Dit interview verscheen in april 2011 in Knack
...

Dit interview verscheen in april 2011 in KnackGyörgy Konrád (°1933) is 78, maar blijft gedreven aan zijn oeuvre timmeren. Volgende week verschijnt een nieuw boek van hem, Slingerbeweging, dat alweer bol staat van de anekdoten, bespiegelingen en herinneringen. György Konrád: Als ik minder goed zou schrijven dan vroeger, dan behoedt de ouderdom me er misschien voor om daar iets van te merken, wat ook een genade is. Alles wat ik schrijf, geef ik eerst te lezen aan mijn vrouw Judit, die erg kritisch is. Maar het eerste wat ik van haar wil horen, is natuurlijk lof ( lacht). Nee, serieus, ik vermoed dat ik tot het einde van mijn leven zal schrijven. Ik ben kritischer voor mezelf geworden. Ik corrigeer mezelf meer dan vroeger. Maar tijdens het schrijven zelf laat ik veel meer aan het toeval over. Je stuit dan op gedachten, indrukken en zinnen die op toevallige ontmoetingen met interessante en aangename mensen lijken. Het toeval is een god in de literatuur. En het toeval is de zuster van de improvisatie. Als schrijver weet ik niet goed wat ik wil. Wat ik wil schrijven, weet ik pas als het geschreven is, als de zin op papier staat. Maar ik zie de volgende zin nog niet. Hij komt er langzaam aan. Zijn komst is altijd ietwat verrassend. Natuurlijk merk ik wel een evolutie in mijn schrijven. Naarmate ik ouder word, probeer ik eenvoudiger te formuleren, minder pretentieus, epigrammatischer, laconieker. Het nadeel van al dat schrijven is dat je er fysiek trager van wordt, dat je minder beweegt. Ik zit te veel aan tafel en beschouw het ouder worden te veel als een sport op zich. Twee maanden geleden ben ik aan mijn knieën geopereerd. Daardoor stap ik nu heel langzaam. Maar over een paar weken zou dat beter moeten gaan. Ik was een paar dagen in het ziekenhuis, waar ik een erg lastige patiënt was omdat ik me maar moeilijk aan de huisregels kon houden. Konrád: Ja, ik keek toen al graag naar buiten in plaats van aandachtig de les te volgen. Ik ging niet zo graag naar school, al weet ik ook wel dat er scholen zijn waar de kinderen zich prima voelen. Ik ervoer de school als een dwang, ik hunkerde altijd naar de buitenlucht, naar de zon, naar vrije tijd. Vrije tijd is de grootste en mooiste rijkdom in het leven. Ik fantaseerde als kind hoe ik ingenieur zou worden en hoe ik de ijzerwinkel van mijn vader zou omvormen tot een industrieel complex, dat ik daarna zou uitbouwen tot een vliegtuigfabriek. Ik had daarvoor zelfs al een geschikt terrein gevonden, aan de oever van de plas waar we in de winter gingen schaatsen. Ik droomde ervan met de inwoners van Berettyóújfalu rondjes te vliegen boven het dorp. Konrád: Al in de winter van 1944, toen ik amper elf jaar was en me op een onderduikadres in Boedapest verborg voor de fascistische pijlkruisers, moedigde mijn omgeving me aan om schrijver te worden. Het was rond Kerstmis, we waren met vele kinderen in een woning waar we met een groot aantal volwassenen samenleefden in twee kamers. De volwassenen wilden dat we rustig bleven. Daarom organiseerden ze een soort literair concours, dat ik won. In 1945 keerde ik na de Duitse nederlaag samen met mijn zus uit Boedapest naar Berettyóújfalu terug. Ons hele huis was geplunderd. We troffen er alleen maar vuilnis en drek aan. Op de vloer slingerden nog wat papieren en foto's rond. Ik vond er ook mijn eerste schoolschrift terug. Daarin stond een verhaal over een boomstam die op een schip belandde en de hele wereld rondreisde. Dat was mijn eerste geschreven vertelling. Later ging ik op gymnasium in Debrecen. Liever dan school te lopen, ging ik naar de bijbehorende bibliotheek, waar het goed naar oude boeken rook. Daar kwam ik eens een leraar tegen die me vroeg welke goede reden ik had om niet op de schoolbanken te zitten. Hij wierp een blik op het boek dat ik terugbracht en zei: 'Dat prul is geen goede reden om te spijbelen.' Ik was niet op mijn mondje gevallen en vroeg die leraar: 'Welk boek is dan wel een goede reden om van school weg te blijven?' 'Wacht even', zei de leraar. En hij dook in de diepte van de bibliotheek. Een tijdje later kwam hij terug met een stapel boeken, die hij op de tafel van de biblio-thecaris legde met de woorden: 'Als die jongen nog eens langskomt, moet u hem die boeken maar meegeven.' Konrád: Ja. Dostojevski, Gogol, Tolstoj, Stendhal... Konrád: Ja, eigenlijk schrijf je toch de hele tijd aan hetzelfde boek. Maar nu ben ik ook bezig aan een nieuwe roman, een boek met een echte plot. Daar vertel ik liever niets over, want ik ben nogal bijgelovig en denk dat het niet goed is om over projecten te praten als over dingen die al voltooid zijn. In Slingerbeweging tref je alle thema's aan die ik in al mijn boeken behandel. Het boek pendelt tussen de polariteiten die mijn oeuvre typeren: de stad staat tegenover het platteland, de kosmopoliet tegenover de troglodiet, het kleine tegenover het grote. In zo'n boek, dat vol staat met meditaties, beschouwingen en herinneringen, kun je zowat alles onderbrengen. Je kunt over hetzelfde thema telkens iets anders zeggen of dingen opdiepen die je juist nog nooit hebt gebruikt. Naarmate ik ouder word, denk ik vaak aan mijn kinderjaren terug. Toen ik jonger was, pakweg een jaar of 40, waren al die vroege herinneringen niet zo levendig in me als nu. Destijds was de tegenwoordige tijd, de actualiteit, interessanter dan het verleden. Nu ik ouder ben, verwacht ik minder van de toekomst. De toekomst interesseert me niet al te zeer. Ik duik liever in mijn herinneringen. Konrád: Je verbroedert met de dood. Soms vraag ik hem: 'Kun je vandaag komen?' Maar dan zie ik hem met het hoofd nee schudden. Dan denk ik: 'Oké, dan gaan we ons nog wat amuseren.' Die nabijheid van de dood kende ik niet toen ik jong was. Nu is hij een vriend, iemand met veel geduld. Soms heb ik echt de indruk dat het volstaat. De belangrijkste ervaringen heb ik meegemaakt. Alles wordt herhaling. Als u de ambassadeur van de dood zou zijn en u zou tegen me zeggen 'Beste vriend, nu is het moment aangebroken dat u vertrekt', dan zou ik repliceren: 'Waarom ook niet?' En toch, wat me achteraf nog het meest verbaast, is dat het leven zo kort is geweest. Konrád: Mijn vrouw en ik zijn een paar dagen naar Berlijn gekomen om er onze verjaardag te vieren. Zij verjaart een dag later dan ik. Toen we hier waren geland en in de taxi door de stad naar ons hotel reden, zei ik tegen mijn vrouw hoe aangenaam het toch was om hier te arriveren. Hier voel ik me bevrijd van de onaangename druk die in Hongarije loodzwaar op me drukt. In Hongarije heb ik altijd de indruk dat grote politieke veranderingen gevaarlijk kunnen zijn. Maar in Duitsland is de grondwet een vast gegeven, en je hoeft niet te vrezen dat de uitslag van een verkiezing op een radicale systeemwisseling zal uitdraaien, iets waarvoor ik in Hongarije wel bang ben. Als ik in Berlijn over de politieke situatie in Duitsland praat, dan duurt zo'n gesprek nooit erg lang. Mijn gesprekspartners glimlachen tijdens de discussie. Afgelopen zomer kreeg ik in Hongarije bezoek van een Duitse cultuurcommissie van de Bundestag. De leden van die commissie behoorden tot alle partijen die in het Duitse parlement vertegenwoordigd zijn. Ik was aangenaam verrast hoe beschaafd en gemanierd ze met elkaar omgingen, hoe galant en beleefd ze voor elkaar waren. Maar in mijn land spreken de vertegenwoordigers van meerderheid en oppositie niet met elkaar. Er hangt een sfeer van animositeit. Ze koesteren vijandige gevoelens voor elkaar, die almaar sterker worden. Ik denk dat de Hongaarse politici nog altijd niet begrepen hebben dat politiek eigenlijk een spel en geen oorlog is. In Hongarije heerst een vergiftigde atmosfeer, die me bedrukt en waarvan ik me hier bevrijd voel. Van 1997 tot 2003 was ik in Berlijn voorzitter van de Akademie der Künste. Ik denk graag terug aan de kalme sfeer van toen: ik was 's nachts helemaal alleen in dat grote gebouw. De rust die ik daar in alle eenzaamheid ervoer, was ook het gevolg van de zekerheid dat buiten de muren van dat pand aan de Pariser Platz honderden mensen aan het flaneren waren. Konrád: Orbán is een catastrofe voor Hongarije. Hij is begaafd, maar zijn woorden zijn hete lucht. Als hij zich tot de islam zou moeten bekeren om premier te blijven, dan zou hij dat zonder aarzelen doen. Hij wil de Hongaarse samenleving vastleggen op een heroïsch duizendjarig verleden, zonder rekening te houden met de verschrikkelijke periodes in de Hongaarse geschiedenis. Orbán schakelt alles gelijk. Hij vindt de komst van de Sovjets in 1945 even erg als de bezetting van Hongarije door de Duitsers in 1944. Maar daarmee ben ik het absoluut niet eens. Ik beklemtoon altijd weer dat de Duitsers mij in 1944 wilden doden, wat niet gold voor de Sovjets in 1945. Orbáns nieuwe grondwet staat vol pathetische dwaasheden over God en vaderland, en puilt uit van allerlei grote en plechtige woorden, die de kinderen op school binnenkort wél uit het hoofd zullen moeten leren. Alle controlemechanismen die de vrijheid van de burger tegen de willekeur van de regering verdedigen, worden opgeheven. In Hongarije zien we meer en meer een totalitaire maatschappij ontstaan, geïnstalleerd door een regering die zich op haar tweederdemeerderheid in het parlement beroept, hoewel Orbáns Fidesz-partij bij de nationale verkiezingen van april 2010 in werkelijkheid slechts 53 procent van de stemmen kreeg. Konrád: Er is een zekere compliciteit tussen de politici van de EU, die het allemaal met elkaar eens zijn dat de soevereiniteit van de nationale staten niet in het gedrang mag worden gebracht. De EU is een unie van nationale staten, en niet van Europese burgers. Het ontbreekt de EU aan controlerende instanties die een deficit aan democratie in de lidstaten serieus onderzoeken. Verder vind ik dat de Europese Commissie zich te naïef opstelt. Ze doet alsof ze de double speak van de Hongaarse regering niet verstaat. Ik heb de indruk dat Daniel Cohn-Bendit (fractieleider van de groenen in het Europees Parlement, red.) veel beter begrijpt waar het over gaat dan de christendemocratische verkozenen, die vinden dat Viktor Orbán toch wel een heel fatsoenlijke meneer is die ze niet al te veel moeilijkheden mogen berokkenen. Wat ze niet zien, is hoe Orbán de sfeer in Hongarije vergiftigt. Sinds een half jaar kunnen Hongaarse ambtenaren zonder opgave van reden binnen twee maanden ontslagen worden. De ambtenaren hebben natuurlijk angst, want zo'n maatregel is een politieke stok achter de deur. Een ambtenaar die zijn werk verliest, hoeft er in de huidige ongunstige economische situatie niet op te rekenen snel ander werk te vinden in Hongarije. Zelfs de firma's zijn bang dat ze nadelen zouden kunnen ondervinden als ze een ambtenaar engageren die om politieke redenen ontslagen is. Konrád: Nee, ik zal het land niet verlaten. Dat ze zelf maar weggaan. Al ben ik niet meer zo jong, ik zal ze toch wel allemaal overleven, al die onaangename regimes. Voor de Hongaarse Joden is de situatie dubbelzinnig. Je zult geen Joden in de regering aantreffen. In een regeringsvriendelijke krant zoals Magyar Hirlap worden de critici van Hongarije, mensen als de politicus Daniel Cohn-Bendit of de in Hongarije geboren pianist András Schiff, voor stinkende Joodse excrementen uitgemaakt, omdat ze in het openbaar zeggen dat de vrije meningsuiting gevaar loopt in Hongarije. Als een Jood het Hongaarse beleid bekritiseert, wordt dat afgedaan als irrelevant of als een leugen. Maar aan de andere kant bloeit het Joodse leven toch wel op en kun je spreken van een zekere Joodse renaissance in Hongarije. In mijn land leven tussen tachtig- en honderdduizend Joden, van wie de meesten in Boedapest. Ze hadden kunnen weggaan, maar niet alleen de ouderen, ook de jongeren zijn gebleven. Ze bezoeken graag hun vrienden in Israël, maar op de een of andere manier willen ze toch altijd terugkeren en in Boedapest blijven wonen, leven en werken. Er is een nieuw Joods zelfbewustzijn, er zijn Joodse uitgeverijen en tijdschriften, er zijn zowel Joods-orthodoxe als liberaal-reformistisch gezinde scholen. Konrád: Ik verwacht dat het nog een tijdje erger wordt. Ik denk en hoop - al is hoop een onzeker gegeven - dat de regering-Orbán, die medeplichtig is aan de verspreiding van het rechtsradicale gedachtegoed in mijn land, de volgende verkiezingen zal verliezen, ook al heeft ze nu een heel sterke greep op vooral de audiovisuele media. Het is een erg moeilijke tijd. De maatschappelijke groepen die vroeger deelnamen aan het openbare debat - ik denk bijvoorbeeld aan de vakbonden - worden niet meer gevraagd of gehoord. De regering-Orbán heeft zichzelf van de levende, intellectuele samenleving geïsoleerd. Piet De Moor