...

Een dikke vijftig jaar geleden begon Christopher Tolkien met het publiceren van het nagelaten werk van zijn illustere vader J.R.R. Tolkien (1892-1973), auteur van The Hobbit (1937) en The Lord of the Rings (1954-1955). Allereerst verscheen The Silmarillion (1977), een soort epische synthese van de geschiedenis van Tolkiens imaginaire wereld Midden-Aarde. Vervolgens liet zijn ijverige zoon enkele bundels met losse verhalen verschijnen, essays, een brievencollectie, een band met tekeningen en een geschiedenis van Midden-Aarde in niet minder dan twaalf delen. In 2002 verscheen het laatste deel van die geschiedenis, maar ook daarna zijn er nog enkele nieuwe boeken aan het toch kolossale postume oeuvre van J.R.R. Tolkien toegevoegd. Toen vorig jaar Beren and Lúthen verscheen, merkte Christopher Tolkien echter in het voorwoord op dat het er nu, op zijn drieënnegentigste, vermoedelijk echt wel zo'n beetje op zat. Maar de slag om de arm bleek terecht. Opgelucht schrijft hij in het voorwoord van het onlangs gepubliceerde The Fall of Gondolin dat het toch nog één keer gelukt is om een volwaardige postume publicatie samen te stellen.Nu is het verleidelijk om The Fall of Gondolin af te doen als een publicatie die hooguit voor de allergrootste afficionados van Tolkien toegevoegde waarde heeft. Net als bij Beren and Lúthen en het in 2007 verschenen The Children of Húrin gaat het om materiaal dat al bekend is uit The Silmarillion, waarbij het in het geval van de twee laatst gepubliceerde titels dan ook nog eens om bundels gaat waarin verschillende en veelal onvoltooide versies van hetzelfde verhaal zijn samengebracht, voorzien van uitgebreid commentaar. De teksten in The Fall of Gondolin verschillen echter weinig van elkaar en bovendien missen de protagonisten de morele ambiguïteit die van The Children of Húrin een postuum meesterwerkje maakte.Toch schiet die conclusie tekort. Het verhaal over de val van Gondolin is net als de meeste vertellingen uit The Silmarillion gesitueerd in de eerste era van Midden-Aarde of 'Arda', zoals de correctere naam luidt. Aan dit tijdvlak hechtte Tolkien veel meer waarde dan aan de derde era waarin hij de gebeurtenissen uit The Hobbit en The Lord of the Rings liet plaatsvinden. Sterker nog, het was helemaal niet gepland dat The Hobbit zich in Arda af zou spelen. Pas toen zijn uitgever na het gigantische succes van dat boek om een vervolg verlegen zat, koppelde Tolkien de avonturen van Bilbo Baggins aan de geschiedenis van Arda. Het resultaat daarvan was The Lord of the Rings, een boek waarbij Tolkien aanvankelijk nogal ambivalente gevoelens had. Hem ging het om de eerste era, The Silmarillion had het magnum opus moeten worden waarmee hij niets minder ambieerde dan Engeland het nationale epos te geven dat het in zijn ogen ontbeerde. Van dat epos vormt het verhaal over de val van Gondolin de oerscène. Uit het commentaar van zijn zoon blijkt dat dit het eerste verhaal was waarin Tolkien Arda vorm begon te geven. Hij bleef het zijn leven lang herschrijven.Als reconstructie van Arda's oerscène biedt The Fall of Gondolin de mogelijkheid verder na te denken over de politieke dimensies van de door Tolkien geschapen wereld - een wereld die onmiskenbaar een enorme aantrekkingskracht bezit. Het gaat niet te ver om te stellen dat Tolkiens epische ambitie is geslaagd, al werd het geen nationale epiek, maar een planetaire. The Lord of the Rings is met een geschatte verkoop van 150 miljoen verkochte exemplaren het best verkochte boek van een individuele auteur ooit, de verfilming ervan heeft bijna tweeënhalf miljard euro opgeleverd. Maar belangrijker nog: Tolkien staat met zijn werk aan de basis van een compleet literair genre (fantasy), een hele reeks films en series en een vrijwel oneindige reeks producten uit de gaming industry. Er zijn vermoedelijk weinig mensen die niet op een of andere manier in aanraking zijn gekomen met Tolkiens verbeelding. En dan moet het Amazon-imperium nog beginnen met de serie. Episch conservatismeHet stemt droevig dat deze planetaire epiek zo nadrukkelijk is voortgekomen uit een conservatief, om niet te zeggen: reactionair verlangen. In een bespreking van het werk van George R.R. Martin wees ik er al op hoe eenduidig Tolkien moraal met herkomst verbindt: de slechteriken komen uit het oosten en zuiden, de goeden komen uit het westen en zijn, of het nu om mensen, elfen, hobbits of dwergen gaat, zonder uitzondering wit - deze racistische constructie werd overigens door de verfilming van Peter Jackson nog eens uitvergroot, zoals deze satirische trailer op een hilarische manier laat zien. Hoewel Tolkien enkele vrouwen opvoert die zich teweer stellen tegen de patriarchale macht - denk bijvoorbeeld aan Éowyn - zijn ze toch nadrukkelijk tot bijrollen veroordeeld en uitgesproken seksloos. Dat laatste geldt ook voor mannen: voor kameraadschap en liefde is er ruimte te over, maar dat die mannen eens seks met elkaar zouden hebben is ondenkbaar. Sekse is sowieso tot in het absurde eenduidig: zelfs wandelende bomen zijn ondubbelzinnig als man of vrouw.Als oerscène maakt het verhaal over Gondolin het conservatieve verlangen waaruit Arda is voortgekomen nog duidelijker. Gondolin is een stad die gebouwd werd door uit het aardse paradijs van Valinor verstoten elfen, na een conflict met de goden. De stad ligt verborgen tussen enkele bergketens en kan zich daarom lang onttrekken aan de vernietigingsdrang van Morgoth, de god van het kwaad. De elfen laten alleen leden van hun eigen stam binnen. In een gevallen wereld is Gondolin dus een soort feeërieke gated community, een verwezenlijking van de wens je veilig te kunnen afsluiten van de ontwikkelingen in de wereld om je heen - ongeveer zoals extreemrechts Europa graag vorm zou willen geven. Maar zoals de titel al duidelijk maakt, gaat Gondolin ten onder. De oorzaken van die ondergang - sowieso de rechtse obsessie bij uitstek - zijn veelzeggend. De rechtse verbeelding, zelfs als het daarbij een gematigd conservatisme betreft, is zo overtuigd van de suprematie van het eigene (de natie, het volk, de stam, enzovoorts), dat de ondergang nooit door een vijand ante portas bewerkstelligd kan worden. De val begint daarom altijd van binnenuit, met mensen die het eigene verraden, en decadentie.Voor het verraad is in Gondolin de elf Maeglin verantwoordelijk, de zoon van Eöl die de donkere elf werd genoemd en zich nadrukkelijk buiten de elfensamenleving plaatste. Maeglin leeft wel bij zijn stamgenoten, maar houdt zich vooral bezig met het delven van edelstenen in mijnen diep onder de bergen rond Gondolin. Zijn wapendier is de mol, een dier dat bij uitstek met ondermijning en duisternis geassocieerd wordt. Zijn verraad is gemotiveerd door wellust: hij wil namelijk Idril, de dochter van Gondolins koning Turgon. Idril moet niets van hem hebben, bovendien zou een verbintenis tussen de twee in de beschaving van de elfen als incest gelden, Idril is Maeglins volle nicht. Deze combinatie van donkerte, hebzucht en perversie maakt Maeglin tot een figuur die honderd jaar geleden in nationalistische literatuur de Eeuwige Jood werd genoemd, of de Bolsjewiek - wat in de meeste gevallen zo ongeveer op hetzelfde neerkwam. Tegenwoordig staat deze figuur bekend onder uiteenlopende namen als de Allochtoon of de Linkse Landverrader.Gondolins zwakte manifesteert zich als een gebrek aan kadaverdiscipline. De zeegod Ulmo, die van alle goden het dichtst bij de elfen staat, wil Turgon ervan overtuigen gezanten te blijven sturen naar Valinor, die daar de zaak van de verstoten elfen bepleiten en de goden en achtergebleven elfen mobiliseren in de strijd tegen Morgoth. Turgon stopt daar op zeker moment mee, om een nogal overtuigende reden: van de door hem gestuurde elfen wordt nooit meer iets vernomen. Ze verdrinken in Ulmo's oceaan. Om Turgon toch weer te bewegen elfen op pad te sturen rekruteert Ulmo Tuor, telg uit een nobel mensengeslacht dat altijd loyaal met de elfen heeft meegevochten in de strijd tegen Morgoth. Die trouw heeft ertoe geleid dat Tuor als kind tot slaaf werd gemaakt. Na zijn ontsnapping leeft hij eenzaam in de wildernis, wat hem tot de ideale rekruut maakt: hij heeft namelijk niets te verliezen. Tuor weet het verborgen Gondolin te vinden en wordt ook in de stad met alle egards ontvangen - hij mag zelfs met Idril trouwen -maar het lukt hem niet om Turgon te overtuigen.Desalniettemin vervult Tuor zijn plicht. Nadat Maeglin de locatie van Gondolin prijsgeeft en Morgoth zijn legers aan laat rukken, leidt hij - na een heroïsche rol in de verdediging van de stad - een klein deel van de elfen weg naar de oevers van de zee. Uit zijn huwelijk met Idril komt Eärendil voort, de onverschrokken blonde zeevaarder die er wel in zal slagen om Valinor te vinden, een pact met de goden te sluiten en Morgoth voorgoed te verslaan. De val van Gondolin is daarmee een soort purificatieritueel geworden, een armageddon dat noodzakelijk is om de geschiedenis naar het heil te voeren. Het kost niet veel moeite om hierin de notie van oorlog als zuivering te herkennen dat in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw zo populair was onder conservatieven, of de burgeroorlog tegen Europese mensen van kleur waarover veel rechtsextremisten momenteel fantaseren. Een geschiedenis voor mannenHet zal bovendien duidelijk zijn dat voor Tolkien mannelijke leiders de drijvende kracht achter de geschiedenis zijn. Economie speelt geen rol, sociale dynamiek evenmin - überhaupt lijkt er voor Tolkien, om Margaret Thatchers beroemde maxime aan te halen, niet zoiets als een maatschappij te bestaan. Er is alleen de leidende man, zijn antagonisten en zijn kapiteins, en verder een anoniem, volgzaam en bovenal homogeen volk. De modus vivendi van deze leidende man is die van onbaatzuchtige dienstbaarheid aan de goede zaak, zijn middel is geweld en zijn beloning is roem - en een vrouw, uiteraard. Laten we de trophy wife uit The Fall of Gondolin eens nader beschouwen. Haar functie in het verhaal is volledig gerelateerd aan de mannelijke leiders: ze is de dochter van Turgon, de beminde van Maeglin, de man van Tuor en de moeder van Eärendil. Toegegeven, ze voorziet de val van de stad en bereidt de vlucht van de groep voor die Tuor uiteindelijk in veiligheid zal brengen. Maar ook daarin is ze minder een zelfstandig agerende vrouw dan een symbolische baarmoeder die verantwoordelijk is voor het voortbestaan van de stam na de purificatie. En dan is daar haar uiterlijk. Idril is mooi, maar op een specifieke manier: Very fair and tall was she, well nigh of warrior's stature, and her hair was a fountain of gold. Idril she was named, and called Celebrindal, Silver-foot, for the whiteness of her foot; and she walked and danced ever unshod in the white ways and green lawns of Gondolin.Met andere woorden: haar schoonheid is direct gekoppeld aan haar witte huid. Des te wranger dat het hier om een precaire schoonheid gaat, één die onmisbaar is om de geschiedenis tot een goed einde te brengen en dus voortdurend door donkerte wordt bedreigd. Het is namelijk deze voorstelling die ten grondslag ligt aan het even racistische als misogyne vertoog over 'omvolking' en 'witte genocide' dat de afgelopen jaren zo salonfähig is geworden. Wie zich nog altijd vertwijfeld afvraagt hoe dat toch zo gemakkelijk gebeuren kon en waarom er zo weinig verweer tegen is, doet er goed aan om The Fall of Gondolin te lezen en zich rekenschap te geven van Tolkiens populariteit. Het gaat er dan natuurlijk niet om Tolkien verantwoordelijk te maken voor de normalisering van openlijk racisme in onze tijd, maar om de vanzelfsprekendheid waarmee dit soort ideeën deel uit kunnen maken van onze culturele mainstream. Het rechtse karakter van Tolkiens epiek komt nog in een aantal andere aspecten terug. Zo is persoonlijk geluk, zelfs in de vorm van lichamelijk en geestelijk welbehagen, taboe. Als Tuor tijdens zijn vele omzwervingen te lang verwijlt in een pastoraal rivierlandschap vol wilgen en bloemen, stijgt Ulmo persoonlijk op uit de diepte van de oceaan om hem aan zijn plicht te herinneren. Voorts zijn de figuren nadrukkelijk onlichamelijk: ondanks de amoureuze intrige hebben ze geen seks. Hoe Idril de bevalling doorstond blijft eveneens onbeschreven. Zelfs de beschrijving van verwondingen die de protagonisten oplopen zijn opvallend summier, wat maakt dat het vele geweld op een steriele manier geromantiseerd wordt. Verder is het kwaad in Tolkiens wereld eendimensionaal: Morgoth is zonder meer de Vijand, waarom hij zo slecht is, wat hem in zijn machtshonger en vernietigingsdrang drijft, het blijft allemaal onbesproken. Daarmee hanteert Tolkien een visie die elke mogelijkheid op verzoening, ontwikkeling of synthese bij voorbaat uitsluit. Het kwaad is het Kwaad en dat moet vernietigd worden. Natuurlijk zijn er elementen in The Fall of Gondolin aan te wijzen die haaks op het rechtse karakter staan. Tolkien maakte als dienstplichtig soldaat de slag aan de Somme mee en zijn afkeer van mechanische oorlogsvoering klinkt duidelijk door in zijn beschrijvingen van Morgoths legers. Tout court is Tolkiens wereld een fundamentele afwijzing van elke vorm van industrialisering. Maar zo'n afwijzing is niet zonder meer progressief. Tolkien wil de industrialisering buiten zijn wereld houden om een romantische droom over het ongerepte, het zuivere en het heroïsche mogelijk te maken. Hij staat met zijn rug naar de toekomst toe. Voor een epiek die houvast biedt bij alle moeilijkheden die onze tijd met zich meebrengt, zullen we het echt elders moeten zoeken. Gijsbert Pols