Voor royalisten en republikeinen/ voor dokters en analfabeten/ een boek met een register van al de beroemde liedjes der tien laatste jaren/ kortom: onmisbaar gelijk een kookboek/ "Wat ieder meisje weten moet"
...

Voor royalisten en republikeinen/ voor dokters en analfabeten/ een boek met een register van al de beroemde liedjes der tien laatste jaren/ kortom: onmisbaar gelijk een kookboek/ "Wat ieder meisje weten moet" Dat was de jubeltekst die Paul van Ostaijen in 1921 op de band rond de eerste druk van Bezette stad liet zetten. Honderd jaar later moeten we vaststellen dat misschien niet alle meisjes kennisnemen van Bezette stad, maar er is geen enkele kookboekenhype die de auteur van die dichtbundel in de schaduw heeft gesteld. Van Ostaijen verblufte de wereld na de Eerste Wereldoorlog dan ook met gedichten die zowel qua vorm als qua inhoud helemaal nieuw waren. Hij slaagde erin poëzie te maken van de gruwel en wanhoop van die oorlog. De gedichten resoneren een eeuw later nog steeds. Schrijver Matthijs de Ridder zag zich tijdens de lockdown van vorige lente genoodzaakt om zijn archiefonderzoek voor zijn biografie van Van Ostaijen tijdelijk te staken. Hij had het geluk dat Willem Bongers-Dek van het Vlaams-Nederlands huis deBuren hem net op dat moment vroeg om samen online een 'Besmette stad' te stichten. Daaruit kwamen leesateliers voort over Bezette stad, een bloemlezing met werk waarvoor kunstenaars zich lieten inspireren door Van Ostaijen, en een boek dat De Ridder over Bezette stad schreef. Daarin vertelt hij het hele verhaal achter de bundel, en dat is vandaag misschien wel nodig. Als we De Ridder coronaproof opzoeken in zijn huis in de Antwerpse Lange Leemstraat, waar Van Ostaijen zowaar zelf heeft gewoond, is dat het eerste wat we hem voorleggen: zeker bij een eerste lezing is Bezette stad voor veel mensen volstrekt onbegrijpelijk. Matthijs de Ridder: Ik kan me heel goed voorstellen dat iemand die conclusie trekt na Bezette stad een eerste keer te hebben doorgelezen, ja. Je hebt een ingang nodig, en die was er voor mij ook niet meteen. Ik kan me zelfs niet veel herinneren van de eerste keer dat ik de tekst las. Het is niet een verhaal dat begint met 'Er was eens een stad in België, die hevig onder vuur kwam te liggen.' Nee, de lezer wordt meteen in de chaos van de Eerste Wereldoorlog gegooid. Maar zodra je een kleine sleutel hebt gevonden om aan Bezette stad te beginnen, merk je dat de gedichten eigenlijk heel open zijn. Ik heb over de bundel vaak lesgegeven aan studenten van het Antwerpse conservatorium, en dan zag ik altijd dat zij heel snel hun eigen verbeelding gebruiken om het verhaal te vertellen. De meest essentiële sleutel is natuurlijk eenvoudig: Bezette stad gaat over Antwerpen tijdens de Groote Oorlog.De Ridder: Ja. En Paul van Ostaijen kon enkel over die aan flarden geschoten wereld schrijven in een aan flarden geschoten poëzie. Maar het is ook in die periode dat de wereld waarin wij nog altijd leven, ontwaakt. Ook dat zorgt ervoor dat Bezette stad vandaag nog altijd zo tot de verbeelding spreekt. Mensen kregen voor het eerst toegang tot populaire massacultuur zoals de film. Dat hadden de ouders van Van Ostaijen natuurlijk nooit gekend. De lange negentiende eeuw was de eeuw van het platteland, met - als ik even mag overdrijven - vooral boerenromans en plattelandspoëzie. Als je Van Ostaijen leest, voel je dat de twintigste eeuw de eeuw van de stad wordt. Die energie was helemaal nieuw. Dat maakt de bundel ook zo levendig. De historische verwijzingen naar dat stadsleven zijn nog maar moeilijk te vatten. In die zin is uw boek, BOEM Paukeslag, een poging om Bezette stad van de vergetelheid te redden. U vertelt het verhaal van een Antwerpse wereld die ondertussen verdwenen is.De Ridder: Dat is de geste die ik doe. (lacht) Het is natuurlijk wel zo: de films waar Van Ostaijen over schrijft, zoals Fantômas, Zigomar en Chéri-Bibi, kennen we nu niet meer. Chéri-Bibi is zelfs niet overgeleverd. Maar boeken die tegenwoordig verschijnen staan natuurlijk ook vol verwijzingen die we misschien over twintig jaar al niet meer begrijpen. De Netflix-reeksen waar iedereen het nu over heeft, zijn dan allicht alweer vergeten. Maar Willem Elsschot kunnen we nog altijd heel goed lezen, zonder dat we daar Matthijs de Ridder bij nodig hebben.De Ridder: Misschien bewijst dat wel dat Van Ostaijen een interessantere auteur is? (grijnst)Typisch het antwoord van een literatuurwetenschapper.De Ridder:(lacht) Je hoeft ook niet elke verwijzing te begrijpen. Het is niet heel erg moeilijk om je iets voor te stellen bij het Antwerpse stadsleven van een eeuw geleden zonder alle films te kennen waar Van Ostaijen naar ging kijken. Er is ook voor iedereen nog veel te ontdekken. De online leesateliers die we met Besmette stad en deBuren organiseerden, waren op dat vlak geweldig. Ik heb aan die gesprekken met lezers ook inzichten overgehouden die ik in mijn boek kon gebruiken. We zagen vaak andere dingen in de tekst, waardoor we soms samen tot nieuwe interpretaties kwamen. Heel inspirerend. Maar lijkt het dan niet wat meer op puzzelen, waarbij het plezier meer zit in het uitklaren van de verwijzingen dan in de literatuur op zich?De Ridder: Soms kom je er inderdaad pas laat achter dat Van Ostaijen iets als grap bedoelde, en blijkt het ook nog een goeie grap te zijn. Maar dat gepuzzel heb ik meer met postmoderne schrijvers. Daarbij moet iedereen zelf maar een verhaaltje bij elkaar zien te zoeken. In Bezette stad verschaf je jezelf als lezer toegang tot een hele wereld. Er zit heel veel van Van Ostaijen in dat je er echt wel uit kunt halen. In vergelijking met de beeldcultuur van vandaag heeft de experimentele typografie van Bezette stad haast iets schattigs. Hoe vernieuwend was de bundel in 1921?De Ridder:Bezette stad is uiteraard niet geheel origineel. Er waren daarvoor ook al wel experimenten geweest, maar voor het Nederlandse taalgebied was dit toch echt totaal vernieuwend. Van Ostaijen had een heel goede neus voor wat er allemaal bewoog in de kunsten, en wist ook heel goed wat hij goed vond en wat niet. Hij pikte uit het expressionisme, het dadaïsme, het futurisme en het kubisme de zaken die hij interessant vond en introduceerde ze in zijn poëzie. Van Ostaijen schreef Bezette stad ook in Berlijn. Hij zocht de moderne kunst daar echt op. Zonder die invloeden van Berlijn had hij een ander boek geschreven. De ambitie en de opzet van Bezette stad zijn ook internationaal ongezien. Daar ben ik de voorbije jaren meer van overtuigd geraakt. Bezette stad was altijd al wel opgenomen in de canon van de internationale avant-gardistische literatuur, maar de andere werken zijn vaak kleine experimenten en losse gedichten. Avant-gardisten schreven meestal hele dunne boekjes, al is het maar vanwege de praktische moeilijkheden om ze gedrukt te krijgen. De meeste drukkers bedankten in Antwerpen ook voor de opdracht om Bezette stad uit te geven, alleen een hele kleine drukkerij in de Scheldestraat wilde het proberen. Het is dan ook een totale compositie waarmee Van Ostaijen het hele verhaal wil vertellen van het leven net voor, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Het is het enige geslaagde experiment uit die periode van zo'n omvang. Dat was ook de reactie in de Engelstalige pers toen in 2016 de geweldige vertaling van David Colmer verscheen. Ik vind dat best iets om trots op te zijn. Vandaag laten schrijvers hun verhalen het liefst afspelen in het hippe New York, maar het is dus mogelijk om een verhaal in Antwerpen te situeren met universele en internationale zeggingskracht. Het is Van Ostaijen ook nooit echt nagedaan.De Ridder:Bezette stad is geboren uit een crisis. Zonder zo'n crisis mist zijn beeldtaal ook die urgentie. Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon past wel een soortgelijk principe toe. Dat is een roman van na de Tweede Wereldoorlog over een wereld die totaal kapot is. Boon heeft dus ook de roman totaal kapotgemaakt, en vertelt in een montage verhalen die niet noodzakelijk op elkaar aansluiten en die afgewisseld worden door het geroddel van de straat. Je kunt ook wel zeggen dat Bezette stad het begin was van het echte vrije experiment. Vele generaties van schrijvers kijken steeds weer terug naar Van Ostaijen, tot de meest extreme postmodernisten. Wat deed Paul Van Ostaijen tijdens de Eerste Wereldoorlog in Antwerpen?De Ridder: Hij was een ambtenaar die op het zogenaamde 'tweede bureel' van het stadhuis werkte. Hij was daar verantwoordelijk voor de administratieve opvolging van de burgerwacht. In de eerste instantie leek hem dat een rustig baantje waarmee hij zijn dandyisme kon financieren. In juli van 1914 schreef hij zelfs nog een gedicht over zijn saaie kantoorleven, maar in augustus breekt de oorlog uit. Op dat moment moet hij vol aan de bak, want die burgerwacht wordt samen met het leger gemobiliseerd. Na de oorlog krijgt Van Ostaijen een officieel bedankje voor het vele werk dat hij heeft geleverd op het stadhuis, maar in de loop van die jaren neemt hij natuurlijk ook de strijd van de Vlaamse zaak op. Van Ostaijen was er als avant-gardist van overtuigd dat hij het einde van een tijdperk beleefde, en dat er dus ook aan het Belgische koninkrijk snel een einde zou komen. Hij was geen opportunist die droomde van een Vlaanderen onder Duitse heerschappij, zoals sommige activisten die op zoek gingen naar een werkloze, Duitse prins om vervolgens onze nieuwe koning te worden. Vlaanderen moest in de ogen van Van Ostaijen een zelfstandige rol spelen in een nieuw en op socialistische leest geschoeid Europa. Bezette Stad is vandaag leesbaar zonder die flamingantische betekenis, maar dat vormde wel de essentie van het engagement van Van Ostaijen.De Ridder: Ja. En dat is ook niet onbegrijpelijk. Van Ostaijen heeft nog voor een groot deel in het Frans onderwijs gekregen, en ook in de culturele wereld was Nederlands toen absoluut niet vanzelfsprekend. Zijn broer zat in het leger, waar het Frans ook nog heel vaak de voertaal was, net als in de Belgische justitie. Voor Van Ostaijen was het niet meer dan logisch om een wereld te eisen waarin dit soort ongelijkheden niet meer bestonden en waarin de Franstalige bourgeoisie dus ook haar wil niet langer oplegde aan de Nederlandstalige onderklasse, om dat woord dan maar te gebruiken. Van Ostaijen hoopte dat het Belgische vorstenpaar na de oorlog zou eindigen als Louis XVI en Marie-Antoinette.De Ridder: Er staan inderdaad een paar toespelingen op Marie-Antoinette in het boek. De Belgische elite had volgens Van Ostaijen het imperialistische denken van het ancien régime nog niet afgeleerd. Hij hoopte dat de Eerste Wereldoorlog daar een eind aan zou maken, of dat de publicatie van Bezette stad de wereld zou veranderen. Dacht hij dat echt?De Ridder: Natuurlijk. Niet letterlijk, dat mensen na het lezen van zijn poëzie zouden ontwaken en in actie schieten. Hij zag zijn boek als een onderdeel van een onstuitbaar proces, zoals alle avant- gardisten over hun werk dachten. Maar Van Ostaijen had ook al heel snel door dat de revolutie na de Eerste Wereldoorlog niet zou uitbreken. Hij was geen dogmatische marxist, maar had vast wel genoeg van Karl Marx gelezen om te weten dat er eerst een diepe crisis nodig was om vervolgens een omwenteling te veroorzaken. Dat is niet gebeurd. Hij is daarover voor de rest van zijn leven teleurgesteld gebleven. De poëzie die hij daarna nog schreef was niet meer heel politiek, maar die teleurstelling in de mensheid is daarin wel goed te merken. Journalist Marc Reynebeau vergeleek Paul van Ostaijen tijdens de Eerste Wereldoorlog weleens met een hedendaagse Syriëstrijder. Hij radicaliseerde op een soortgelijke manier. Klopt die vergelijking?De Ridder: Niet helemaal, vind ik. Van Ostaijen bleef altijd voor alles een intellectueel en een kunstenaar. Het speelde zich voor hem allemaal af op papier. Hij was van ver wel betrokken bij de Raad van Vlaanderen, een organisatie die door activisten was gesticht. Maar op het moment dat hij zich moest voorstellen voor een functie bij de Vlaamse Rijkswacht doet hij dat met frisse tegenzin. Hij had verwacht dat ze hem wel zouden kennen als de dichter. Wanneer in 1918 de revolutie niet uitbreekt, neemt hij ook niet de wapens op om het kalifaat, of een onafhankelijke Vlaamse staat, eigenhandig uit de grond te stampen. Dat is toch een belangrijk verschil. Dat neemt niet weg dat zijn verlangen naar een revolutie zeer concreet was. Hij was in die zin wel degelijk staatsgevaarlijk. Hij moest na de oorlog ook naar Berlijn vluchten om een veroordeling te ontlopen.De Ridder: Het was zijn keuze om niet naar de cel te hoeven. Activisten die waren gebleven en veel meer hadden uitgestoken dan Van Ostaijen, kwamen er uiteindelijk nog makkelijk af. Hij was veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, omdat hij kardinaal Mercier had uitgefloten, en zou daar later nog acht maanden bij krijgen voor zijn betrokkenheid bij een activistische krant. Zou Paul Van Ostaijen vandaag een dichter zijn?De Ridder: Aan welk ander genre zou u gedacht hebben? Films maken ligt voor de hand.De Ridder: Het is moeilijk om daar vandaag iets over te zeggen. Hij was ook bij leven al niet enkel een dichter. Hij heeft proza, theaterteksten en zelfs al een filmscript geschreven. Hij probeerde ieder genre waarin hij schreef te vernieuwen. Het gaat dus misschien wel niet zozeer over welk medium hij precies gebruikt, het hangt er maar van af hoe jong hij zou zijn geweest toen Tiktok werd gelanceerd. (lacht)Maar zit er vandaag nog veel vernieuwing in de poëzie?De Ridder: Nu moet ik mijn teleurstelling uiten over alle dichters die na Paul van Ostaijen zijn gekomen? (lacht) Dat valt wel mee, hoor. Ik hoop natuurlijk elke dag een manuscript toegestuurd te krijgen waarvan ik achterover val, maar we leven natuurlijk wel in een andere tijd dan die van Van Ostaijen. Het is makkelijker iets nieuws te doen als er voor jou generaties en generaties dichters vooral de landelijke natuur en de seizoenen hebben bezongen in oertraditionele verzen, in plaats van na het postmodernisme te moeten komen en alle mogelijke -ismen die daar ook nog op zijn gevolgd. We zien nu juist de terugkeer naar een traditionelere vorm van schrijven. De periode waarin we vandaag zitten, kan wel echt iets in gang zetten, heb ik het idee. Het gaat me dan niet per se om de lockdown. Als Paul van Ostaijen heeft moeten concluderen dat de Eerste Wereldoorlog als crisis niet groot genoeg was om alles te doen veranderen, zal de coronacrisis dat ook niet voor elkaar krijgen. Maar we zitten wel midden in een informatiecrisis, waarvan ook al aanzetten in Bezette stad terug te vinden zijn. Van Ostaijen heeft het al over de waanbeelden die op dat moment rondgaan in de internationale en vooral de Duitse pers. Ze zijn volstrekt onwaarachtig en toch heel overtuigend voor veel lezers. Dat sijpelt hier nu ook door. Op WhatsApp en andere sociale media worden de godganse dag de grootste onzinverhalen rondgestuurd. De kunsten zullen zich hiertoe moeten zien te verhouden. Kortom: de echte kunstenaar is vandaag de factchecker?De Ridder: Ik wou dat ik het zelf had verzonnen. (lacht)