Belgische thrillers munten uit door hun sfeerschepping, Angelsaksische door de oplossing van het raadsel. Dat schreef Michel Vermillac tien jaar geleden. Daar schuilt een opvallende waarheid in.
...

Belgische thrillers munten uit door hun sfeerschepping, Angelsaksische door de oplossing van het raadsel. Dat schreef Michel Vermillac tien jaar geleden. Daar schuilt een opvallende waarheid in. De Franstalige polar bekommert zich minder om de daad dan om de dader. Hij is meteen getormendeerder, vrouwelijker, dieptepsychologischer. De lijn die was uitgezet door Georges Simenon en Stanislas-André Steeman (de Luikse school) heeft nieuw bloed gekregen. Het wekte dan ook geen verbazing dat de nieuwe prijs van de Fintrobank voor eerste onuitgegeven manuscripten (vanaf dit jaar komt er ook een Vlaamse tegenhanger, maar die thematisch ruimer is opgevat) naar Isabelle Corlier ging.De Naamse Corlier, die in Brussel woont en haar kinderen overigens naar een Nederlandstalige school stuurt, brengt een uitgesproken stereoscopisch verhaal, het ene oog gericht op de grootstedelijke druk, het andere op het ongeremd primitivisme van het oerbos - het Zoniënwoud, dat tegelijk moord en verraad, vluchthaven en kerker is.Al snel geeft ze de blijkbaar ondoordachte moord en haar door het lint gegane moordenaar weg: onderzoeksrechter Aubry Dabancourt. Hij heeft net een (nadrukkelijk ongewenst) kind gekregen, dat de sleutel van zijn gedrag zal vormen. Zijn vrouw Caroline, van wie hij is weggedreven, sterft namelijk drie dagen na de bevalling, wat bij hem woede en zelfhaat uitlokt. Woede omdat hij heeft toegegeven aan haar egoïsme, zelfhaat omdat hij ze al een tijdje bedriegt met een advocate. Waarom liet hij zich ook met een baby opzadelen? 'Hij kon ze niet uitstaan, hun kreten niet en hun geur niet' naar de geur van geroosterde koffiebonen en het zich vastklampen aan Lily's weerloosheid, het is geen twee bladzijden verder. Het handje om zijn vinger, 'zo werd een absolute en onvoorwaardelijke liefde bezegeld', en zijn woede om Carolines dood wordt episch, razernij, wrok, onstilbare afscherming ook van Lily. Meer als excuus dan als opdracht.Er is enige willing suspension of disbelief nodig om daarin een aanvaardbare reden te herkennen voor de doodslag op een bankdirecteur die hem gevaarlijk de weg had afgesneden. Vernederd door diens hooghartige minachting als beiden stoppen op een parkeerhaventje in het Zoniënwoud grijpt hij een golfstok (geen 'gewone MP18-MMC' maar 'een Fli-Hi' - pietje precies die Corlier) en slaat de man onverhoeds tot moes. Het woud is de eenzame getuige. Of toch niet? Er is natuurlijk de krijsende Lily op de achterbank. In het bos zelf maken een hondenteef met verbrijzelde kop en stervende puppy's het enige zwakke geluid. (Overigens vormen honden een nuttige rode draad door het verhaal heen). Aubry ziet rond maar merkt niemand. Het zal uiteindelijk wel leiden tot een onverwacht spoor voor de koppige inspecteur Zakaria Bouhlal, die tot eigen verbazing belast wordt met het onderzoek.Het verhaal zelf hangt aan elkaar van kleine aanwijzingen en doorgedreven, weinig geloofwaardige leidraden, maar daar is het Corlier duidelijk niet om te doen. Wat haar bekommert is het inzicht in waarom mensen aan overacting doen, hoe sociale druk, beroepsnijd en onzekerheid vooral (in relaties, in zelfwaardering, in gedrag) het monster in de ogenschijnlijk goedbedoelende burger doen losslaan. Het is de gespletenheid om los te breken uit het dagelijks patroon én de ambities om de maatschappelijke ladder alsnog te beklimmen die de innerlijke duivel wakker schudt. Benepenheid en ongepaste trots wakkeren het vuur aan om de wetten te overtreden, om het instinct, het beest ook, te laten voorgaan op de sociaal geformatteerde burger en zijn vlakke, inspiratieloze bestaan. De wilde bosman tegen de genummerde mens. De engel en de duivel in elke mens, Aubry de beschermer van zijn dochter tegen Aubry de doorgedraaide doder. Zelfs de in schijn meest voorbeeldige mens is onderhevig aan die tweespalt; zoals lijkschouwster Fleur Janssen: 'Onder haar slanke uiterlijk van balletdanseres school een woeste (féroce) intelligentie die velen in de gangen van Portalis had doen bibberen'.Het contrast ligt inderdaad in de wezenlijke symbolen vervat. Er is de wufte, illusieloze grootstad (als je Brussel zo kunt noemen), waar de vrouw van de vermoorde zich op kunst heeft geworpen en maar al te goed weet had van haar mans overspeligheid. Er is de rauwe achterbuurt, waar vuilnisman Lambot en zijn vrouw al even verveeld naast elkaar leven. En er is de plek van de misdaad, het bos dat overweldigende indrukken oproept en het dier uit de mens laat komen. De wildernis is ingesnoerd door het toppunt van beschaving, maar ook de oorzaak van psychische aandoeningen en aandriften: de ring rond Brussel. Daar gebeurt in het licht wat zich in het woud afspeelt in duisternis: haat, moorddrift, wetteloosheid. Zoals de moderne mens zich agressief vanuit zijn schuilplek, die de auto vormt, gedraagt, zo liggen dieren op de loer om hun prooi te vangen. Het wezen van beide omgevingen is geweld. Ook de mens is zo'n wereld. Zijn verborgen geheimen en verlangens zijn schijnbaar toegedekt met zijn keurige maatschappelijke omgang en taak.Daar is Aubry het prototype van. Hij voert een pantomime op, voor zijn ouders, zijn collega's, zijn zelfingenomen baas, zijn ondergeschikte Zakaria die hij als neofiet stuurt in richtingen die van hem wegvlieden om de dans te ontsnappen. Of hij daarin slaagt, of er een deus ex machina alsnog de zaak oplost, of er zoals bij Holmes dingen niét gebeuren en daardoor de oplossing aandragen, laat ik in het midden. Zeker is dat Corlier te rade is gegaan bij de klassieken: 'Wie de goden willen verderven, slaan zij eerst met blindheid'. Dat past ze eigentijds aan, waarbij popmuziek klinkt als de waarschuwingen van de Pythia.In de Nederlandse versie is dat op de voorflap heel suggestief opgevangen met een beeld dat zo uit de film Lost Highway van David Lynch komt: een nachtelijk strook autoweg tussen duistere begroeiing en een maanloze, wolkeloze nacht, waarin alleen de baanlijnen oplichten. Jammer genoeg is de vertaling minder prijzenswaardig. Ze is stroef, houterig, vaak te letterlijk met wankele of kreupele zinnen tot gevolg, en soms ronduit hilarisch foutief. Zo is er in het begin een scène waarin Aubry met de aannemer over een dakherstelling praat, en wie dat gaat betalen. (Een overbodige scène om opvallend onopvallend het moordwapen in het verhaal te krijgen). Zegt die man: 'Als de schade is veroorzaakt door mijn ploegen, dan is het mijn politie die er zich over ontfermt'. Nou nou. 'C'est ma police qui prendra tout en charge'. Het zal wel de verzekeringspolis zijn zeker? Liever een stijlpirouette? 'Het kind vuurde blij grote glimlachen op hem af en brabbelde erop los terwijl ze de objecten aan de speelmobiel die voor haar hing dooreenschudde'. Wat stond er? 'L'enfant, amusé, lui décochait de grande sourires et babillait en agitant les mobiles qui lui pendaient avant les yeux'. Wellicht door automatische googlevertaling gesjeesd. Ontferm u mijner.Nee, eigenlijk verdiende Corlier beter dan de slaafse omzetting van haar typisch Franse, wat ronkende en versierende stijl. Al had ze zelf de onwaarschijnlijkheid van een reeks 'aanwijzingen' beter in toom moeten houden. De sfeer van de bossen houdt daarentegen wel stand, zij het met minder stuurse, minder norse, minder dreigende uitwasemingen dan in Patrick Delperdanges L'Eternité n'est pas pour nous. Daarin krijg je pas de barse, koude, onwillige Ardense karakters in een nukkige en weinig aantrekkelijke omgeving te zien. Voor een debuut is deze Ring Est niettemin een verademing, en maakt de doorwrochte schets van de personages, ondanks hun overbelichte ontsporingen, veel goed van wat er nog mangelt aan de plot. Corlier is een belofte, die het échte vertalen waard is.