Het is de droom van elke schrijver om een boek te schrijven dat samenvalt met een stad', vertelt Koen Peeters. 'James Joyce heeft het met Dublin gedaan, Fernando Pessoa met Lissabon, en ik heb het geprobeerd met Oostende.' In 34 hoofdstukken trekt een alter ego van Peeters samen met zijn schildersvriend door de stad, op zoek naar wat haar voor zo veel mensen zo onweerstaanbaar maakt - en ook wel een beetje naar zichzelf. Gemakshalve staat er 'roman' op de cover, maar eigenlijk is Kamer in Oostende een verslag, een dagboek, een geschiedenis en een plattegrond in één.
...

Het is de droom van elke schrijver om een boek te schrijven dat samenvalt met een stad', vertelt Koen Peeters. 'James Joyce heeft het met Dublin gedaan, Fernando Pessoa met Lissabon, en ik heb het geprobeerd met Oostende.' In 34 hoofdstukken trekt een alter ego van Peeters samen met zijn schildersvriend door de stad, op zoek naar wat haar voor zo veel mensen zo onweerstaanbaar maakt - en ook wel een beetje naar zichzelf. Gemakshalve staat er 'roman' op de cover, maar eigenlijk is Kamer in Oostende een verslag, een dagboek, een geschiedenis en een plattegrond in één. Als journalist kunnen wij niet liegen zoals romanciers dat mogen, dus moet gezegd dat we Koen Peeters nergens anders dan in Leuven ontmoeten, bij hem thuis. Waarom hij nooit echt naar Oostende is verhuisd, mag hij ons straks uitleggen. Wat maakt Oostende zo veel bijzonderder dan de andere badsteden aan de Belgische kust? Koen Peeters: Het is eenvoudigweg de enige stad aan de kust. Volgende vraag graag. (lacht) Verschillende werelden, geschiedenissen en verhalen wrijven in Oostende tegen elkaar, en dat betekent ook dat er heel veel verschillende mensen door elkaar leven. Het is een sympathiek zootje. De grootste demarcatielijn loopt tussen de Oostendenaars die al hun hele leven in de stad wonen en de aangespoelden. Oostende is ook arm: een op de vier kinderen groeit er op in armoede. Al trekt de stad tegenwoordig ook welgesteld en jong volk aan. Radiomaakster Heidi Lenaerts is er zopas gaan wonen, net als schrijfster Heleen Debruyne. Dat is een heel ander publiek. Daartussen lopen in de zomer de toeristen, waar werkelijk alle soorten van mensen bij horen. Terwijl Oostende vroeger altijd met Brussel vergeleken werd, begint het inderdaad soms al wat op Gent te lijken. Peeters: Het is hipper geworden, ja. De gentrification is volop bezig. Een cultuurhuis als De Grote Post of het festival Theater aan Zee trekt die mensen aan. Je moet dat als stad maar doen, hoor. In Vlaanderen gebeurt eigenlijk alles in de ruit van Antwerpen, Gent, Leuven en Brussel. De Kempen - waar ik vandaan kom - Limburg en de Westhoek worden eigenlijk nog altijd achtergesteld, maar Oostende slaagt erin daar uit te breken. Wat trok u zo in Oostende aan om er een heel boek over te schrijven? Peeters: Er is een objectieve reden: toen ik aan de KU Leuven mijn eerste licentiaat communicatie deed, zat er iemand in de eerste kandidatuur die uit Oostende kwam. Ze is uiteindelijk mijn vrouw geworden, en dus kom ik al veertig jaar in Oostende. Drie jaar geleden heb ik besloten om samen met Koen Broucke, de schilder en een goede vriend van mij, elke maand twee dagen naar Oostende te gaan om de stad echt te ontdekken en te leren kennen. Ik vind het heel fijn om samen met een copain cowboy en indiaantje te spelen. Samen met Koen, Pascal Verbeken en Peter Holvoet-Hanssen heb ik ook al zo'n romantische bedevaart gemaakt naar Miavoye, het sanatorium waar Paul van Ostaijen aan tuberculose is gestorven. Daar hebben we toen ook een boek over gemaakt. In Oostende heb ik samen met Koen veel gesproken met mensen die ons de stad uitlegden. Van die gesprekken heb ik veel materiaal gebruikt. Maar het blijft wel een roman, zoals duidelijk op de kaft staat. Het kan altijd zijn dat ik gewoon lieg. (lacht)Kamer in Oostende is misschien vooral het verhaal van de vele, beroemde kunstenaars die er hebben geleefd. Peeters: Ik hoop toch niet alleen van de kunstenaars? Dat is net het mooie aan deze stad: iedereen leeft er door elkaar. Het boek gaat dus ook over een oud vrouwtje van wie ik een schilderijtje met een vissersboot heb gekocht, of over die ene vrouw die al 30 jaar in Brasserie Du Parc komt, al langer dan alle garçons die er werken. Ooit was ze succesvol, maar nu zit ze daar met een jasje met versleten vossenbont haar tarotkaarten te leggen voor zichzelf. Dat is zo schoon. Maar het klopt natuurlijk dat er veel kunstenaars in Oostende zijn gepasseerd. Bent u anders naar hun werk gaan kijken? Peeters: Vroeger vond ik Léon Spilliaert wel heel erg goed, terwijl ik nu een grotere fan ben van James Ensor. Spilliaert maakte een reeks geniale zelfportretten toen hij jong was en zijn hoofd vol zat met Friedrich Nietzsche en Edgar Allan Poe. Ook heerlijke nachtzichten van de dijk en de zee, natuurlijk, maar daarna heeft hij ook veel vreselijk slechte werken gemaakt. Ensor is voor mij een veel interessantere kunstenaar. De filosofie van Freud vind ik wel interessant, en het werk van Ensor zit vol met zulke symboliek. Hij had zelf een heel troebele relatie met seksualiteit, en schilderde vaak skeletten en maskers. Nog interessanter is hoe complexe relaties met ouders en voorouders doorwerken in de biografie van de kunstenaar. Er is altijd iets verborgen of verhuld, en vaak kunnen we dat amper benoemen. Ik doe niets liever dan daarnaar zoeken in de schilderijen én de levens van kunstenaars. Komt er in het werk van kunstenaars iets terug van het Oostende waar ze zijn gepasseerd? Peeters: De intrigerende zee, natuurlijk, maar ook het isolationisme. Het is een stad van maskers en zelfportretten, een plek waar je op je eentje moet verzinnen wat je wilt maken. De dichter Paul Snoek is op het einde van zijn leven in deze stad beland. Hij kwam er om te sneuvelen. Gaston Duribreux is ook een bijzonder geval, een hotelier die in de winter zijn boeken schreef. Op een bepaald moment was hij haast even populair als Stijn Streuvels. Streuvels schreef over de boeren, hij over de vissers. Is zijn werk terecht vergeten? Peeters:Het wrede spel vind ik echt een prachtig boek. Dat zou dringend eens heruitgegeven moeten worden, maar niemand wil naar mij luisteren. ( lacht) Wie was uw favoriet? Peeters: Uiteindelijk toch Hugo Claus. Hij heeft in Oostende De metsiers geschreven, zijn romandebuut. In deze stad heeft hij de wereld ontdekt. Uit een collaborerend West-Vlaams nest kwam hij plots terecht in een mondaine wereld waar Frans werd gesproken. Na de Tweede Wereldoorlog werden grote delen van de stad heropgebouwd, en in die drukte kwam Claus terecht. Hij leerde er ook Elly Overzier kennen, een prachtige blonde vrouw met wie hij snel zou trouwen. Ik had als kritische opmerking genoteerd: de passage van Marvin Gaye blijft in het geheel onvermeld. Waarom? Peeters: Helaas, Arno en Kamagurka komen ook niet voor in het boek, en een sympathieke lezer mailde me daarnet nog dat Karel Jonckheere evengoed afwezig is. Maar dat verhaal van Gaye kent iedereen al, er loopt zelfs een toeristisch parcours over hem door de stad. Al te bekende feiten over Oostende heb ik weggelaten, zoals ook die mop over Joseph Roth. Die mop over Joseph Roth? Peeters: Kent u die niet? Roth zat in de maanden dat hij in de stad verbleef altijd op café wijn te drinken, terwijl alle andere Duitse intellectuelen in Oostende vaak gingen zwemmen. De zomer van 1936 was ook echt prachtig. Toen iemand aan Roth vroeg waarom hij nooit mee ging zwemmen, antwoordde hij: 'De vissen gaan toch ook niet op café?' Het is een beetje een cliché geworden om in het werk van Roth van voor de Tweede Wereldoorlog echo's te lezen van onze eigen tijd. Peeters: U moet de briefwisseling tussen Roth en zijn vriend Stefan Zweig eens lezen die onlangs door Els Snick is vertaald. Zij waren de transmigranten van die tijd. De verschrikkelijke onrust in Europa die in die brieven doorschemert, is er vandaag ook. Het populisme rukt overal verder op, politiek lijkt steeds meer op slecht theater, maar het wordt wel perfect in beeld gebracht. Joseph Roth is in de eerste plaats een geweldige schrijver. In zo'n klein geschrift aan een tafeltje op café stukken schrijven voor de krant, die allemaal samen zo'n magistraal oeuvre zijn: je moet het maar eens proberen, als journalist. Mij zou het niet lukken. Kamer in Oostende is ook een verhaal van afbraak. De meeste hotels en cafés die u vermeldt, zijn al gesloopt. Peeters: Daar hebben de twee wereldoorlogen natuurlijk aanzienlijk aan bijgedragen. Het casino was vroeger een peperkoeken paleisje, maar dat is helemaal vernietigd door de Duitsers. Er zijn ook veel huizen uit de belle epoque afgebroken. Een echte schande. Vroeger was Oostende een chique stad, maar met de bouw van het Europacentrum is dat definitief veranderd. Dat is een afschuwelijk appartementsgebouw van 35 verdiepingen, op de plek waar vroeger het Theatergebouw stond. Dat Europacentrum nam de ziel van die wijk weg. Maar voor de Eerste Wereldoorlog zag Oostende er echt fantastisch uit. Dat was de erfenis van Leopold II. De gebouwen die in de plaats komen, zijn vaak vreselijk. Het Oostendse stadhuis lijkt nog het meest op een mistroostig asielcentrum. Peeters: Ik hou wel van die strakke modernistische stijl. Ook het gebouw waar nu De Grote Post in zit, het Casino en Mu.ZEE vind ik knap. De muur van appartementsgebouwen op de zeedijk is natuurlijk verschrikkelijk. Ik was enkele dagen geleden met Nederlandse journalisten op stap door Oostende en die keken raar op van onze Atlantikwall. Schrijver Eric De Kuyper is zelfs voor die flatgebouwen mild: ze hebben het uitzicht op zee voor veel mensen gedemocratiseerd, vindt hij. Daar zit ook iets in. Ik kan er nu ook al beter tegen. Een mens wordt soms toegeeflijker met de jaren. Is Oostende nog altijd een laatste plaats waar mensen naartoe vluchten? Peeters: Ja, ook voor mij. Oostende is het finis terrae, het einde van de wereld. Voor sommige mensen is het een terminus: arme mensen uit Wallonië die na hun pensioen naar Oostende verhuizen, of rijke koppels die er een duur appartement kopen. Het is onmogelijk om verder te vluchten, dus is het ook de plek om opnieuw te beginnen. Misschien wordt de mislukking hier wel draaglijk. Oostende heeft een unieke soort van feestelijke onrust. Voor veel mensen biedt de zee vaak ook niet de troost waarop ze hadden gehoopt. Oud-burgemeester Johan Vande Lanotte viel tijdens huisbezoeken vooral de eenzaamheid op. Peeters: Oostende is niet Tenerife of Benidorm, he. Oostende heeft nog altijd een ruwheid die eigen is aan vissers. De zee heeft in mijn ogen vaak iets van een oude, gecraqueleerde spiegel. Het is zoals de oude serviezen die ze in tweedehandszaken verkopen: ze zijn eigenlijk niet meer te gebruiken, maar door de familieherinneringen die eraan vasthangen, ontroeren ze elke keer weer. De zee is ook de plek van de spectaculaire, zelfs kitscherige zonsondergangen, waar ik ook nog elke keer een fotootje van maak. Waarom bent u nooit in Oostende gaan wonen? Peeters: Ik heb er nu met mijn vrouw een appartementje, maar ik woon liever in het centrum van het land. Mensen die in Oostende wonen, trekken zich toch terug. Nu is er ook 's winters veel te doen, maar vroeger viel het leven compleet stil. Mensen zaten te wachten tot het strandseizoen weer aanbrak, en dan begonnen ze plots allemaal schoenen, ballen en strandspeelgoed te verkopen. Daar gaan de schilderijen van James Ensor ook over: donkere interieurs, mensen die binnen zitten, zich vervelen en een hele winter op elkaars gezicht moeten kijken. Onderhuids broeit er dan natuurlijk van alles. Je moet ook echt van de zee leren houden, omdat ze je spiegelt en soms ook tegenspreekt. Ik maak vorderingen, als Kempische Leuvenaar, maar ik blijf een aangespoelde. Tot slot leek het me aardig als u nog iets lelijks zegt over de kunstwerken van Arne Quinze op de zeedijk. Peeters: Het is een nationale sport van de Oostendenaar om daarmee te lachen. Niemand is er ooit gewoon aan geraakt. Op de Oosteroever in de verte had het misschien gewerkt, maar in het centrum is het veel te dominant in het beeld. Het zicht op de zee volstaat daar eigenlijk al, nee?