Is Roger Van de Velde (1925-1970) het best bewaarde geheim van de Vlaamse literatuur? Hij is in elk geval de meest bekende 'onbekende schrijver' van onze letteren.
...

Is Roger Van de Velde (1925-1970) het best bewaarde geheim van de Vlaamse literatuur? Hij is in elk geval de meest bekende 'onbekende schrijver' van onze letteren. Die bekendheid heeft hij voornamelijk te 'danken' aan zijn Palfium-verslaving, een krachtige pijnstiller voor zijn maagkwaal, én aan een kafkaiaans justitieel en psychiatrisch systeem dat hem vanwege die verslaving bijna de hele jaren zestig in de gevangenis hield. Toch is zijn werk de voorbije halve eeuw nooit volledig vergeten. In iedere generatie zijn er schrijvers die zijn verhalen waarderen: de oude garde met Willem Elsschot, Marnix Gijsen en Karel Jonckheere, later Walter van den Broeck, Hubert Lampo en Jeroen Brouwers en vandaag Stefan Brijs, Dimitri Verhulst en Erik Vlaminck. En sinds kort is er, vijftig jaar na Van de Veldes ontijdige dood, een biografie van de hand van Ellen Van Pelt. We spreken af in de schaduw van de Bourlaschouwburg, waar Roger Van de Velde op 29 december 1948 tijdens een voorstelling een maagscheuring krijgt. Hij moet onmiddellijk geopereerd worden. Het is een beslissende gebeurtenis in zijn leven en het begin van een lange lijdensweg van fysieke pijn, vervreemding, verslaving en internering. Hij is amper drieëntwintig. 'Tijdens mijn opleiding psychologie moest ik veel fictieve gevalstudies lezen, zoals Eline Vere van Louis Couperus en Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden', zegt Ellen Van Pelt. 'Nu vraag ik me af: waarom niet De knetterende schedels van Roger Van de Velde? Dat boek werd me, zonder verdere uitleg, een aantal jaren geleden door Erik Vlaminck in de handen geduwd. Het zijn verhalen die Van de Velde in de psychiatrische annex van de gevangenis schreef en die zich daar ook afspelen. Ik was onmiddellijk getroffen door de precisie en de rijkdom van zijn taal en door zijn mededogen met de geïnterneerden, hoe bizar en irrationeel hun gedrag ook is. Van de Velde slaagt erin iedere sentimentaliteit te vermijden en de lezer toch emotioneel vast te grijpen. Als schrijver weet ik hoe moeilijk dat is. Erik heeft me nadien gestimuleerd om het levensverhaal van Van de Velde op te tekenen.' Met Deze wereld is geen ergernis waard schreef Ellen Van Pelt een vlot leesbare en goed gedocumenteerde biografie, waarin zij de schrijver via zijn vele brieven, zijn journalistiek werk en zijn verhalen, op zowat elke pagina zelf aan het woord laat. Ze heeft samengebracht wat we op dit ogenblik zeker weten over Van de Velde en houdt zich ver van psychologische duiding. Niet verwonderlijk dat twee derde van de biografie zich concentreert op Van de Veldes decennium in gevangenschap. Daar heeft hij immers zijn schrijverschap gevonden en daar is hij, tegen wil en dank, ook een symbool geworden van het voor de jaren zestig zo typische verzet tegen 'het maatschappelijk systeem'. In de eerste helft van zijn leven was er weinig dat wees op het dramatische verloop van de tweede helft, al was de gezinssituatie waarin hij opgroeide behoorlijk complex. Zijn vader stierf toen hij zeven was en van zijn stiefvader wordt weleens beweerd dat het zijn echte vader was. Zijn moeder was een trotse, eigengereide en verre van eenvoudige vrouw, die haar tweede man op dezelfde pragmatische manier dumpte als ze hem gehuwd had. Rosa, de echtgenote van haar zoon, vond ze te min voor hem. Tijdens Van de Veldes internering spelen de twee vrouwen een verrassende rol. Zijn stiefvader brengt de jonge Van de Velde in contact met Willem Elsschot. Op zijn achttiende stuurt hij een gedicht naar de meester, waarin hij een alcoholicus portretteert die schuldbewust uit huis sluipt en zijn vrouw achterlaat om te gaan drinken. Onbewust beschrijft hij de tragiek van zijn volwassen leven: zucht naar vrijheid, verslaving, geheimdoenerij, schuldbesef. Ellen Van Pelt: 'Van de Velde leefde een elsschotiaanse gespletenheid: de burgerman die zich van zijn familiale en maatschappelijke verplichtingen wil losmaken om te leven als een bohemien maar daar door plichts- en schuldbesef niet in slaagt.' De meester geeft de jonge schrijver wijs advies: 'Schrijf uitsluitend over mensen en dingen die gij kent en doe het zo sober, zo eerlijk mogelijk, zonder u te storen aan modeverschijnselen en de praat voor de vaak van geleerde estheten.' Van de Velde heeft dat zijn schrijversleven lang ter harte genomen. Elsschot bezorgt hem in 1947 een baan als journalist bij de liberale krant De Nieuwe Gazet. Van de Velde heeft in zijn loopbaan zowat over alles bericht, van sportwedstrijden tot rechtszaken. Hij schrijft over de persoonlijke drama's die de Tweede Wereldoorlog veroorzaakt, over de collaboratie, over de vrouwenemancipatie, de censuur van de katholieke kerk, et cetera. Hij maakt uitgebreide reportages over het Antwerpse nachtleven, over het leven in de gevangenis, over nozems, en korte cursiefjes over Charlie Chaplin, de dalai lama en Marlène Dietrich. Het is een panorama van de preoccupaties en interesses van die tijd. In zijn journalistieke werk kan Van de Velde zijn scherpe observatievermogen, zijn mededogen en zijn literaire kwaliteiten kwijt. 'Je merkt dat hij in zijn journalistiek werk toch met iets meer plezier schrijft. Hij noemde de journalistiek ook zijn grote liefde. In zijn verhalen voel je soms in de zeer bewuste retoriek en het gebruik van een bepaalde woordenschat toch het keurslijf van de schone letteren', aldus Van Pelt. Ondanks het verlies van een pasgeboren dochtertje in 1949 en veel fysieke pijn - in 1953 ondergaat Van de Velde opnieuw een maagoperatie - zijn de jaren vijftig gelukkige jaren. Als journalist verwerft hij enige bekendheid. Daarnaast probeert hij een literaire carrière uit te bouwen. Om wat bij te verdienen schrijft hij onder pseudoniem pornografische verhalen, die hij aan zijn vrouw voorleest. Hij geniet van het opgroeien van zijn drie kinderen. Hij wil niet dat zij, zoals hij, groot worden zonder vader. Maar ook de onrust blijft. En het drinken neemt toe. 1958 is geen goed jaar. Ondanks Elsschots hulp slaagt Van de Velde er niet in zijn novelle Scheiding van goederen gepubliceerd te krijgen. De ontgoocheling is zo groot dat hij stopt met literatuur. Onder druk van zijn moeder stopt hij met zijn journalistieke loopbaan om als vertegenwoordiger te gaan werken voor het familiebedrijf Le Condor, dat in drank handelt. Ook dat valt hem zwaar. Hij begint steeds meer te drinken. In een verhaal dat hij later in de gevangenis zal schrijven, noemt hij zijn alcoholverslaving 'een soort animale drift'. In 1959, bij zijn derde maagoperatie, krijgt hij Palfium voorgeschreven, een nieuwe pijnstiller ontwikkeld door Janssen Farmaceutica. Al snel wordt duidelijk dat die zwaar verslavend is. Palfium komt op de lijst terecht van narcotica en is van dan af alleen verkrijgbaar met een doktersvoorschrift. Voor Van de Velde is het al te laat. Zijn angst voor fysieke pijn, zijn overtuiging dat hij aan maagkanker lijdt en zijn alcoholisme verzwakken zijn weerstand en maken van hem een Palfiumverslaafde, een lot dat hij deelt met literaire grootheden als Curzio Malaparte en Françoise Sagan. Van de Velde slikt veel meer dan het maximaal toegelaten aantal pillen per dag. Hij begint doktersbriefjes te stelen en te vervalsen. Nog in datzelfde jaar keert hij terug naar De Nieuwe Gazet. Ondanks zijn verslaving, die ook op de redactie steeds zichtbaarder wordt, schrijft hij in die periode zijn meest aangrijpende journalistieke stukken. Ellen Van Pelt behandelt terecht uitvoerig Dialoog met een dode, een laatste eerbetoon aan Maria Senecaut, een prostituee die op gruwelijke wijze in een ziekenhuis werd vermoord en daarna anoniem begraven. Van de Veldes diepgevoelde woede over het onrecht dat haar werd aangedaan, roept bij de biografe de onbeantwoorde vraag op of Van de Velde misschien een van haar klanten was: 'In zijn schrijven bleef hij altijd trouw aan Elsschot: hij schreef uitsluitend over mensen en dingen die hij kende. Behoorden de Antwerpse bordelen tot de mensen en dingen die hij goed kende?' Hetzelfde mededogen voor de buitengeslotene is aanwezig in het cursiefje Pleidooi voor een zwart manneke, over een Pakistaanse man, Abdul Hakim, die een maand gevangenisstraf kreeg omdat hij wat te lang bleef kijken naar enkele spelende meisjes: 'Gij hebt ginder in het verre Pakistan ook drie kinderen, drie meisjes lopen, zoals uit de akte bleek. Misschien is het mogelijk dat uw hart week werd bij het zien van die dartele kinderen in de Antwerpse havenbuurt. Maar dat raakt onze koude, blanke kleren niet, Abdul Hakim.' Het is een scherpe aanval op vooroordelen en alledaags racisme. Daarom is het even schrikken bij Zwartboek Kongo, een artikelenreeks die Van de Velde (samen met George De Jong) schreef over de onlusten na de Congolese onafhankelijkheid in 1960. Op een bepaalde manier kiest hij ook hier het perspectief van het slachtoffer - de verkrachte Belgische vrouwen en de gezinnen die in Congo alles achterlieten om halsoverkop naar België te vluchten - maar voor de slachtoffers van de Belgische kolonisatie heeft hij geen begrip. Ondanks de kritiek op het paternalistische koloniale systeem, staan deze artikelen bol van het racistische taalgebruik. Ellen Van Pelt: 'Ik schrok bij het lezen van die passages over de Congolezen. Ook zijn zoon Max heeft het daar moeilijk mee. Hij herinnert zich zijn vader niet zo. Van de Velde was bijvoorbeeld zeer kritisch voor het racisme in de VS. Maar je kunt er niet om heen. Het staat er en het staat haaks op het humanisme dat hem in veel andere bijdragen kenmerkt.' Misschien heeft Van de Velde wel geprobeerd iets recht te zetten in zijn verhaal Mijn geliefde en liefhebbende dochter uit de bundel De slaapkamer (1967). Daarin voert hij een weduwnaar op wiens enige dochter zwanger is van Samuel Lee, een zwarte jongen uit de VS. Hij laat de vader in expliciet racistische termen tekeergaan tegen het meisje, maar beleefd blijven tegen de jongen, instemmen met een huwelijk én zelfs met het vertrek van het koppel naar Amerika. Na alle ingehouden woede en opgekropte vooroordelen blijft uiteindelijk alleen de vaderlijke smeekbede: 'Maak haar gelukkig. Please, Samuel Lee. Please.' In 1961 loopt het serieus fout. Hij verschijnt niet langer nuchter op de redactie en wordt ontslagen. Bij een alcoholcontrole wordt hij opgepakt. In zijn wagen worden tientallen blanco en vervalste doktersbriefjes gevonden. Zijn advocaat pleit ontoerekeningsvatbaarheid op het ogenblik van de feiten. Maar na een nauwelijks vijfentwintig minuten durend interview komt een psychiater tot een heel andere conclusie met verstrekkende gevolgen. In Recht op antwoord verklaart Van de Velde dat hij volledig dichtklapte toen de psychiater hem onverwacht vroeg naar zijn seksuele bevrediging in het huwelijk. De psychiater besluit dat Roger Van de Velde onderhevig is aan 'zware karakterstoornissen, gekenmerkt door instabiliteit, schizoïde introvertie en een oppervlakkige levensinstelling zonder spontane emotionele reflexen; dit alles resulterend in een staat van ernstige geestesstoornis'. Het is een vernietigende analyse, maar blijkbaar gangbaar in die tijd. In 1965 wordt ze een andere psychiater bevestigd, die Van de Velde veroordeelt tot opsluiting en tot zesmaandelijkse evaluaties door een commissie. Van dan af begint een lange en uiteindelijk fatale cyclus van internering, evaluatie, vrijlating, terugval en internering in de gevangenissen en psychiatrische annexen van Antwerpen, Doornik, Turnhout en Merksplas. Hij wordt zo goed als aan zijn lot overgelaten. België beschikt op dat ogenblik niet over een gespecialiseerde medische begeleiding van verslaafden: 'De psychiatrische behandeling (...) bestaat momenteel uit het plakken van papieren zakken', schrijft Van de Velde laconiek in 1968 vanuit Turnhout. Ellen Van Pelt citeert uitvoerig uit de vele brieven naar zijn moeder, zijn vrouw, zijn advocaten - vanaf 1967 was dat Eddy van Vliet - en zijn vrienden. Stuk voor stuk aangrijpende menselijke documenten. Maar wat vooral opvalt, is dat Van de Velde de twee uitersten van pathetisch zelfbeklag en agressief verwijt weet te vermijden. Zijn ietwat afstandelijke en in zichzelf gekeerde levenswijze houdt hem overeind in de gevangenis. Na enkele jaren maakt ze opnieuw de schrijver in hem wakker. De geboorte van de schrijver uit de geest van de gevangenis: zo zou je de tweede literaire geboorte van Roger van de Velde kunnen omschrijven. Hoe belangrijk is de gevangeniservaring voor zijn schrijverschap? Zou hij schrijver zijn geworden zonder zijn talrijke opsluitingen? Zou hij dan journalist zijn gebleven en al zijn literaire kwaliteiten hebben aangewend voor het schrijven van reportages? 'Een winstpunt is dat in de gevangenis mijn drang tot schrijven is gegroeid. Maar indien men me voor de keuze zou hebben gesteld, zou ik liever nooit geschreven hebben', zegt hijzelf nuchter tegen een journalist op het einde van zijn leven. Hij alleen wist hoe hoog de prijs was die hij voor zijn schrijverschap had betaald. Zijn debuut, Galgenaas (1966), schrijft hij op de achterkant van reclamefolders die door zijn vrouw in een pakje sigaretten uit de gevangenis worden gesmokkeld. Ook zijn moeder overtreedt de wet voor haar zoon: 'Zij smokkelde kalmeringspillen naar binnen. Moeder en zoon hadden een soort van geheimtaal ontwikkeld om de censuur te omzeilen. Het heeft me veel tijd gekost om de verwijzing in hun brieven naar een zekere Mr. Vesper te ontcijferen als een code om over het kalmeringsmiddel Vesparax te communiceren', vertelt Van Pelt. De literaire erkenning is onmiddellijk. Het verschijnen van het naar buiten gesmokkelde boek zorgt daarentegen bij de overheid voor veel ongenoegen. Van de Velde krijgt een publicatieverbod, dat snel wordt afgezwakt door toedoen van collega-schrijvers, zodat hij wel mag publiceren als hij op vrije voeten is. Met of zonder schrijfmachine, alleen in zijn cel of op een volle slaapzaal, schrijft hij in de daaropvolgende jaren nog twee verhalenbundels - De slaapkamer (1967) en De knetterende schedels (1969) - en zijn manifest. Postuum verschijnen nog eens twee verhalenbundels en een roman. De jaren zestig, en zeker de tweede helft ervan, zijn de jaren van de contestatie, de directe en agressieve aanval op macht en maatschappij. Het zijn ook de jaren van de artistieke en literaire experimenten. Dat alles gaat aan Van de Velde voorbij. Letterlijk omdat hij in de cel zit, maar ook omdat zowel de revolte als het experiment hem niet ligt. Literair is hij blijven vasthouden aan een humanisme à la Elsschot en, vaak tegen beter weten in, is hij blijven geloven in de dialoog en de redelijkheid als motor van verandering. Van de Velde wordt schrijver om existentieel te overleven, om als mens recht te blijven staan, om niet krankzinnig te worden. Van de Velde heeft nooit fysiek deel kunnen uitmaken van het literaire milieu. Ondanks de erkenning en de hulp die hij tijdens de laatste jaren van zijn collega's over de ideologische grenzen heen kreeg, voelde hij zich toch een buitenstaander. Hoe kon hij ook anders? Zijn dagelijkse milieu was niet dat van literatoren die elkaar op café of bij lezingen ontmoeten, maar van gevangenen en psychiatrische patiënten in anonieme eetzalen en gemeenschappelijke slaapruimtes. Aangrijpend zijn de brieven waarin hij beschrijft hoe schizofreen het is om enkele uren uit de gevangenis te worden ontslagen om aanwezig te kunnen zijn bij een prijsuitreiking of bij een televisie-interview, en daarna onmiddellijk opnieuw achter slot en grendel te verdwijnen. Hubert Lampo, Walter van den Broeck, Frans Strieleman (de hoofdredacteur van De Nieuwe Gazet) en Jeroen Brouwers spelen een belangrijke rol in de groeiende publieke commotie rond 'het geval Van de Velde'. Iedereen, zelfs de bevoegde minister, is er uiteindelijk van overtuigd dat Van de Velde moet worden vrijgelaten om behandeld te worden in een gespecialiseerde instelling. Op zijn pamflet Recht op antwoord (1969), een scherpe maar ook onderbouwde aanklacht tegen de wantoestanden in de gevangenis en tegen het interneringsbeleid, komen van overal zo veel instemmende reacties dat zijn vrijlating slechts een kwestie van tijd is. Op 2 april 1970 is het zover. Enkele weken later ontvangt hij de Arkprijs van het Vrije Woord en weer enkele weken later, drie dagen voor zijn vertrek naar een gespecialiseerde instelling in Nederland, sterft hij aan een cafétafel in de buurt van het Antwerpse Centraal Station. Doodsoorzaak: een overdosis Palfium. Van Pelt: 'Familie en vrienden sluiten zelfmoord uit. Dat zou Van de Velde veel discreter hebben gedaan, nooit in het openbaar. Maar er bestaat weinig twijfel over dat hij, nauwelijks vijfenveertig, na bijna acht jaar internering, fysiek, psychisch en moreel volledig op was.' Ondanks de vele brieven en de autobiografische inslag van zijn verhalen blijft zijn leven en schrijverschap gehuld 'in een mantel van discretie', zoals de biografe zelf zegt. Wat zijn de diepere oorzaken van zijn verslaving? 'Ik zie op dit ogenblik slechts één praktische oplossing: dat ik of medicamenteus of psychologisch word geholpen. Dat moet toch mogelijk zijn. Het voornaamste voor mij is dat ik van bepaalde complexen word bevrijd', zegt Van de Velde in een interview in 1970, kort voor zijn dood. Wat die complexen zijn, wordt nooit duidelijk. Van Pelt heeft die vraagtekens laten staan: 'In de biografie waag ik me niet aan een interpretatie van die complexen, maar dat wil niet zeggen dat ik er niet de wildste fantasieën bij heb gehad. In sommige brieven heb je het gevoel: nu gaat hij het zeggen! Maar hij blijft eromheen schrijven. Ik blijf hopen op brieven waarin hij er dieper op in gaat.' Heeft het systeem tekortgeschoten? Ongetwijfeld. Van de Velde was zwaar ziek en had als zodanig behandeld moeten worden. Tegelijkertijd is iedere invrijheidstelling, ondanks goede voornemens en hulp van vrienden en familie, telkens opnieuw het voorspel geweest van een terugval. Alleen de internering zorgde paradoxaal voor enige stabiliteit in zijn leven. Maar de prijs daarvoor kennen we inmiddels. Nochtans vroeg Van de Velde niet meer dan als mens tussen de mensen te mogen leven. Eind 1969, enkele maanden voor zijn dood, schrijft hij: 'Liefst zou ik in 1970 uitwijken naar een ver land, waar geen mens mij kent en waar verleden noch toekomst enig belang hebben in de zorgeloze beleving van elke zonovergoten dag. Tahiti bijvoorbeeld. Helaas kan dat niet, wegens de klassieke wetten en praktische bezwaren. Daarom een meer realistische wens voor het komende jaar. Ik hoop in 1970 eindelijk weer gewoon en onbelemmerd onder de mensen te kunnen leven. Af en toe misschien een stukje over die mensen schrijven, maar vooral samen met hen leven. Aandachtige lezers van mijn proza hebben slechts dit halve woord nodig om te begrijpen wat ik bedoel.' Het is hem niet meer vergund geweest. De aandacht voor zijn proza is gelukkig wel gebleven. Van Pelt: 'Alleen blijft die belangstelling tot nog toe vooral beperkt tot een literaire elite. Terwijl Van de Velde géén writer's writer is. Hij schrijft heel toegankelijk en heeft alles om een groot publiek aan te spreken. Als mijn biografie iets bijdraagt aan de bekendheid van zijn werk, dan is mijn opdracht geslaagd.'