'Ik floot een zacht lawijd / op een gespleten blaere: / het was een schone tijd. / Mijn hart kan niet bedaren'.

Zacht Lawijd, met de titel die refereert aan dit gedicht van Richard Minne, gaat zijn twintigste jaargang in. Opgericht in 2000, is het blad uitgegroeid tot een baken voor de literatuurgeschiedschrijving van de Lage Landen. Bijna twee decennia, met een frequentie van vier afleveringen per jaar, brengen verhalen kennis bij van onze literaire geschiedenis. Verhalen die zich situeren op het gebied van schrijversbiografie, tekstgeschiedenis, tijdschriften en uitgeverijen, literaire netwerken en cultuurgeschiedenis. De archiefaanstellingen van de Lage Landen, het Letterenhuis (Antwerpen) en het Literatuurmuseum (Den Haag), zijn de steunpilaren van het in vierkleurendruk uitgegeven blad. De redactie kan gebruikmaken van een indrukwekkende verzameling van manuscripten, foto's, dagboeken en brieven, affiches...

Wat Zacht Lawijd wellicht zo aantrekkelijk maakt, is dat het literair-historische onderwerpen over literatuur in Nederland en Vlaanderen brengt voor een breed publiek. De redactie maakt er een erezaak van onderbouwde en vlot geschreven artikelen te publiceren over hoofdzakelijk Nederlandstalige literatuur. Vermeldenswaardig, uit een even breed als rijk assortiment, zijn de lijvige themanummers over uitgevers (Bert Bakker, Reinold Kuipers, Geert van Oorschot), dossiers over Hugo Claus, Michel Seuphor en Paul-Gustave van Hecke, een bijzondere aflevering over schrijvers in de Eerste Wereldoorlog. Aandacht voor dialogen tussen Afrikaanse en Nederlandse literatuur, voor organisaties zoals PEN, de Kongoliteratuur, roemruchte schrijvers en vergeten figuren ('kleine garnalen'), opzienbarende archivalia. Journalisten, schrijvers en literatuurwetenschappers hebben met hun inzichten en verhalen het literair verleden weer sprankelend gemaakt.

Het Nederlands literatuurlandschap dreigt weer wat schraler te worden.

Zacht Lawijd kan dankzij die brede schare van schrijvers zich in het Nederlandse taalgebied vestigen als de vrijplaats voor literaire geschiedschrijving. Het is van belang aandacht te besteden aan het literair bedrijf vanuit geschiedkundig perspectief. Het verleden resoneert in het heden. Kennis van geschiedenis en belangstelling voor menswetenschappen maakt van ons rijker, ze leert beter zien en handelen. De blik wijzigt voortdurend, omdat de samenleving verandert. Vandaag maken we met wat er van toen is overgebleven, de verhalen voor vandaag. Een cultuurgemeenschap die het (literair) erfgoed verwaarloost en een verleden als definitief voorbij beschouwt, gaat weinig kritisch om met haar toekomst. Er zijn andere termen denkbaar om een gebrek aan historisch bewustzijn te benoemen.

Het Beslissingscollege van Literatuur Vlaanderen besliste eind vorig jaar de stekker eruit te halen. Het voortbestaan van Zacht Lawijd, samen met de schaarse literaire tijdschriften van vandaag, is afhankelijk van subsidies.

Tegen het drastisch besluit, een donderslag bij heldere hemel, is een bezwaarschrift ingediend dat door een Beroepscommissie wordt behandeld. Het bericht over het schrappen van de toelage betekent niet anders dan het roemloze einde van Zacht Lawijd.

Mocht Literatuur Vlaanderen vasthouden aan de beslissing en hardhorig zijn voor het verweerschrift, wordt het literatuurlandschap van het Nederlands weer schraler.

Overtuigd van de unieke plek in Nederland en Vlaanderen én in menige (privé)bibliotheek, gesteund door verontwaardigde reacties van medewerkers, benadrukken we dat op het publiek forum een plek gevrijwaard moet zijn voor cultuurhistorische verhalen.

Tijdschriften moeten zich zoals alle culturele instituties op tijd en stond heruitvinden. Wijzigingen in een uitgavenbeleid en redactiewissels zorgen voor nieuwe impulsen. De geschiedenis van het blad laat dat zien. Steeds weer andere manieren stimuleren om met het literair verleden om te gaan: dat is de opdracht die de redactie voor ogen heeft.

Ieder fluit op eigen wijze een zacht lawijd op een gespleten blare.

We roepen Literatuur Vlaanderen op om zijn beslissing te herzien, zodat het tijdschrift Zacht Lawijd zijn werk kan voortzetten. Wanneer de literaire canon en het literair erfgoed worden gesteund, kan een tijdschrift waarin literatuurgeschiedenis aan bod komt niet worden geschrapt.

Manu van der Aa, Yves T'Sjoen en Geert Swaenepoel namens de redactie.

De bijdrage is onderschreven door Kevin Absillis, Benno Barnard, Sigrid Bousset, Jeroen Brouwers, Patrick Conrad, Luc Coorevits, Paul Demets, Matthijs de Ridder, Carl De Strycker, Luuk Gruwez, Wim Hazeu, Stefan Hertmans, Peter Holvoet-Hanssen, Toon Horsten, Pol Hoste, Leen Huet, Tom Lanoye, Aad Meinderts, Koen Peeters, Leo Pleysier, Harold Polis, Ludo Simons, Ludo Stynen, Peter Theunynck, Stefan Van den Bossche, Karl van den Broeck, Walter van den Broeck, Vic van de Reijt, Leen van Dijck, Bart Van Loo, Joris van Parys, Monika van Paemel en Frank Willaert.

'Ik floot een zacht lawijd / op een gespleten blaere: / het was een schone tijd. / Mijn hart kan niet bedaren'. Zacht Lawijd, met de titel die refereert aan dit gedicht van Richard Minne, gaat zijn twintigste jaargang in. Opgericht in 2000, is het blad uitgegroeid tot een baken voor de literatuurgeschiedschrijving van de Lage Landen. Bijna twee decennia, met een frequentie van vier afleveringen per jaar, brengen verhalen kennis bij van onze literaire geschiedenis. Verhalen die zich situeren op het gebied van schrijversbiografie, tekstgeschiedenis, tijdschriften en uitgeverijen, literaire netwerken en cultuurgeschiedenis. De archiefaanstellingen van de Lage Landen, het Letterenhuis (Antwerpen) en het Literatuurmuseum (Den Haag), zijn de steunpilaren van het in vierkleurendruk uitgegeven blad. De redactie kan gebruikmaken van een indrukwekkende verzameling van manuscripten, foto's, dagboeken en brieven, affiches... Wat Zacht Lawijd wellicht zo aantrekkelijk maakt, is dat het literair-historische onderwerpen over literatuur in Nederland en Vlaanderen brengt voor een breed publiek. De redactie maakt er een erezaak van onderbouwde en vlot geschreven artikelen te publiceren over hoofdzakelijk Nederlandstalige literatuur. Vermeldenswaardig, uit een even breed als rijk assortiment, zijn de lijvige themanummers over uitgevers (Bert Bakker, Reinold Kuipers, Geert van Oorschot), dossiers over Hugo Claus, Michel Seuphor en Paul-Gustave van Hecke, een bijzondere aflevering over schrijvers in de Eerste Wereldoorlog. Aandacht voor dialogen tussen Afrikaanse en Nederlandse literatuur, voor organisaties zoals PEN, de Kongoliteratuur, roemruchte schrijvers en vergeten figuren ('kleine garnalen'), opzienbarende archivalia. Journalisten, schrijvers en literatuurwetenschappers hebben met hun inzichten en verhalen het literair verleden weer sprankelend gemaakt. Zacht Lawijd kan dankzij die brede schare van schrijvers zich in het Nederlandse taalgebied vestigen als de vrijplaats voor literaire geschiedschrijving. Het is van belang aandacht te besteden aan het literair bedrijf vanuit geschiedkundig perspectief. Het verleden resoneert in het heden. Kennis van geschiedenis en belangstelling voor menswetenschappen maakt van ons rijker, ze leert beter zien en handelen. De blik wijzigt voortdurend, omdat de samenleving verandert. Vandaag maken we met wat er van toen is overgebleven, de verhalen voor vandaag. Een cultuurgemeenschap die het (literair) erfgoed verwaarloost en een verleden als definitief voorbij beschouwt, gaat weinig kritisch om met haar toekomst. Er zijn andere termen denkbaar om een gebrek aan historisch bewustzijn te benoemen.Het Beslissingscollege van Literatuur Vlaanderen besliste eind vorig jaar de stekker eruit te halen. Het voortbestaan van Zacht Lawijd, samen met de schaarse literaire tijdschriften van vandaag, is afhankelijk van subsidies. Tegen het drastisch besluit, een donderslag bij heldere hemel, is een bezwaarschrift ingediend dat door een Beroepscommissie wordt behandeld. Het bericht over het schrappen van de toelage betekent niet anders dan het roemloze einde van Zacht Lawijd. Mocht Literatuur Vlaanderen vasthouden aan de beslissing en hardhorig zijn voor het verweerschrift, wordt het literatuurlandschap van het Nederlands weer schraler. Overtuigd van de unieke plek in Nederland en Vlaanderen én in menige (privé)bibliotheek, gesteund door verontwaardigde reacties van medewerkers, benadrukken we dat op het publiek forum een plek gevrijwaard moet zijn voor cultuurhistorische verhalen. Tijdschriften moeten zich zoals alle culturele instituties op tijd en stond heruitvinden. Wijzigingen in een uitgavenbeleid en redactiewissels zorgen voor nieuwe impulsen. De geschiedenis van het blad laat dat zien. Steeds weer andere manieren stimuleren om met het literair verleden om te gaan: dat is de opdracht die de redactie voor ogen heeft. Ieder fluit op eigen wijze een zacht lawijd op een gespleten blare. We roepen Literatuur Vlaanderen op om zijn beslissing te herzien, zodat het tijdschrift Zacht Lawijd zijn werk kan voortzetten. Wanneer de literaire canon en het literair erfgoed worden gesteund, kan een tijdschrift waarin literatuurgeschiedenis aan bod komt niet worden geschrapt.Manu van der Aa, Yves T'Sjoen en Geert Swaenepoel namens de redactie.De bijdrage is onderschreven door Kevin Absillis, Benno Barnard, Sigrid Bousset, Jeroen Brouwers, Patrick Conrad, Luc Coorevits, Paul Demets, Matthijs de Ridder, Carl De Strycker, Luuk Gruwez, Wim Hazeu, Stefan Hertmans, Peter Holvoet-Hanssen, Toon Horsten, Pol Hoste, Leen Huet, Tom Lanoye, Aad Meinderts, Koen Peeters, Leo Pleysier, Harold Polis, Ludo Simons, Ludo Stynen, Peter Theunynck, Stefan Van den Bossche, Karl van den Broeck, Walter van den Broeck, Vic van de Reijt, Leen van Dijck, Bart Van Loo, Joris van Parys, Monika van Paemel en Frank Willaert.