Wat hebben Theodore Kaczynski, Anders Behring Breivik en Abdelhamid Abaaoud met elkaar gemeen? Het antwoord is minder voor de hand liggend dan u denkt. Uiteraard staan de drie bekend als terroristen. Kaczynski, die later bekend werd als de UNA-bomber, pleegde tussen 1978 en 1995 maar liefst zestien aanslagen met bombrieven op universiteiten en luchtvaartmaatschappijen. Breivik richtte in 2011 een bloedbad aan op een jeugdkamp van de sociaaldemocratische Arbeiderspartij op het Noorse eiland Utoya. Abaaoud was in 2015 het brein achter de jihadistische aanslagen van Parijs.
...

Wat hebben Theodore Kaczynski, Anders Behring Breivik en Abdelhamid Abaaoud met elkaar gemeen? Het antwoord is minder voor de hand liggend dan u denkt. Uiteraard staan de drie bekend als terroristen. Kaczynski, die later bekend werd als de UNA-bomber, pleegde tussen 1978 en 1995 maar liefst zestien aanslagen met bombrieven op universiteiten en luchtvaartmaatschappijen. Breivik richtte in 2011 een bloedbad aan op een jeugdkamp van de sociaaldemocratische Arbeiderspartij op het Noorse eiland Utoya. Abaaoud was in 2015 het brein achter de jihadistische aanslagen van Parijs. Maar voor de rest kunnen drie mannen nauwelijks meer van elkaar verschillen. Kaczynski was een briljante wiskundige die een academische carrière achter zich liet voor een kluizenaarsleven in een blokhut in Montana. Breivik was een computerprogrammeur met een getroebleerde jeugd en een gameverslaving. Abaaoud was een onbeduidende Molenbeekse straatcrimineel met een rijkelijk gevuld strafblad. Ook op ideologisch vlak hebben de drie nauwelijks iets met elkaar gemeen. Kaczynski was een soort eco-extremist, die zijn aanslagen pleegde uit onvrede met de om zich heen grijpende industrialisering die de natuur vernietigde. Breivik was een witte supremacist, die vond dat Europa ten prooi gevallen was aan islam, cultuurmarxisme en feminisme. Abaaoud leidde een liederlijk leven waarin hij zowat alles deed wat God verboden heeft, om plotseling de wapens op te nemen tegen het 'goddeloze Westen'. En toch ziet de Nederlandse terreurdeskundige Beatrice de Graaf een parallel tussen deze terreurplegers. De Graaf, die aan de Universiteit Utrecht historisch onderzoek doet naar hoe samenlevingen omgaan met veiligheidsvraagstukken, geldt in Nederland als de officieuze Terreurdeskundige des Vaderlands, die in tijden van oproer en aanslagen met rustige vastheid de gebeurtenissen duidt. Sinds de aanslagen van 11 september 2001 is De Graaf bezeten van de vraag wat terroristen drijft. Hoe kan het dat mensen die tot voor hun terreurdaad vaak een doorgaans geweldloos en veelal onbetekenend leven leidden eensklaps overgaan tot onuitspreekbare gruweldaden? En dus besloot ze het de terroristen gewoon zelf te vragen. In totaal sprak De Graaf met 24 van de in totaal 36 Nederlandse terreurveroordeelden. 'Tijdens mijn eerste bezoek werd ik herkend', grinnikt De Graaf. 'U bent die mevrouw van op de televisie die altijd over ons praat, kreeg ik te horen. Tot mijn verrassing wilden de meeste terreurveroordeelden me absoluut hun kant van het verhaal vertellen. Toen ik mijn eerste gesprekken had gevoerd, spraken andere veroordeelde jihadisten me spontaan aan om ook hun verhaal te aanhoren.' Daarnaast sprak ze ook met twee extreemrechtse aanslagplegers en vijf Indonesische terrorismeveroordeelden. Die gesprekken vormden de basis voor haar nieuwste boek Radicale verlossing. Sinds de aanslagen van 11 september richt het gros van het academisch onderzoek naar terrorisme zich op religieus geïnspireerde terroristen, en dan vooral op het jihadisme. Vooral de rol van religie is in dat debat steen des aanstoots. Een eerste stroming legt de beweegredenen van terroristen vrijwel exclusief bij religie. Binnen de Koran - maar zeker ook binnen de Bijbel - zijn immers genoeg heilige teksten die geweld jegens andersdenkenden legitimeren en soms zelfs aanmoedigen. Een andere, niet onaanzienlijke stroming zoekt de beweegredenen van jihadisten net buiten religie, en wijst op bredere maatschappelijke factoren als discriminatie, sociaaleconomische achterstelling of zelfs psychologische problemen. Veel geradicaliseerde jongeren die sinds 2011 naar Syrië afreisden om er tegen Bashar al-Assad te strijden, gingen immers niet naar de moskee, spraken en lazen nauwelijks Arabisch, hadden vaak een behoorlijk gevuld strafblad en leidden een weinig godsvruchtig leven met het nodige wereldse vertier. De Graaf, die zelf praktiserend christen is, voelt zich ongemakkelijk bij beide denkrichtingen. 'Het is te gemakkelijk om alleen maar naar de heilige schriften te wijzen', zegt ze. 'Het idee dat religie de enige drijfveer is voor jihadisten, is statistisch en wetenschappelijk niet houdbaar. Maar tegelijk heb ik me nooit thuis gevoeld bij onderzoekers die alleen maar naar racisme en achterstelling kijken en religie helemaal weggummen als factor. Het idee dat de islam alleen maar "de religie van de vrede" is klopt natuurlijk ook niet. Als een terrorist in een vliegtuig springt, een aanslag pleegt en zegt dat hij het voor God doet: wie ben ik dan om hem tegen te spreken?' Voor die terughoudendheid om de rol van religie correct in te schatten ziet De Graaf twee verklaringen. Een eerste is zuiver wetenschappelijk: religie is nu eenmaal moeilijk te meten of in cijfers uit te drukken. Maar de voornaamste reden, aldus De Graaf, is een gebrek aan inlevingsvermogen. 'Veel onderzoekers kunnen zich in een seculiere samenleving gewoon niet voorstellen hoe diepgeworteld religie kan zijn. Zelfs bij mensen die van hun geloof afvallen beïnvloedt het vaak hun manier van denken, hun gedragingen. Vanuit mijn eigen achtergrond weet ik maar al te goed dat geloof niet over kennis gaat. Het is niet omdat je de catechismus of de Koran niet van kaft tot kaft kunt opdreunen dat je niet diepgelovig kunt zijn.' De Graaf ziet religie in de eerste plaats als praxis, een verzameling van rituelen en praktijken waarmee mensen hun overtuiging beleven. 'Of je al dan niet geweld pleegt, heeft niets met je godsbeeld te maken. Het gaat erom hoe je je overtuigingen in de praktijk omzet.' Tegelijk merkte De Graaf dat de terroristen met wie ze sprak spontaan begonnen over hoe ze een persoonlijk, bijna existentieel tekort voelden. 'Bij alle terrorismeveroordeelden die ik sprak, ging het op een bepaald moment over schuld en boete. Ze vertelden bijvoorbeeld dat ze zich schuldig voelden omdat er elke dag moslimbaby's stierven in Syrië, terwijl zij in Nederland een comfortabel leventje leidden. Ondanks hun vaak erg verschillende achtergronden en thuissituaties spraken ze allemaal over hun verlangen om van hun zonden verlost te worden.' In eerste instantie lijkt dat verlangen erg christelijk. In tegenstelling tot het christendom kent de islam immers geen erfzonde: het idee dat de mens als zondaar wordt geboren en tijdens zijn aardse leven een plekje in de hemel moet versieren door een godsvruchtig leven te leiden. Maar eigenlijk kent de islam een soortgelijk mechanisme. De Graaf wijst op de hasanat, een soort islamitisch kredietsysteem waarbij moslims punten scoren voor hun goede daden. 'Het is alsof je een soort spaarboekje hebt waarvoor je voldoende punten moet sparen om in de hemel toegelaten te worden', vertelt De Graaf. 'Bovendien kun je met jouw goede daden ook punten scoren voor anderen. Het is eigenlijk vergelijkbaar met hoe protestanten en katholieken denken: je moet handelingen stellen die ervoor zorgen dat je van je zonden verlicht wordt.' Terreurorganisaties zoals de Islamitische Staat spelen enorm slim in op die sluimerende schuldgevoelens. 'Zij bieden geradicaliseerden een soort totaalpakket', aldus De Graaf. 'Ze krijgen de mogelijkheid om niet alleen hun eigen zonden af te kopen, maar die van hun hele familie. Jongeren met een criminele achtergrond konden hun criminele leventje gewoon voortzetten in Syrië, en er nog spiritueel voor beloond worden ook. De IS had een propagandaposter waarop dat prachtig verwoord stond: Sometimes people with the worst pasts create the best futures (Soms creëren mensen met het slechtste verleden de beste toekomst).' Naast de klassieke motieven van wraak, roem en erkenning als terroristische drijfveren stipt De Graaf het enorme belang aan van wat zij 'radicale verlossing' noemt. 'Soms gaat het terroristen natuurlijk echt vooral om wraak of politieke erkenning', aldus De Graaf. 'Maar heel dikwijls zit er een meer religieuze dimensie aan hun daden, een verlangen naar verlossing.' Bovendien blijkt die hang naar radicale verlossing niet alleen een drijfveer onder jihadisten. Ook christelijk geïnspireerde witte supremacisten zien hun strijd als een manier om van een tekort verlost te raken. In het manifest dat Theodore Kaczynski in 1995 liet publiceren - en waarmee hij uiteindelijk werd geïdentificeerd en opgespoord - spreekt hij over de pervertering en het 'immense lijden' die door de industriële revolutie zijn gegenereerd. Kaczynski zag zichzelf als een revolutionair in de 'eindstrijd' waarin de oude wereld ten onder zou gaan, en het menselijke ras zichzelf finaal zou verlossen van het juk van de industriële samenleving. Anders Behring Breivik, die in zijn eigen manifest meermaals Kaczynski aanhaalt, wilde met zijn moordende raid Europa verlossen van het multiculturalisme. En ook Abdelhamid Abaaoud was er bij leven van overtuigd dat hij uitverkoren was door God om in Zijn naam wraak te nemen. Ook Brenton Tarrant, de Australische blanke supremacist die in 2019 een aanslag pleegde op twee moskeeën in het Nieuw-Zeelandse stadje Christchurch, geloofde dat er een genocide tegen blanken aan de gang was en was ervan overtuigd dat hij met zijn daad meebouwde aan een ideale wereld waarin blanken één zijn met de natuur. De Graaf wijst ook op de manier waarop het Iers Republikeins Leger (IRA) de dood van Bobby Sands in de markt zette. Ook Sands, een IRA-militant die in 1981 stierf na een hongerstaking van 66 dagen, zag zijn strijd als een onderdeel van de 'eeuwigdurende oorlog' van 'het onderdrukte Ierse volk' tegen de 'vreemde ongewenste bezettingsmacht'. 'Sands werd na zijn dood opgenomen in het pantheon van de Ierse heiligen', vertelt De Graaf. 'Hij werd afgebeeld op enorme muurschilderingen waarin hij als de lijdende Christus te zien was, alsof hij met zijn daad meteen het hele Ierse volk verlossing had gebracht. Op die manier werd hij deel van de propaganda waarmee de IRA nieuwe leden rekruteerde.' Het interessante aan het concept van radicale verlossing is dat het vaak omslaat. De zoektocht naar radicale verlossing eindigt bijna altijd met diepe frustratie. Over het algemeen blijken maar weinig terroristen tot die persoonlijke verlossing te komen. Dat heeft enerzijds te maken met de voorhanden zijnde getuigenissen. Zelfmoordterroristen die hun aanslag uitvoeren, zijn achteraf doorgaans niet meer te interviewen. Van alle jihadisten met wie De Graaf sprak, gaven slechts twee toe dat ze hun verlossing als volmaakt beschouwden. 'De meesten vinden dat ze gefaald hebben', zegt De Graaf. 'Ze zijn meestal teleurgesteld en vertelden me dat ze spijt hebben dat ze naar Syrië zijn getrokken, omdat ze daar al snel vaststelden dat niemand daar op hen zat te wachten.' En zelfs bij de twee 'verlosten' heerst nog steeds een zekere tweeslachtigheid. De enige jihadist die nog steeds voor de volle honderd procent overtuigd is van zijn verlossing is Jibran (niet zijn echte naam, nvdr), de 26-jarige Pakistaan die in 2018 werd gearresteerd omdat hij op sociale media een aanslag tegen Geert Wilders had aangekondigd. 'Hij is nog steeds trots dat hij ervoor had gezorgd dat Wilders uiteindelijk geen cartoonwedstrijd heeft kunnen organiseren', zegt De Graaf. 'Hij vertelde me dat hij ervoor gezorgd had dat er een belediging minder aan Allah is afgeleverd. Hij was ervan overtuigd dat hij Nederland had gered.' De Graaf wijst erop dat er wel degelijk belangrijke verschillen bestaan tussen het jihadistische en radicaal-rechtse concept van verlossing. 'Bij jihadisten gaat het niet alleen over persoonlijke verlossing', zegt De Graaf. 'Die verlossing wordt er gevalideerd door een geloofsgemeenschap, waarin bepaalde imams en fatwa's zeggen dat je het goed doet. Ook witte supremacisten worden binnen bepaalde evangelische kerken gesanctioneerd. Maar eigenlijk bestaat die ondersteuning amper bij extreemrechts. Neonazi's hebben geen kalifaat dat hen aanmoedigt, financiert en hun daden rechtvaardigt. Er zijn natuurlijk extreemrechtse fora waarop iemand als Anders Behring Breivik als een held wordt onthaald, maar het beeld is toch een stuk diffuser.' Tegelijk blijken de hoogdagen van het jihadistisch terrorisme voorlopig voorbij. Door de val van het kalifaat is het moeilijker om aan geld te komen, vermoedt De Graaf. Bovendien zorgen de lockdown en de coronamaatregelen voor praktische bezwaren. 'Het is moeilijker om een terroristische aanslag te plegen', zegt De Graaf. 'Er zijn geen moskeeën of synagoges waar je kunt binnenvallen. Je kunt tijdens de lockdown ook niet zomaar naar de winkel om het nodige te halen.' Tegelijk maakt ze zich zorgen over de toenemende coronaradicalisering. In Nederland bestaat, meer dan in België, enthousiasme voor allerlei QAnon-gerelateerde samenzweringstheorieën. 'Dat gaat bijzonder ver', vertelt De Graaf. 'Er zijn al aanslagen gepleegd op teststraten en op zendmasten. Politici en journalisten worden belaagd. Er was zelfs een incident waarbij complotdenkers kindergraven gingen opgraven op het kerkhof van Bodegraven, omdat ze dachten dat daar slachtoffertjes van satanistische praktijken lagen. Dat is misschien geen terrorisme, maar het is wel uiterst intimiderend gedrag. Het is zeker zo dat QAnon-complotdenkers trekken van een gevaarlijke sekte beginnen aan te nemen. Dan kan het verlangen naar radicale verlossing op de loer liggen.' Vooral de enorme rol van sociale media in het verspreiden van radicale ideeën is voor De Graaf een reden tot bezorgdheid. 'We onderschatten in welke mate onze levens doordrongen zijn geraakt van sociale media', aldus De Graaf. 'Het heeft ook gevolgen voor het radicaliseringsproces van potentiële extremisten en terroristen. Je kon de bestorming van het Capitool in Washington of de avondklokrellen hier in Nederland gewoon live volgen via sociale media. Veel Trumpaanhangers die het Capitool bestormden, leken gewoon niet te snappen dat ze bezig waren het parlement te bestormen. Ze gedroegen zich alsof ze in een computerspelletje rondliepen. Ze schrokken zich achteraf rot dat ze aangezien werden voor rechts-extremisten, en voor hun daden vervolgd worden. Het is uiterst verontrustend dat mensen niet meer in staat lijken om het verschil te zien tussen de echte en de virtuele wereld.'