'Eenmaal, vroeger, heeft hij zich illusies gemaakt over het leven. Maar doet iedereen dat niet? Iedereen maakt zich illusies en het zijn veruit de besten die daar later hun schouders eens over ophalen en zeggen: Bah.'
...

'Eenmaal, vroeger, heeft hij zich illusies gemaakt over het leven. Maar doet iedereen dat niet? Iedereen maakt zich illusies en het zijn veruit de besten die daar later hun schouders eens over ophalen en zeggen: Bah.' Het lijken een paar verloren regels op een bladzijde uit Platform of De wereld als markt en strijd. Dat zijn ze niet. Het citaat komt uit De voorstad groeit van Louis Paul Boon. Een roman die op de 17-jarige versie van mezelf zo'n indruk naliet, dat ik de passage steeds binnen handbereik heb. De lectuur van De voorstad groeit was de eerste keer dat een boek mij deed daveren op mijn grondvesten en mijn visie op wereld en werkelijkheid mee bepaalde. Alle kleinmenselijke drama's die erin aaneengeregen worden, ademen hetzelfde idee uit: hoeveel moeite de mens ook opbrengt, hij verkeert door zijn eigen acties in de permanente onmogelijkheid om gelukkig te zijn. Er zijn weinig boeken van dat kaliber. Boeken die inzichten verschaffen die niet noodzakelijk waar zijn, maar wel zo overweldigend dat ze dwingen tot reflectie. Na Boon slaagden enkel Friedrich Nietzsche, Ernst Jünger en Louis-Ferdinand Céline erin hetzelfde effect bij mij teweeg te brengen. En aangezien de schrifturen van deze auteurs een gezegende leeftijd hebben, ging ik ervan uit dat er in de hedendaagse literatuur niets te vinden was dat deze grootheden kon evenaren. Tot ik Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq als student las. De rauwheid en meedogenloosheid waarmee Houellebecq de contemporaine levenstoestand beschreef - en aanviel - was ongezien: in zijn felheid én rücksichtslosigkeit, los van literaire conventies en politiek correcte taboes. De verachtelijkheid van een wereld gecorrumpeerd door consumentisme, aan narcisme grenzend individualisme en een rationaliteit enkel gericht op efficiëntie vereist een taal die deze werkelijkheid ook weerspiegelt. De loze esthetiek van zwierige zinnen had zijn tijd gehad, de gehele weldenkende intellectuele en artistieke elite kon op de schop. Eindelijk. Houellebecq verwierf een status die ik geen enkele andere levende westerse schrijver toeken: die van een grootheid. Althans, tot voor enkele jaren. De Voorstad groeit neem ik nog geregeld uit de boekenkast en telkens opnieuw wekt het de intrigerende walging in mij op die me als tiener zo verpletterde. Halverwege dit decennium herlas ik Elementaire Deeltjes en het was een teleurstelling. Een echt plot is er niet, de personages zijn eerder eendimensionaal en de ideeën scheren hoogstens langs de oppervlakte. Houellebecq bleek niet de grootheid waarvoor ik hem had gehouden, maar een schrijver die via goedkoop effectbejag en een uitgekiende commerciële strategie zijn lezers weet te manipuleren in de overtuiging dat hij ook iets te zeggen heeft. Ik had me als een schlemiel laten bedotten. Toen heel het mediacircus rond Soumission zich op gang trok, heb ik afgehaakt. Ik heb het boek nooit gelezen. Vanuit die kritische achterdocht begon ik aan Sérotonine, en ik zag mij bevestigd in mijn argwaan. Alle vaste onderdelen van Houellebecqs repertorium zitten erin: troosteloze seks, een gangbang met honden, een pedofiele pornofilm, het afgeven op vrouwen, homo's, stedelijke bobo's. Alleen de aanvallen op moslims blijven ditmaal achterwege, die waren al onderwerp van zijn vorige boek. Het blijft confronterend door de botheid waarmee het op papier werd gesmeten, maar choquerend is het niet langer en verrassend evenmin. Het is een déjà lu. Het hoofdpersonage, Florent-Claude Labrouste, is een typisch houellebecqiaans creatuur: gefrustreerd, onzeker over zijn mannelijkheid, kwaad op de wereld en impotent in alle betekenissen. Zijn vlucht uit de realiteit is de drijvende kracht van de actie die Houellebecq toestaat om van het ene onderwerp naar het andere te springen. Waardoor het boek over zo ongeveer alles gaat: de tegenstelling tussen stad en platteland, de globalisering, de afbraak van mannelijkheid, de vernietigende impact van de agro-industrie, de decadentie van de urbane elite, de EU-dictaten, de miskenning van le pays réel... De lezer mag zelf kiezen waar hij of zij de nadruk wil leggen. Houellebecq is een gimmick-schrijver geworden. Het ligt er zo vingerdik op dat het haast lachwekkend is. Het is zo nadrukkelijk, zo overdreven dat ik aan mijn vooringenomenheid begon te twijfelen. Als een schrijver zo manifest met zijn eigen hebbelijkheden speelt, is er iets meer aan de hand. Wat wil Houellebecq zeggen met zijn idiosyncratische galspuwerij? De sleutel tot het antwoord zit in de titel: Sérotonine. Het gelukshormoon. Dit boek gaat over geluk en de onmogelijkheid ervan. De onderliggende thematiek in Labroustes levensbeschrijving is de zoektocht naar geluk. Als jongeling was hij gelukkig, want hij kon nog illusies koesteren. Maar ook hij moest ervaren hoe met het ouder worden die illusies wegsmolten. Nu is hij een 46-jarige man die er niet in slaagt zijn schouders op te halen en 'bah' te zeggen. Hij vlucht voortdurend weg in het verleden, op jacht naar het geluk dat hij eens kende. Telkens weer rakelt hij kortstondige periodes van gelukzaligheid op, om vervolgens vast te stellen dat hij dat geluk zelf vakkundig de nek heeft omgewrongen. En hij is afgunstig op het geluk van anderen - van zijn ouders bijvoorbeeld, die gezamenlijk zelfmoord pleegden wegens de ongeneeslijke ziekte van zijn vader. Het legt een licht conservatieve laag in het boek bloot. Het verzet van de boeren in de uit elkaar geschoten blokkade - waar veel critici de voorafspiegeling van de gele hesjes in zagen - doet Labrouste niet denken aan mei '68, maar juist aan het ancien régime, 'alsof 1789 slechts oppervlakkige sporen had nagelaten'. Het zijn dan ook de oude, traditionele waarden waarin hij geluk kan herkennen: het huwelijk, noeste en werkelijke arbeid, schoonheid. Waarden die door de moderniteit vernietigd werden. Wat we in de plaats kregen zijn bullshitjobs, entertainment, doelloze seks en een dwangmatige consumptie die wanhoop verraadt. En als dat niet meer werkt: de verdoving van drank, drugs en antidepressiva. Antidepressiva die het verlangen om gelukkig te zijn wegnemen. Ze maken de gebruiker apathisch voor de werkelijkheid. Je registreert maar je ervaart niet langer. Je raakt inert en passief. En dat is wat de lezer beleeft in de beschrijvingen van Labrouste. Houellebecq wil ons niet meer choqueren, hij wil ons confronteren met onze eigen zielloze onverschilligheid. Wij zijn de onberoerde toeschouwers van een vrouw die seks heeft met een dobberman en wij zijn niet in staat om er ook maar enige emotie bij te voelen. Net als Labrouste. En dat is wat deze wereld van ons gemaakt heeft. Houellebecq postuleert dat ons verlangen de oorzaak is van ons lijden. We willen steeds meer. Die Macbook, die tig variëteiten humus, die 4x4-luxeterreinwagen, dat appartement in het zoveelste arrondissement van Parijs. Maar het maakt ons niet gelukkig. Labrouste uit zijn bewondering voor de 'majestueuze' koeien. Hun raison d'être is niet het verlangen, het zijn op zich volstaat voor hen. Zijn vlucht in het verleden is evenzeer een terugtocht uit het materialisme, tot niets hem nog rest dan een naakte studio met foto's van oude herinneringen aan de muur waar hij wacht op de dood. Mijn blinde achterdocht had me bijna verhinderd in te zien dat Houellebecq met Sérotonine iets fundamenteels heeft geschreven. Houellebecq is geen profeet of ziener. De kracht van zijn proza schuilt er juist in dat hij verwoordt wat velen enkel vrezen of heimelijk denken. Hij confronteert ons met onze onuitgesproken angsten: de aanwas van de moslimbevolking, de teloorgang van de Europese cultuur of de gestage neergang van de middenklasse(man). Daar kan nu aan toegevoegd worden: de leugen dat we slechts één aankoop verwijderd zijn van het ware geluk. Origineel is de gedachte niet. En als chauvinistische Vlaming zeg ik: Boon deed het beter. Maar Houellebecq hangt wel weer in mijn pantheon van grootheden.