en oorlogsdreigingen in Centraal- en Oost-Europa. In Spoken in Moskou wordt het mozaïek in de tegenovergestelde richting gelegd. Het vertrekt in Centraal-Europa en breidt zich steeds verder uit naar het oosten. Hoe nieuw is die nieuwste mens eigenlijk, in de pasgeboren heilstaat van bevrijde proletariërs? Is hij wel zo nieuw? En hoe menselijk zal hij kunnen blijven? Saai wordt het daarbij zelden, tenzij wanneer Roth-de-journalist ons ervan lijkt te willen overtuigen dat hij zijn research grondig heeft volbracht. In 'De vrouw, de nieuwe geslachtelijke moraal en de prostitutie' geeft hij ons een dorre opsomming van gloednieuwe wetten, goddank voorafgegaan door een van die tongue in cheek-oneliners waarop hij het patent heeft: 'De zonde is in Rusland even banaal [geworden] als bij ons de deugd.' Pas daarna, ten bewijze, komt dus die lange opsomming. Roth sluit ze af met, eveneens goddank, een vreugdevuur van oneliners: 'West-Europa kan van de nieuwe Russische wetten veel, van de sociale voorzieningen alles, van de zogenaamde nieuwe geslachtelijke moraal helemaal niets leren. Want die is achterhaald en bij momenten reactionair. Het is bijvoorbeeld reactionair de handkus te verbieden - uit angst dat de vrouw gedegradeerd zou kunnen worden tot dame.' Dit artikel over seks en moraliteit laat zich trouwens, net als 'De Russische vrouw van vandaag', op meerdere plaatsen lezen als een prikkelende bijsluiter avant la lettre van de hele #MeToo-discussie, met inbegrip van de terechte aanklachten en de jammerlijke ontsporingen. En wie overigens, met een pen in de aanslag, op zoek wil gaan naar nog meer frappante boutades, mag zich de borst natmaken. Hij riskeert niet alleen in deze twee artikelen, maar in het hele boek meer passages aan te moeten strepen dan regels ongemoeid te laten. ('Prostitutie is in Rusland een kort kapittel. Het is bij wet verboden.') Ook in 'De positie van de Joden in Sovjet-Rusland' slaat Roth je eerst met zo veel concrete cijfers en statistieken om de oren dat je de draad van zijn uiteenzetting bijna verliest. Maar ook hier trekt hij, na het inventariseren van alle denkbare soorten Joden, opeens de ene na de andere conclusie waarvan je niet goed weet of het gaat om een weloverwogen oordeel dan wel om een verveelde provocatie: 'Van alle proletariërs is de Jood er volgens mij het slechtst aan toe.' Kort daarna beweert hij ook dit: 'De Russische boer is in de eerste plaats boer en dan pas Rus; de Joodse boer is in de eerste plaats Jood en dan pas boer. [...] Terwijl de boeren om hem heen nu pas met veel moeite leren lezen en schrijven, denkt de Jood achter zijn ploeg na over de problemen van de relativiteitstheorie.' De echte relativering van al het cijfermateriaal volgt evenwel later, in weer een ander stuk, 'Jevgraf of het geliquideerde heldendom'. Gezien zijn felheid mag het een van de centrale artikelen worden genoemd, hoewel het handelt over een inmiddels lang vergeten revolutionair toneelstuk. 'In Rusland heerst het fanatisme van de statistieken, de verering van het getal, dat de status van argument heeft verworven. Zoals bekend is niemand trotser, gelukkiger en belachelijker dan de ideoloog die kans ziet "feiten" op te sommen. Nu, zo verbeeldt hij zich, heeft hij de "realiteit" bij de lurven te pakken.' Roth-de-romancier verzet zich hevig tegen deze aanmatiging en lijkt zodoende zijn weinig positieve eindoordeel voor te bereiden. Niet alleen voor zichzelf persoonlijk, als auteur en vrijdenker bedoel ik. ('In het huidige Rusland [moet] een intellectueel zich opofferen als hij wil dienen. Hij offert zich niet op aan de idee - wat immers geen offer zou zijn -, maar aan het dagelijks bestaan.') Maar ook in een breder maatschappelijk verband ziet Roth in de Sovjet-Unie meer gevaren en problemen opdoemen dan oplossingen of verlossingen. Dat inzicht groeit gaandeweg. Eerst zoekt hij nog naar pluspunten, waar en wanneer hij kan, en zonder blind te blijven voor de ontzaglijke obstakels, in domeinen als het onderwijs of de landbouwhervormingen. Hij betuigt volop zijn sympathie voor de onbeduidende kleine garnaal die met het tsarisme niet alleen zijn onderdrukking maar ook zijn rol in het leven en zijn plaats in de kosmos lijkt te hebben verloren. Hij voelt ook bij voorbaat deernis voor de kleine revolutionair die, na jaren van heroïsche schermutselingen, toch weer het gevecht zal moeten aangaan met een alledaags bestaan - met een beetje meer staatssteun dan voordien, maar met veel meer bureaucratie, verbodsbepalingen en controles. Maar hij huivert ook steeds voelbaarder voor de nieuwe elites van de NEP-mens: de aalgladde, opportunistische producten van de Nieuwe Economische Politiek en haar bijbehorende nomenklatoera. Tegelijk bewondert hij voorzichtig de nieuwe adem in de pers, met echter de nodige kanttekeningen die naadloos lijken te refereren aan ons fake news-tijdperk: 'Het is fysiek onmogelijk een foto van jezelf te maken, een ding kan zichzelf niet waarnemen door de lens. Daarom staan er in de Russische kranten bijna louter juiste feiten en louter valse berichten; bekentenissen zonder toelichting; verklaringen zonder foto's.' Hij slaat en zalft alom, terwijl hij zijn burgerlijke vooroordelen probeert te relativeren en zijn sociale sympathieën probeert te temperen. Maar uiteindelijk is zijn oordeel hard. 'Ik raak er steeds meer van overtuigd dat Marx verschillende uiterst belangrijke factoren gewoon is vergeten mee te rekenen. Dat er een tijd kon komen dat alle mensen dankzij de vooruitgang kapitalisten of in ieder geval psychisch kapitalisten, ik bedoel burgers zouden kunnen worden - heeft hij hieraan gedacht? [...] Zelfs religies kennen een beperkte houdbaarheid. En dan zou de marxistische theorie eeuwig blijven gelden? [...] De wereldoorlog is de revoluties wel ten goede gekomen, maar heeft het marxisme schade toegebracht.' Het valt niet te achterhalen welk gevoel bij Roth overheerste tijdens het opmaken van deze balans. Teleurstelling of kwaadheid, medelijden of afschuw. Een ding is echter zeker. Als de grandioze romancier die hij was, bleef hij - wars van ideologische twijfels en politieke gevolgtrekkingen - vooral oog hebben voor de levens van doodgewone stervelingen en passanten. Hij tekent ze met liefde, als waren ze lotgenoten, net als hij zonder kompas verloren gelopen in een veel te groot, veel te ingewikkeld universum. Zijn schetsen van die soms alledaagse taferelen leveren misschien nog de mooiste bladzijden op in dit zo diverse boekje. Sla bijvoorbeeld het relaas niet over van zijn grensovergang, in het stuk genaamd 'De grens Njegoreloje'. De beschrijvende miniatuurtjes kunnen concurreren met de mooiste passages uit zijn mooiste romans. 'De douanier controleert eerst de gezichten en daarna de koffers.' Vervolgens, tijdens de lange wachttijd, openen die koffers zich. Vanzelf, zo lijkt het wel. In deze 'grote, bruine houten zaal waar we allemaal naar binnen moeten'. Wat zich dan toont, aan spulletjes en speeltjes, aan levensmiddelen en clandestiene handelswaar, krijgt de allures van een rijkgevulde schatkamer. 'Smalle grijze schoentjes met zilveren gespen ontdoen zich van hun krantenpapier waarin ze zich verborgen moesten houden, pagina vier van Le Matin. Handschoentjes met geborduurde manchetten stappen uit een klein kartonnen doodskistje.' '[Njegoreloje] lijkt in niets op een normale grens tussen twee landen, het wil de grens zijn tussen twee werelden.' Dankzij Roth leren we een van die inmiddels verdwenen werelden alsnog een beetje beter kennen.