Het parcours van de parlementaire Congocommissie tot dusver is hobbelig. Vorige week gingen de debatten vooral over de positie van Laure Uwase, een 29-jarige juriste van Rwandese afkomst die samen met negen andere experts de Kamerleden adviseert. Open VLD, MR en N-VA eisten het ontslag van de door CD&V voorgedragen expert, omdat ze zich aan negationisme van de Rwandese genocide zou hebben bezondigd. Toch blijft de timing overeind: uiterlijk volgende zomer moet er een rapport liggen met conclusies en aanbevelingen. De bedoeling is om zo de volledige waarheid bloot te leggen over het koloniale verleden van ons land, inbegrepen de periode van de Congo-Vrijstaat.
...

Het parcours van de parlementaire Congocommissie tot dusver is hobbelig. Vorige week gingen de debatten vooral over de positie van Laure Uwase, een 29-jarige juriste van Rwandese afkomst die samen met negen andere experts de Kamerleden adviseert. Open VLD, MR en N-VA eisten het ontslag van de door CD&V voorgedragen expert, omdat ze zich aan negationisme van de Rwandese genocide zou hebben bezondigd. Toch blijft de timing overeind: uiterlijk volgende zomer moet er een rapport liggen met conclusies en aanbevelingen. De bedoeling is om zo de volledige waarheid bloot te leggen over het koloniale verleden van ons land, inbegrepen de periode van de Congo-Vrijstaat. Vanuit Berkeley, Californië volgt Adam Hoschschild het op de voet. De Amerikaanse journalist en historicus heeft indirect bijgedragen aan de oprichting van de Belgische waarheidscommissie. In 1998 gooide hij met De geest van koning Leopold II een forse steen in de kikkerpoel. Onder zijn pen vervelde de Belgische monarch van een beschavingsfilantroop en slavernijbestrijder tot een hebzuchtige plunderaar en commanditeur van massamoorden. Het boek oogstte naast bijval ook kritiek, vooral van oud-kolonialen maar ook van enkele Belgische historici. Zij stelden onder meer de dodentol, die Hochschild op tien miljoen schatte, ter discussie. Echt nieuw waren zijn inzichten niet, dat geeft hijzelf grif toe. In de jaren tachtig al bliezen onderzoekers zoals ex-diplomaat Jules Marchal en historicus Daniël Vangroenweghe het stof van de vergeten gruwel in de Congo-Vrijstaat. Het is wel Hochschilds verdienste dat hij die bevindingen via een pageturner heeft gevulgariseerd, in het Engels bovendien. Intussen staat de teller op 750.000 verkochte exemplaren in vijftien verschillende talen. De blijvende impact lijkt gegarandeerd. Niemand minder dan Hollywood-acteur en -regisseur Ben Affleck heeft aangekondigd het boek te willen verfilmen. Hoe staat het met die verfilming? Adam Hochschild:(lacht) Hollywood is mijn wereld niet, vrees ik. Ik heb intussen geleerd dat er een groot verschil bestaat tussen het aankondigen en het draaien van een film. De rechten zijn al twintig jaar geleden verkocht, Ben Affleck heeft ze pas vorig jaar overgekocht. Hij is zo vriendelijk me de ontwerpscenario's te laten lezen, maar dat betekent niet dat ik echt inspraak heb. Toch ben ik er redelijk gerust op. Ik heb Affleck eind vorig jaar beter leren kennen tijdens een gezamenlijke verkenningsreis in Congo. Hij heeft goede bedoelingen. De geest van koning Leopold is een inspiratiebron voor Decolonize Belgium, een collectief dat onder meer ijvert voor het verwijderen van koloniale monumenten uit het straatbeeld. Dat zal u niet ontgaan zijn, want Leopold II figureert prominent in een opiniestuk dat u deze zomer voor The Observer schreef over de wereldwijde koloniale beeldenstorm. Hoe verklaart u die opstoot van iconoclasme? Was de dood van George Floyd in Minneapolis op 25 mei de grote katalysator? Hochschild: De schokkende beelden van zijn dood hebben zeker voor een versnelling gezorgd, maar ik zou de rol van Black Lives Matter niet overdrijven. De frustraties over koloniaal eerbetoon woekeren al veel langer, en niet alleen in de Verenigde Staten. Ik werd er voor het eerst op gewezen door vrienden in Kaapstad, waar campagne werd gevoerd tegen een standbeeld van de Britse imperialist Cecil Rhodes. Niet veel later stak in de VS een storm op over de herdenking van de Amerikaanse Burgeroorlog. Niet verwonderlijk, want in zuidelijke staten struikel je over monumenten en naamborden die generaals en leiders van de Confederatie en dus ook de slavernij verheerlijken. Maar ook in het noorden leeft het sterk. Zo woedt er een hevige strijd over de beeldengroep rond Theodore Roosevelt voor het Museum of Natural History in New York. In feite heeft het allemaal met empowerment te maken. Naarmate minderheden meer politiek gewicht krijgen, neemt de druk toe om het verleden te heroverwegen waaronder ze gebukt gaan. België heeft een relatief kleine gemeenschap met roots in Congo, daarom is de Decolonize- beweging bij jullie trager op gang gekomen dan bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk, waar ruim twee miljoen mensen van Afrikaanse origine leven. Theodore Roosevelt stond aan de wieg van het Museum of Natural History in New York: dat is toch een verdienste? Hochschild: Het is een ruiterstandbeeld: de president zit hoog op zijn paard, geflankeerd door een Afro-Amerikaan en een inheemse Amerikaan, die als ondergeschikten te voet gaan. Die compositie weerspiegelt een etnische hiërarchie waarin blank synoniem is voor superieur. Ik heb naar die case verwezen in een essay over het nieuwe Africa- Museum in Tervuren dat in januari in The Atlantic is verschenen. Eerlijk gezegd, ik was erg benieuwd naar jullie nieuwe museum. Tijdens de research voor mijn boek over Leopold II ben ik vaak in Tervuren geweest, maar dat was halverwege de jaren negentig. Het vernieuwde AfricaMuseum opende twee jaar geleden met de belofte van een kritische blik op het koloniale verleden. Was u onder de indruk? Hochschild: Ik was aangenaam verrast door de sectie over de koloniale geschiedenis. Je kunt er luisteren naar interviews met Congolese historici, er worden beelden getoond van de wreedheden in de rubberstreek, er ligt zelfs een exemplaar van de beruchte chicotte waarmee talloze Congolezen werden gemarteld. Minder opgetogen was ik over de computerschermen. De informatie en de tijdlijn zitten vol trivia, zoals de oprichting van de eerste scoutsgroep in Congo. De Decolonize-beweging wekt ook ergernis op. 'Stop met dat gejammer over toestanden van honderd jaar geleden,' zeggen sommigen, 'de geschiedenis laat zich niet herschrijven, zeker niet met een moderne bril op.' Begrijpt u die reactie? Hochschild: Nee, dat zijn dooddoeners. De geschiedenis bepaalt wie we zijn en hoe naties en sociale groepen functioneren. Kolonialisme en slavernij zijn onderdrukkende, totalitaire systemen, te vergelijken met nazisme en communisme. Zelfs als ze verdwijnen, blijft er een erfenis die zich tot vandaag laat gelden. Dat is meteen wat mij als schrijver boeit: hoe wordt dat verleden herinnerd, en welke impact heeft het op onze maatschappij? Ik was onlangs in Selma, Alabama voor een reportage over alternatieve onderwijsmethodes. Mijn onderwerp bracht me naar een openbare school waar alle 400 leerlingen zonder één uitzondering Afro-Amerikaans waren. Witte kinderen gingen naar privéscholen, kreeg ik te horen. Die feitelijke apartheid vind je overal in de zuidelijke Amerikaanse staten, en ook in het noorden zijn er voorbeelden zat. Ze valt rechtstreeks te herleiden tot geschiedenis van de slavernij en de lange periode van extreme, door wetten gelegitimeerde segregatie en discriminatie die erop gevolgd is. Zo'n verleden schud je niet snel van je af. U hebt zowel over het kolonialisme als de slavernij gepubliceerd, begrippen die evengoed op een politiek systeem als op een tijdvak slaan. Welk verleden weegt het zwaarst? Hoschschild: Dat varieert. Een fenomeen zoals Black Lives Matters illustreert hoe mijn land nog altijd worstelt met zijn slavernijverleden. Het is trouwens fascinerend om te zien hoe hardnekkig sommige clichés zijn. Negentiende-eeuwse plantages roepen hier nog altijd associaties op met savoir-vivre en southern belles - de gruwel van de slavernij valt buiten het kader. Toch denk ik dat landen zoals België het nog moeilijker hebben om met hun koloniale verleden in het reine te komen, omdat de uitbuiting en de wreedheden op een ander continent plaatsvonden. De meeste Belgen vinden dat ze er niets mee te maken hebben, de kolonie is iets van die ene verre oom die al lang dood is. Daardoor kunnen ze gemakkelijk onverschillig aan koloniale monumenten voorbijlopen. Maar dat is een vorm van zelfbedrog. Veel van de rijkdom waarvan zij profiteren, is aan kolonialisme te danken. De geest van koning Leopold veroorzaakte in 1998 reuring in België. Is de kritiek intussen gaan liggen? Hoschschild: Zo groot was de beroering nu ook weer niet. In de Angelsaksische wereld is het boek unaniem lovend onthaald. Ook de Belgische kritieken waren goed, al geef ik toe dat ik alleen de Franstalige kon lezen. Ik herinner me een erg positieve bespreking door journaliste Colette Braeckman van de krant Le Soir, die er overigens terecht op wees dat de toestanden in de Congo-Vrijstaat bekend waren bij iedereen die met de Congolese geschiedenis vertrouwd was. De enige dissonant kwam van een belangenorganisatie van oud-kolonialen die mijn boek op hun website schandalig noemden. Na een poosje hebben ze die commentaar verwijderd, hij werkte immers als gratis publiciteit voor mijn boek. Nadien is het stil geworden - de meeste oud-kolonialen zijn wellicht overleden. De kritiek kwam ook van vakhistorici, zoals de gerespecteerde Jean Stengers. Hochschild: Dat klopt. Stengers, intussen overleden, liet zijn kritiek trouwens gepaard gaan met een sussende voorspelling: 'Niet te veel aandacht aan besteden,' schreef hij, 'over twee of drie jaar is dit boek vergeten.' (grinnikt) Hij was een interessante man. Ik heb zijn boeken destijds zorgvuldig gelezen. Een geweldig historicus, maar met één grote handicap: alles wat hij publiceerde, moest passen in een pro-monarchistisch wereldbeeld. Stengers staat niet alleen. In zijn veelbesproken nieuwe biografie van Leopold II trekt historisch auteur Johan Op de Beeck liefst vijf pagina's uit om uw boek als tendentieus te brandmerken. U zou van de vorst een monster gemaakt hebben, alsof hij haast in zijn eentje verantwoordelijk was voor de gruwelen in de Congo-Vrijstaat. Hochschild: De koning noemde zichzelf le propriétaire van de Congo-Vrijstaat. Welnu, dan mag hij ook verantwoordelijk worden gehouden voor wat er in zijn eigendom gebeurde. De Congo-Vrijstaat was een totalitair regime waar alles rond controle draaide. In zo'n systeem zijn het niet de leiders aan de top die concrete bevelen geven. Net zomin als Stalin in eigen persoon vuurpelotons commandeerde, gaf Leopold II de opdracht om in een bepaald dorp een quotum dwangarbeiders te ronselen of werkweigeraars met de chicotte te geselen. Maar hij was wél de architect van een systeem waarin zulke praktijken onvermijdelijk waren. Hij was het die steeds hogere rubberquota oplegde en die bonussen uitloofde om staatsagenten aan te sporen om tot het uiterste te gaan. Dat hij ook brieven schreef om zijn verontwaardiging over sommige wantoestanden te ventileren, dat is weinig meer dan een hypocriete reactie op de groeiende internationale kritiek. Zijn gewetensnood volstond in ieder geval niet om de rubberquota te verlagen. Ook Idesbald Goddeeris, hoogleraar koloniale geschiedenis in Leuven, noemt uw boek activistisch en weinig wetenschappelijk. Hij gaat, voor alle duidelijkheid, niet gebukt onder een pro-monarchistisch wereldbeeld. Hochschild: Is mijn boek activistisch? Oké, als daarmee wordt bedoeld dat ik de aandacht wilde vestigen op een plaats en een periode die getekend zijn door onnoemelijk leed. En door heroïsch idealisme, want ik heb het ook over het verzet tegen de wantoestanden in de Congo-Vrijstaat. Is mijn boek onwetenschappelijk? Nee. De feiten en data kloppen, en dat is mede te danken aan enkele Belgische experts die me genereus hebben gesteund. Jan Vansina, die in Wisconsin doceerde en in Amerika als de pionier van de Afrikaanse studies wordt beschouwd, heeft het manuscript van a tot z uitgevlooid. Daniël Vangroenweghe heeft me goede raad gegeven, en Jules Marchal is in de loop van mijn onderzoek een goede vriend geworden. Maar ik pleit schuldig, hoor: ik schrijf toegankelijke boeken met personages die bij de lezer empathie wekken. Ik heb al vaak ondervonden dat sommige vakhistorici het daar moeilijk mee hebben. Dat heroïsche idealisme wordt in De geest van koning Leopold belichaamd door Edmund Dene Morel, de bezieler van de campagne tegen de wreedheden in de Congolese rubberstreek. Hij vond een enorme weerklank in de Angelsaksische wereld, maar aanhangers van Leopold II probeerden hem af te schilderen als een lobbyist voor het Britse koloniale establishment. Hochschild: Morels idealisme staat buiten discussie. Hij heeft het mensenrechtenactivisme niet uitgevonden - dat was het werk van de Britse abolitionisten die al in achttiende eeuw massa's op de been brachten voor de afschaffing van de slavernij. Maar hij heeft het met zijn tomeloze energie en politieke feeling wel op een moderne leest geschoeid. Hij had een scherpe pen en maakte meesterlijk gebruik van foto's, hij kende zijn weg in het parlement en wist zowel beroemdheden als mecenassen voor zijn zaak te winnen. Tegelijkertijd was hij een complexe figuur. Morel was een groot bewonderaar van het Britse kolonialisme en bleef ook blind voor de wreedheden in Duits Afrika, waar een genocide tegen de Herero werd gepleegd. In diezelfde periode waren de Britten de Aboriginals in Australië trouwens aan het uitmoorden, terwijl de Amerikanen op de Filipijnen een bloedige koloniale oorlog voerden. Dat de wantoestanden in de Congo- Vrijstaat er toch uitsprongen, heeft alles met wilde rubber te maken. Het oogsten van dat goedje was zo'n verschrikkelijk werk dat het alleen lukte via dwangarbeid en het nemen van gijzelaars. Leopolds recepten werden trouwens in alle rubberstreken toegepast, door de Duitsers in Kameroen, de Fransen in hun evenaarskolonies en de Portugezen in Angola. Overal met dezelfde onmenselijke gevolgen. In 2004 publiceerde u met Bury the Chains een bestseller over die Britse abolitionisten. Had dat boek evenveel impact? Hochschild: Ja, maar op een andere manier. Auteurslezingen zijn een goede indicator om te achterhalen wie je bereikt. In eigen land werd ik vooral door Afro-Amerikaanse clubs uitgenodigd, vaak aan universiteiten die African-American Studies aanbieden. De voorbije jaren heb ik aanvragen gekregen uit een heel andere hoek: die van de klimaatactivisten. Ze vonden mijn boek inspirerend en hoopgevend. Als het gewone burgers tweehonderd jaar geleden lukte om ingrijpende veranderingen af te dwingen door de krachten te bundelen, waarom zou dat dan vandaag niet kunnen lukken?