Een kleine twee decennia geleden was Rodaan Al Galidi, toen nog asielzoeker, te gast op het Antwerpse literatuurfestival ZuiderZinnen. Hij raakte er aan de praat met Maud Vanhauwaert, op dat ogenblik nog studente, die de optredens presenteerde. 'Ik ben nooit vergeten hoe ze me destijds benaderde', vertelt Al Galidi. 'Ze sprak met mij als een mens, niet als een asielzoeker. Ik was toen ook erg onder de indruk van haar taalgevoel.'
...

Een kleine twee decennia geleden was Rodaan Al Galidi, toen nog asielzoeker, te gast op het Antwerpse literatuurfestival ZuiderZinnen. Hij raakte er aan de praat met Maud Vanhauwaert, op dat ogenblik nog studente, die de optredens presenteerde. 'Ik ben nooit vergeten hoe ze me destijds benaderde', vertelt Al Galidi. 'Ze sprak met mij als een mens, niet als een asielzoeker. Ik was toen ook erg onder de indruk van haar taalgevoel.' De twee zochten elkaar na dat optreden nog geregeld op, tot Al Galidi als gevolg van een collectieve regularisatie opnieuw in Nederland kon gaan wonen. Hoe het Maud Vanhauwaert verder was vergaan, kwam Al Galidi te weten via zijn boekhandel in Zwolle. 'Daar lag plots een dichtbundel van haar. Wow, dacht ik, ze is dichter geworden. Ik hoop dat ze ook mens is gebleven. Want zoals u weet: dichters worden soms goden.' Vanhauwaert: 'Wij hebben elkaar de afgelopen tien jaar nog weleens gezien op een literaire avond, maar veel contact is er, sinds Rodaan in het hoge noorden woont, niet meer geweest. Maar toen kwam dus de vraag of Rodaan en ik de handen in elkaar wilden slaan voor dit Poëziegeschenk.' Met twee dichters aan één bundel schrijven lijkt geen evidente opdracht. Maud Vanhauwaert: Al van bij het begin hebben we ervoor gekozen om niet op zoek te gaan naar één stem of één taal. We hebben, geheel in de lijn van deze tijd, de afstand tot elkaar bewaard. En zoals anderen die afstand proberen te overbruggen met telefoongesprekken of videogesprekken, hebben wij dat geprobeerd met onze poëzie. Zo heb ik, als een soort knipoog, twee regels uit een gedicht van Rodaan gebruikt voor mijn cyclus. Maar misschien vind de lezer de verbinding ook in het wit tussen de regels. En die lezer zal ook wel voelen dat wij beiden dichters zijn die in de wereld staan, hoe verschillend onze toon ook mag zijn. Rodaan Al Galidi: Eten, drinken, muziek maken of slapen... Ik kan zowat alles samen met een ander doen. Maar een gedicht schrijven? Nee, dat lukt niet. Dat komt omdat ik de persoon die mijn gedichten schrijft niet ken. De gedichten komen naar mij, op een moment dat ik zelf niet kan bepalen. Zoals ik ook zelf niet kan bepalen welke toon ze hebben of welke thema's ze aanraken. De opdracht was om gedichten over het thema 'samen' te schrijven. Al Galidi: Ik heb me van dat thema eerlijk gezegd niet zo veel aangetrokken. (lacht). Ik denk ook niet dat ik de opdracht had aanvaard als ik het alleen had moeten doen, zonder Maud. Om heel eerlijk te zijn: ik heb ja gezegd vanwege Maud, en de dierbare herinneringen aan de contacten die we ooit hebben gehad. Het thema nodigt ook wel uit tot kleffe clichés. Al Galidi: Het hangt er maar van af wat je ermee doet. 'Oorlog' en 'vrede', dat zijn ook banale clichés. Tot je leest hoe Lev Tolstoj ze onder handen neemt, en ze een magische dimensie krijgen. Het banale tot magie verheffen, misschien is dat wel de belangrijkste opgave van de literatuur. Vanhauwaert: Ik heb wel even moeten nadenken over de vraag hoe ik de potentiële klefheid van dit thema zou kunnen omzeilen. In mijn cyclus gebruik ik een citaat van Fernando Pessoa. 'Dichter zijn is niet echt mijn ambitie. Het is alleen mijn manier om alleen te zijn.' Dichters zijn vaak eerder op zoek naar dat alleen-zijn, en cultiveren dat zelfs. Tegelijk zijn ze soms net hele grote verbinders. Wat ik zo wonderlijk vind aan poëzie is dat ze, binnen die microkosmos van het gedicht, beelden of ideeën kan samenbrengen die elkaar nooit eerder raakten, en zo ons associatief vermogen prikkelen en wakker houden. Dat 'samenbrengen' is ook vaak mijn betrachting. Ik vergelijk het graag met twee stokjes die, door ze tegen elkaar te wrijven, een vonk geven. Die vonk, dat is voor mij de poëzie. Ze ontstaat door wrijving van beelden, ideeën en werelden. Die verbinding kan tot harmonie leiden, maar even goed tot frictie of disharmonie. U brengt in uw cyclus zeven zeer verschillende citaten en werelden samen. Van Donald Trump via Fernando Pessoa tot wijlen uw grootmoeder. Vanhauwaert: Ik vond het wel spannend om, voor een groot publiek, iets te maken wat net iets experimenteler is dan mijn andere werk. De uitdaging was om zeven zinnen waar ik op de een of andere manier aan was blijven haperen, samen te brengen tot spannende, nieuwe, op een of andere manier samenhangende composities. In het eerste gedicht speel ik met de bijzinnen, in het tweede met de woorden, in het derde met de lettergrepen, en in het vierde ga ik vrijelijk aan de haal met alle letters van die citaten. Het was een pittig puzzelwerk. U noemt het 'verwoede pogingen tot coalitievorming'. Vanhauwaert: Dat verraadt dat ik aan de cyclus begonnen ben op een ogenblik dat België nog geen regering had. Maar de term coalitie is hier natuurlijk niet politiek bedoeld. De coalitie waar ik op doel, is de verbinding tussen meningen, uitspraken van politici, gesprekken met intimi en ga zo maar door. Hoe kun je daar als individu een draaglijke samenhang in vinden? Om het met een woord uit de poëzie te zeggen: hoe rijm je dat alles? Voor mij is poëzie het ideale medium om op die vraag te antwoorden. U koos ook een citaat van SP-A-voorzitter Conner Rousseau: 'Ik wil dat dit land vooruitgaat.' Waarom koos u uitgerekend zo'n hemeltergend cliché? Vanhauwaert: Precies omdat het zo'n cliché is. Ik wilde nagaan of er, door het te verdraaien, uit die banaliteit toch poëzie te trekken viel. Taal die de verbeelding kan aanspreken. Ik had natuurlijk zeven fantastisch mooie versregels kunnen kiezen, maar dat vond ik minder spannend. Het idee was om een variatie te zoeken van zinnen die blijven hangen: klinkende slogans, goede raadgevingen, maar ook boude boutades en loze leuzen. Meneer Al Galidi, u schreef, netjes binnen het thema, een gedicht over de dood en het leven, die 'eeuwig verbonden' zijn en 'naar dezelfde school' gaan. Hoe moeten we dat begrijpen? Al Galidi: Het leven en de dood liggen nog geen centimeter van elkaar. Je bent ook nooit meer levend dan op het moment waarop het leven en de dood elkaar willen omhelzen. Het dagelijkse leven kan een sleur zijn, met doodse winterdagen die allemaal op elkaar lijken. Maar als ik op zo'n saaie dag naar u kom en zeg: 'Wij gaan u om 16.00 uur doden', dan gaat u plots intenser leven dan ooit tevoren. Dat idee wilde ik overbrengen in dit gedicht, op een zo zacht mogelijke manier. U moet weten, er zit ook een persoonlijk verhaal achter dit gedicht. Ik heb de afgelopen jaren een broer en een zus verloren. Mijn broer werd slachtoffer van het geweld in Irak. Ik heb met zijn dochter gebeld, en die zei: 'Hij is in de hemel. Ik zie hem elke avond. En als ik wakker word ook een beetje. Een halfuur, misschien.' Die vrolijkheid vond ik triest, moeilijk te begrijpen, maar ook wel wonderlijk. En het inspireerde me tot dit gedicht. Een vrolijk, zacht gedicht over de dood. Niet alles wat u in deze bundel schrijft lijkt zo zacht. Zo is er ook een gedicht met als titel 'Politiek gedicht dat zijn best doet om haat en geweld op te roepen'. Al Galidi: Ik vertelde u dat het iemand anders is die mijn gedichten schrijft. (lacht) Ik haat die persoon, omdat die niet naar me luistert. Dus probeer ik hem soms te irriteren met titels waarvan ik weet dat hij ze niet goed zal vinden. In een ander gedicht roept u op tot een collectief zwijgen. 'Ook met al het gelijk en geen enkele tand, is nu de mond het gevaarlijkst. Niet slechts een minuut stilte... De wereld heeft decennia mond houden nodig.' Waarom moeten wij onze mond houden? Al Galidi: Ik heb in deze coronatijd het woord zwijgen ontdekt. Het is de beheersing van alle woorden in jou. Als ik zwijg, zet de taal een stap terug, en komt er iemand naar boven die kijkt als een kind van drie. Ik kijk naar de boom, zonder de drang om de boom of de soort te benoemen. De taal is als een slechte zonnebril. Het maakt me rustig om ze niet te gebruiken. Al maanden geef ik geen optredens en praat ik nauwelijks met vrienden. Ik heb nauwelijks geld en zwijg. Dat is een grote rijkdom. De lockdowns dwingen ons tot verstilling en, in sommige gevallen, vertraging. Is dit een gouden tijd voor de dichter? Al Galidi: Ik zie de coronatijd als een benzinestation langs een Europese snelweg. Je wilt zo snel mogelijk naar Parijs of Berlijn rijden, maar onderweg ben je gedwongen om te stoppen. Je moet pissen, en maakt van de gelegenheid gebruik om een koffie te drinken en wat om je heen te kijken. Even ben je uit die metalen box, even zijn er geen files of inhaalmanoeuvres. Vanhauwaert: Het is een mooi beeld, al klopt het natuurlijk alleen maar voor mensen die zich die pauze kunnen veroorloven, zoals ik. Ook ik heb genoten van de rust en de ruimte. Zeker tijdens de tweede lockdown had ik het gevoel dat ik eindelijk eens kon samenvallen met mijn eigen hartritme. Maar er is ook een andere kant aan dit verhaal. Er zijn mensen die nu nog harder moeten hollen, en die zichzelf noodgedwongen voorbij moeten lopen. Dat contrast tussen die twee groepen is schrijnend, al heb ik gemerkt dat ook mensen uit die overbelaste groep op zoek gingen naar de schoonheid en de troost die poëzie probeert te brengen. Ik was nauw betrokken bij Dichters van Wacht, een soort poëziehulplijn. Dat was een verbazend groot succes. Ik had verwacht dat het alleen een select groepje van liefhebbers zou aantrekken, maar niets was minder waar. Ik herinner me bijvoorbeeld een gesprek met een zorgkundige op intensieve zorg, die op weg naar huis blijkbaar behoefte had aan poëzie en ons vanuit de auto belde. Er was ook het initiatief van Carl Norac, de Dichter des Vaderlands, die Belgische dichters vroeg om gedichten te schrijven voor mensen die een dierbare hadden verloren. Ik heb er ook een geschreven, op basis van een gesprek met een meisje van wie de grootvader aan covid-19 was overleden. Poëzie is nergens zo populair als op uitvaartplechtigheden. Vanhauwaert: Terwijl het net een kunstvorm is die zich heel makkelijk laat inschuiven in onze snelle levens. Ik heb helaas niet altijd de mentale ruimte om een dikke roman te verslinden, hoe graag ik dat ook doe. Ik vind het veel makkelijker om, tijdens een kort verloren moment, een gedicht te lezen. Voor mij is poëzie iets wat deel uitmaakt van mijn dagelijkse bestaan. Ik kan ook niet zonder, in die mate dat ik me er wel eens over verwonder dat zo veel mensen dat blijkbaar wél kunnen. Hoe doen ze dat toch, leven zonder zich regelmatig te verliezen in poëzie of, bij uitbreiding, kunst? Al Galidi: Mensen hebben de behoefte om te kreunen en te zuchten, ook vanwege pijn die er niet is. Sommige mensen vervullen die behoefte door te schreeuwen, te boksen of te sporten. Maar er is ook de poëzie, de mooiste, meest beschaafde en minst zielige manier van kreunen. Onlangs miste ik de zee, die zo veraf is in de schuur waar ik werk. Ik hoefde mijn ogen maar te sluiten en zachtjes een gedicht te prevelen om ze te horen en te ruiken. (citeert uit eigen werk) Ik wil naast je liggen/ zoals de golf naast de golf./ Ik wil één met je worden/ zoals de golf met de golf.Vanhauwaert: Ik zie poëzie ook als een soort mentale fitness. Het is, zoals yoga dat is voor sommige mensen, een manier om even samen te vallen met jezelf. Maar tegelijk is het ook een vorm van hersentraining. Door poëzie te schrijven of te lezen, ga je nieuwe associaties en bruggetjes maken tussen ideeën en beelden. Ik hou er ook van als ik een gedicht niet meteen begrijp. Dan begint het te jeuken en te knagen. Hoe kan ik van die verschillende beelden een coherent geheel maken? Hoe maak ik van dit gedicht een samenleving? Soms moet ik een gedicht heel veel lezen vooraleer het zich voor me opent. Dat kan ik bijna fysiek voelen. Alsof je hersenscellen openklappen. De Poëzieweek loopt van 28 januari tot 3 februari. Meer op www.poezieweek.com.