Johan Op de Beeck schrijft sneller dan zijn schaduw. Twee jaar na zijn bestseller over de Franse zonnekoning Lodewijk XIV heeft hij met Leopold II een nieuwe pil van 800 pagina's klaar. Op de Beeck, die vorig jaar ook als romanschrijver debuteerde, heeft een patent op vuistdikke biografieën van historische leiders. Met Napoleon Bonaparte vulde hij zelfs twee kloeke boekdelen, wat hem niet belette om aparte volumes over de Slag van Waterloo en het liefdesleven van de beroemde Corsicaan te publiceren.
...

Johan Op de Beeck schrijft sneller dan zijn schaduw. Twee jaar na zijn bestseller over de Franse zonnekoning Lodewijk XIV heeft hij met Leopold II een nieuwe pil van 800 pagina's klaar. Op de Beeck, die vorig jaar ook als romanschrijver debuteerde, heeft een patent op vuistdikke biografieën van historische leiders. Met Napoleon Bonaparte vulde hij zelfs twee kloeke boekdelen, wat hem niet belette om aparte volumes over de Slag van Waterloo en het liefdesleven van de beroemde Corsicaan te publiceren. In Leopold II past hij zijn beproefde recept toe. De auteur brengt een chronologisch verslag van geboorte tot overlijden, genereus citerend uit een indrukwekkende literatuurlijst. Waar bronnen ontbreken, aarzelt hij niet om in het hoofd van zijn personages te kruipen om hun dadendrang te duiden. Geschiedenis met een grote G gaat hand in hand met breed uitgemeten en vaak smeuïge anekdotes. Wie de werken over Napoleon en Lodewijk XIV kent, zal niet verbaasd zijn dat Leopolds libido dik in de verf wordt gezet. Toch is er een belangrijk verschil: met Leopold II heeft Op de Beeck gekozen voor een historisch personage dat in eigen land het voorwerp uitmaakt van een aanzwellende controverse. Origineel is zijn keuze overigens niet, want aan dezelfde protagonist werden al hele bibliotheken gewijd. Geen enkele monarch heeft dan ook meer zijn stempel op België gedrukt dan Leopold II tussen 1865 en 1909. De kwestie van het algemeen stemrecht, de invoering van de dienstplicht, de schoolstrijd tussen katholieken en liberalen, het diplomatieke koorddansen tussen de grote mogendheden: als koning speelde hij in de negentiende eeuw een actieve rol die vandaag ondenkbaar is. Maar daar gaat de controverse niet over. Als vandaag standbeelden van de baardige monarch met rode verf worden beklad, dan heeft dat alles te maken met zijn rol als stichter en absolutistisch heerser van de Congo Vrijstaat. Johan Op de Beeck besteedt niet alleen een kleine helft van zijn boek aan de koloniale onderneming, in zijn uitgebreide nabeschouwing waagt hij zich aan een slotbalans, naar eigen zeggen vrij van anachronistische vooroordelen. Hij spaart de kritiek niet op Leopold II als eindverantwoordelijke voor het gewelddadige exploitatieregime. Toch ligt het apologetisch opzet er vingerdik op. Op de Beeck, die zijn bewondering voor Leopolds daadkracht en sluwheid niet kan verbergen, doet erg veel moeite om verzachtende omstandigheden voor de wantoestanden aan te dragen. Zijn strijd tegen de slavenhandel was oprecht, en de wreedheden tijdens de rubberoogst dienen te worden afgewogen tegen de gruwelijke coutumes van primitieve stammen, zoals kannibalisme. Als uitsmijter laat hij een Congolese historicus de lof zingen van Leopold II. De koning heeft niet alleen Congo als staat op de kaart gezet, hij heeft ook het terrein geëffend voor de zegeningen van de beschaving die de Congolezen na zijn dood onder Belgisch bewind te beurt zijn gevallen. Bij dat alles dienen we volgens de auteur altijd voor ogen te houden dat Leopold II zich niet in de eerste plaats door hebzucht maar wel door hogere idealen liet leiden, met name het belang van de Belgische natie en van de dynastie. De gewezen televisiejournalist en documentairemaker is een commercieel fenomeen. Op de Beecks boeken, handig gegangmaakt door televisieoptredens, lezingen en Klara-podcasts, staan steevast wekenlang aan de top van de verkooplijsten. Dit boek zal dus meewegen in het maatschappelijk debat over Leopold II, een beladen thema overigens voor de bijzondere Kamercommissie die zich momenteel over ons koloniale verleden buigt. Reden genoeg voor Knack om drie historici, kenners van het Belgisch kolonialisme en de monarchie, het boek met de ambitieuze ondertitel te laten proeflezen. Is dit zoals de auteur pretendeert 'het hele verhaal' over Leopold II? 'Het boek is zeker niet zonder verdiensten. Verschillende zaken worden goed geduid, ik denk bijvoorbeeld aan de aanzwellende kritiek op Leopolds Congo-politiek in eigen land, met tenoren zoals Emile Vandevelde en Auguste Beernaert. Op de Beeck haalt vernietigend uit naar Adam Hochschild, de auteur van de internationale bestseller King Leopold's Ghost. Terecht, want dat boek is erg tendentieus - ik mag er niet aan denken dat het momenteel door Hollywood wordt verfilmd. Maar het is de pot die de ketel verwijt: tendentieus is namelijk het woord dat perfect bij zijn eigen boek past. 'In zijn proloog beweert de auteur de grootst mogelijke onpartijdigheid na te streven, en dat in tegenstelling tot de vooringenomenheid van de Angelsaksische geschiedschrijving over de Congo Vrijstaat. Van die nobele intentie komt niks in huis: zijn boek is vooral een compilatie van alle argumenten pro Leopold II. Inderdaad, er wordt ook scherpe kritiek op Leopold II gegeven, maar het aantal bladzijden met 'verzachtende omstandigheden' is veel groter. 'Op de Beeck gaat daarbij soms zelfs manipulatief te werk. Hij schrijft dat hij het niet over Congo zelf wil hebben, maar enkel over de rol van koning Leopold. Toch vult hij ettelijke pagina's met citaten van vroegkoloniale bronnen die een beeld oproepen van een maatschappij waar primitieve stammen elkaar afslachten en waar kannibalisme schering en inslag is. Enige bronnenkritiek komt er niet aan te pas, hij overweegt niet eens de mogelijkheid dat dergelijke getuigenissen als koloniale propaganda werden opgetekend. De lezer krijgt zo de indruk dat kannibalisme een veralgemeende praktijk was, een vooroordeel waarmee postkoloniale auteurs zoals Jan Vansina en Bambi Ceuppens al lang hebben afgerekend. Die studies worden niet geciteerd. 'De auteur doet er alles aan om de Angelsaksische campagne tegen het schrikbewind in de Congo Vrijstaat verdacht te maken. E.D. Morel, de Britse journalist die samen met de Britse diplomaat Roger Casement het gezicht van die campagne vormde, wordt als dramatisch en fanatiek omschreven, iemand die zich bovendien liet sponsoren door Brits-koloniale lobbyisten die afgunstig naar Leopolds privékolonie keken. Over Mark Twain lezen we dat zijn steun aan de campagne door opportunisme werd ingegeven, om zijn tanende schrijverscarrière nieuw leven in te blazen. Dat kan allemaal wel zijn, maar het contrast met alle nuances die hij aanbrengt over Leopolds zwakkere kanten is opvallend. Alleen Roger Casement krijgt lof, maar van zijn kritische rapport geeft Op de Beeck dan de details die hem uitkomen: eerst een fout die Casement maakt, verder in het boek ook de aspecten die Casement goed vond aan Leopolds Congo. Het illustreert hoe selectief hij te werk gaat. 'Op de Beeck draait het bekende riedeltje af dat de Britten beter voor hun eigen deur konden vegen, net zoals de andere koloniale mogendheden, en verwijst onder meer naar de onderdrukking van de Boeren in Zuid-Afrika. Het klopt dat alle koloniale systemen gepaard gingen met geweld en repressie. Maar er is een reden waarom Leopold II de populairste schietschijf was voor criticasters: het geweld en de uitbuiting waren in de Congo Vrijstaat veel flagranter dan elders. 'Consequent is hij niet. Hij trekt de oprechtheid van Morel en Twain in twijfel, maar aan Leopolds goede bedoelingen hecht hij wel geloof. Leopolds verontwaardiging over fenomenen zoals slavernij of kannibalisme beschouwt hij als oprecht. Die goedgelovigheid is merkwaardig in een boek waarin Leopold doorlopend wordt geprezen voor zijn arglistigheid en talent om zijn ware bedoelingen te verdoezelen. Die bewondering voor een leugenaar vind ik op zichzelf opmerkelijk. Op de Beeck zegt daarmee in feite dat sluwheid een synoniem zou zijn voor staatsmanschap. 'Al bij al serveert hij het oude narratief: Leopold was de geniale koning die het kleine België een kolonie heeft geschonken, een visionair bovendien die veel slimmer was dan de Belgen met hun kerktorenmentaliteit. Daar valt veel op af te dingen. Leopold was vooral een gokker met een gelukkige hand. Zonder de uitvinding van de rubberband was zijn koloniale constructie in elkaar geklapt.' 'Ik zou dit boek nooit uit vrije wil uitlezen, daar is het veel te wijdlopig voor. Gelukkig kon ik me toespitsen op de hoofdstukken over de Belgische politiek. Maar zelfs dan ging ik me gaandeweg meer en meer ergeren. Dit boek doet geen recht aan de geschiedenis van onze constitutionele monarchie, die Op de Beeck overigens verrassend slecht kent. Zo schrijft hij dat de koning de grondwettelijke macht had om een wet niet goed te keuren. Dat is constitutionele nonsens. 'In het boek zitten grote hiaten en blijven belangrijke figuren onderbelicht. Neem nu de kwestie van het algemeen stemrecht. Leopold II verzette zich daar met hand en tand tegen, voor hem moest alles bij het oude blijven. Zijn eerste reactie op stakingen en betogingen was militairen sturen. Het was Auguste Beernaert, zijn katholieke premier die de situatie veel beter inschatte, die toen een zware crisis heeft vermeden. Dat wordt niet echt duidelijk gemaakt: Op de Beeck maakt Leopold II veel slimmer en machtiger dan hij in werkelijkheid was. Het klopt dat hij meteen na zijn troonsbestijging ijverde voor een modern leger, hij vond onder meer dat het lotelingensysteem moest worden vervangen door de invoering van een dienstplicht. Maar wil dat zeggen dat Leopold visionair was? Dit boek wekt de indruk dat hij toen al de spanningen voorvoelde die veel later tot de Eerste Wereldoorlog zouden escaleren. Dat is onzin, de toenmalige politici hadden goede redenen om de militaire ambities te temperen. In 1830 hadden de grootmachten het ontstaan van België gedoogd op voorwaarde dat het een neutrale staat zou blijven. Een machtig leger was dus nergens voor nodig. Dat het parlement in 1909 toch een beperkte dienstplicht invoerde, bewijst alleen dat de politici in staat waren om in te spelen op de gewijzigde omstandigheden, meer bepaald het ontstaan van twee machtsblokken in Europa. Op de Beeck echter laat uitschijnen dat Leopold op zijn sterfbed zijn grote gelijk heeft gehaald. 'De auteur koestert te veel sympathie voor zijn onderwerp - een klassieke val voor biografen. Hij had beter een hoofdstuk ingelast om de macht van Leopold II te relativeren. De tweede koning der Belgen was een reactionair die gefrustreerd raakte omdat hij anders dan zijn vader rekening moest houden met sterke ministers en parlementairen. Ook op zijn genie valt af te dingen. Standvastigheid is een deugd, maar niet als ze doorslaat naar koppigheid. Een mooi voorbeeld is de tumultueuze troonrede van 1892, waarover Op de Beeck wel schrijft maar dan zonder de essentie te duiden. Leopolds speech werd onderbroken door liberale parlementsleden die 'Vive le suffrage universel' ('Leve het algemeen stemrecht!') riepen, terwijl vanaf de publiekstribune socialistische vlugschriften werden gegooid. Leopold was woedend, hij nam het als een persoonlijke belediging, terwijl het om een politieke actie ging die niet eens tegen de monarchie was gericht. Die onredelijke wrok verklaart waarom België anders dan Nederland geen troonrede kent, nochtans een waardevol ritueel in een parlementaire monarchie. 'Dat het boek wemelt van de smeuïge passages over het seksleven van de koning, ach ja. De auteur mikt op een breed publiek, dat is zijn goed recht. Het liefdesleven van een monarch kan trouwens historisch relevant zijn, denk maar aan het huwelijk van Leopold III met Lilian Baels. Dat geldt niet voor de buitenechtelijke scharrels en bordeelbezoeken van Leopold II. Hooguit kun je stellen dat zijn onbeschaamde voorliefde voor minderjarige meisjes op zijn populariteit heeft gewogen, net zoals zijn omstreden Congobeleid en zijn praalzucht. Niet dat hij daar wakker van lag, dat heeft Op de Beeck wel goed gezien met een treffend citaat. Populariteit is zoals eb en vloed, heeft Leopold II ooit gezegd. Aangezien je het niet kunt beïnvloeden, moet je er ook geen aandacht aan besteden.' 'Ik ben een secure lezer als het over Congo gaat, bij de geringste twijfel duik in de vakliteratuur om te factchecken. Vermoeiend als een boek wemelt van de fouten. Albert Thys was een belangrijke figuur in de Congo Vrijstaat, maar dat hij in Katanga als kolonel rondliep, zoals ik op pagina 315 las? Klopt niet, ik ben het gaan napluizen in de Belgische Koloniale Biografie. En op pagina 435 wordt bij een foto van rubberkappers, gemaakt door een onbekende fotograaf, een Amerikaanse bron uit 1905 vermeld. Ik ken dat beeld uit het archief van Tervuren, net zoals de naam van de koloniaal ambtenaar die de foto in 1912 heeft gemaakt. Zo kan ik doorgaan, ook de bibliografie wemelt van de slordigheden. Sommige bronnen worden twee keer vermeld, zo krijg je natuurlijk een lange lijst. Op de Beeck heeft ongetwijfeld veel gelezen, maar heel wat essentiële titels ontbreken, onder meer enkele standaardwerken over Henry Morton Stanley. Ik vraag me ook af waarom hoofdstuk 14 'Het sleuteljaar 1885' als titel draagt, terwijl er in dat hele hoofdstuk geen woord over dat jaar wordt gerept. Het gaat over de aanloop naar de Geografische Conferentie in Brussel van 1876, het échte sleuteljaar in het verhaal van de Congo Vrijstaat. 'Maar dat is niet de reden waarom ik me tijdens het lezen boos hebt gemaakt. Leopold II wordt neergezet als de geniale staatsman die de primitieve inlanders naar het pad van de beschaving heeft geleid, weliswaar met harde hand maar met nobele bedoelingen. De passages over kannibalisme zijn zonder meer stuitend. Op de Beeck neemt het frame over van vroegkoloniale racisten van wie velen zelf tot hun knieën in het bloed stonden. Er zijn genoeg publicaties waarin fenomenen zoals slavernij en kannibalisme in Congo tot hun ware proporties worden herleid, zowel wetenschappelijk als vulgariserend. Op de Beeck heeft ze niet gelezen, en van historische kritiek of bronnenkritiek heeft hij nooit gehoord. Ik overdrijf niet: als dit boek in het Frans wordt vertaald, staat heel Franstalig Afrika op stelten. 'Ik bereid zelf een publicatie voor over de campagne tegen de slavenhandel. Er was niets oprechts aan Leopolds verontwaardiging. De strijd tegen de gearabiseerde slavenhandelaars was een afleidingsmanoeuvre voor zijn koloniale ambities, en tegelijkertijd een alibi om geld af te troggelen van goedgelovige geldschieters zoals de vrome familie d'Ursel. De echte activisten tegen de slavernij doorzagen dat maar al te goed. Leopold II werd in die kringen niet voor niets le grand négrier, de grote slavenhandelaar, genoemd. 'De auteur wil ons verder laten geloven dat Leopold II niet door geldzucht werd gedreven. Hij heeft veel eigen geld gepompt in de Congo Vrijstaat, op een bepaald moment moest hij zelfs besparen op zijn lunch in Brussel. Het is een aandoenlijke anekdote, maar de waarheid is dat Leopold immense fortuinen uit Congo heeft gesleept. Historicus Jean Stengers heeft dat al in 1957 aangetoond, in een publicatie voor de Koninklijke Academie voor Koloniale Wetenschappen waarin hij Leopold als le roi commerçant ontmaskert. Dat kwam hem op veel kritiek te staan, want in die tijd stond Leopold II nog stevig op zijn sokkel als de koning-beschaver. Op de Beeck spant me trouwens voor zijn kar. Hij haalt een citaat van mij aan waarin ik me distantieer van de decolonize-activisten die standbeelden bekladden. Voor alle duidelijkheid: ik blijf bij dat standpunt, ik ben geen iconoclast. Maar ik vind het verwerpelijk dat hij mij samen met enkele Congolese historici gebruikt om Leopold II te rehabiliteren. In zijn conclusies slaagt hij er zelfs in de verwezenlijkingen van de Congo Vrijstaat als argument à decharge voor Leopold II uit te spelen. Dat vind ik wel erg kras. Over Belgisch Congo heb ik een genuanceerd oordeel, maar over de Congo Vrijstaat kan ik werkelijk niks positiefs vertellen. Heeft Leopold II in de Evenaarsprovincie ooit een ziekenhuis of school gebouwd voor de Congolezen? Als Op de Beeck er een kent, mag hij het me komen vertellen.'