Van kindsbeen af heb ik in mijn West-Vlaamse bakermat het gevoel gehad dat ik niet gratis naar binnen mocht in de zaal van het bestaan. In feite was er alleen plaats voor de eerste en de beste en niet voor de zesendertigste die ik meende te zijn. Binnen kon ik alleen wanneer ik erin slaagde een toegangsticket te verwerven. En daartoe diende prestatie na prestatie neergezet. Ik groeide op in Deerlijk, in een regio waarover de doem van het doen hing. Haast vanaf mijn eerste klasje had ik het gevoel in een zozeer van commercie doordesemde streek niet te kunnen gedijen. Mijn vader, een handelsreiziger in textiel, legde vaker het accent op wat moest dan op wat mocht. Ik neem het hem niet langer kwalijk: ook hij was een kind van zijn streek en zijn tijd.'
...

Van kindsbeen af heb ik in mijn West-Vlaamse bakermat het gevoel gehad dat ik niet gratis naar binnen mocht in de zaal van het bestaan. In feite was er alleen plaats voor de eerste en de beste en niet voor de zesendertigste die ik meende te zijn. Binnen kon ik alleen wanneer ik erin slaagde een toegangsticket te verwerven. En daartoe diende prestatie na prestatie neergezet. Ik groeide op in Deerlijk, in een regio waarover de doem van het doen hing. Haast vanaf mijn eerste klasje had ik het gevoel in een zozeer van commercie doordesemde streek niet te kunnen gedijen. Mijn vader, een handelsreiziger in textiel, legde vaker het accent op wat moest dan op wat mocht. Ik neem het hem niet langer kwalijk: ook hij was een kind van zijn streek en zijn tijd.'Als prille twintiger verliet Luuk Gruwez zijn geboortegrond en streek neer in Hasselt, in 'het land van de wangen', zoals hij het oosten van Vlaanderen in 1998 doopte in zijn gelijknamige autobiografische boek. Mensen hadden daar, zo heette het, altijd een zachtaardige glimlach op het gezicht. Het was er heel anders dan in het westen van Vlaanderen, dat hij destijds omschreef als 'het land van de handen': daar werd je identiteit afgewogen aan wat je deed en hoeveel geld je verdiende. Het was de westerse cultuur tot in het burleske uitvergroot. Uit Gruwezs nieuwe boek, Het land van de handen, blijkt eens te meer dat tijden en mensen veranderen. In deze pendant van Het land van de wangen maakt hij de omgekeerde beweging, van oost naar west. Een teder brieven- en aantekeningenboek is het geworden, waarin hij niet alleen de liefde en de vriendschap fêteert, maar ook met veel mededogen en herkenning schrijft over de sukkels en stotteraars van deze wereld. Het begint in het Lijsternest, het voormalige huis van Stijn Streuvels in Ingooigem, dat vandaag een schrijversresidentie is - Gruwez verbleef er al een paar keer. Eindigen doet het in de abdij van Westvleteren, waar de prior, een oud-klasgenoot van de schrijver, van tijd tot tijd zijn gastheer is. Tussen intredezang en benedictie, twee elementen van de katholieke mis, brengt het boek Gruwez in beeld als een zestiger die het einde voelt naderen en misschien net daarom terugverlangt naar zijn roots. Maar er is ook het besef dat hij het misschien allemaal iets te zwaar heeft aangezet, tweeëntwintig jaar geleden. Limburg is minder het land van de wangen gebleken dan hij dacht. En ook zijn mercantiele vader was al bij al niet zo hard als hij had laten doorschemeren. 'Na zijn dood heb ik ontdekt dat hij er trots op was dat ik van tijd tot tijd met mijn kop in de krant stond', vertelt Gruwez wanneer we hem ontmoeten in Huize Sehnsucht, zoals hij zijn Hasseltse woning in Het land van de handen noemt. 'Ik vond een map met foto's die hij gemaakt had bij mijn gedichten - een ongelooflijk emotioneel moment. Tegenover mij heeft hij nooit een woord van bewondering over zijn lippen gekregen, maar ik hoorde van zijn klanten dat hij wel opschepte over mij. Typisch West-Vlaams.' 'My theme is memory, that winged host', laat Evelyn Waugh hoofdrolspeler Charles Ryder zeggen in Brideshead Revisited, zijn roman uit 1945. Die ligt Gruwez na aan het hart, zo lezen we. 'De herinnering is ook mijn thema, ja', zegt hij. 'Veel in mijn nieuwe boek heeft te maken met mijn kijk op tijd.' Luuk Gruwez: Heel wat mensen vinden het nu-moment, dat tot de wereld van de onmiddellijke bevrediging behoort, erg belangrijk. Maar ik kan er niet zo van genieten. Wat is het heden anders dan een scharnier tussen verleden en toekomst? Een mensenleven is toch veel meer dan dat? Maar 'niet terugblikken' is in onze maatschappij bijna gepromoveerd tot een gedragscode. Ik heb heimwee naar het heimwee van vroeger, toen heimwee nog gewoon mocht. Of zoals de laatste zin van het boek luidt: 'Er is geen ander paradijs dan Paradise Lost.' Is het ook heimwee naar de tijd dat veel van de mensen over wie u schrijft nog leefden? Gruwez: Er wordt inderdaad flink gestorven in Het land van de handen. Ik heb altijd een grote, haast kinderlijke fascinatie voor de dood gehad - als adolescent koketteerde ik er zelfs mee, als een soort dandy. En hij is ook heel dichtbij gekomen. Mijn ouders stierven binnen een maand van elkaar, eenenvijftig en vierenvijftig zijn ze geworden. Ik kreeg te horen dat ik MS had. Die ziekte heeft zich gelukkig op wonderbaarlijke wijze gestabiliseerd, maar heeft wel drie jaar van mijn leven verpest. En vooral: mijn geliefde werd tot drie keer toe door kanker geteisterd. Schrijft u om de dood af te houden? Gruwez: Het is dubbel. Enerzijds sloof je je al schrijvende uit voor die tien minuten genoegdoening die erop volgen, anderzijds heeft schrijven ook een verslavend effect. Een paar jaar geleden nam ik deel aan het Parijse poëziefestival Marché de la Poésie. Ik zat in het dieptepunt van een depressie, en toen me gevraagd werd wat mijn houding was tegenover de poëzie, antwoordde ik: "Ik verafschuw de poëzie omdat ik haar te veel nodig heb." Ik zou weleens zonder haar willen kunnen. Geef me de keuze en ik ga voor een veel simpeler bestaan. Net zoals mijn vader zou ik dan niets liever willen worden dan schaapherder in een verre zuiderse vallei. Iedereen schrijft natuurlijk ook uit ijdelheid. Vroeger was ik het verlegenste jongetje van de klas. En toch wil ik gezien worden. Dat verscheurt me - je moet al een redelijke eigendunk hebben om je, toch enigszins opgedirkt, prijs te kunnen geven aan de buitenwereld. Toch ben ik niet tegen ijdelheid. Die is veel vruchtbaarder en socialer dan trots. Wie trots is, sluit zich af van de buitenwereld. Wie ijdel is, is bereid tot communicatie. Zolang je maar blijft beseffen dat we van stof gemaakt zijn en tot stof zullen wederkeren. 'Ik ben op het tijdstip gekomen dat ik alleen nog in voorlopigheid geloof', schrijft u. Gruwez: Dat heeft zeker met de naderende dood te maken, maar ook met een zelfbeschermende reflex. Ik geloof al heel mijn leven in het Latijnse begrip nescio: 'ik weet het niet'. Ik heb meer twijfels dan zekerheden. Dan hang je bijna automatisch de voorlopigheid aan. Die voorlopigheid toch overwinnen: dat probeer ik te doen in Het land van de handen, bijna vanuit een dierlijke impuls. Tevergeefs, ik weet het, maar de menselijke biologie eist dat. Die is zoveel sterker dan onze ratio. Ik ben eerder een romanticus van de buik dan van het hoofd. De laatste decennia zijn we onze dierlijkheid veel te vaak gaan onderdrukken. We miskennen, vind ik, dat wat ons drijft nogal eens van biologische aard is. Vandaar misschien ook mijn grote dierenliefde. Behalve voor de poedel, die ik soms kaal zou willen plukken. Krulletje na krulletje. (lacht)Ligt die biologische drijfveer ook aan de basis van uw poëzie? Gruwez: Ik durf zelfs te beweren dat kunstcreatie voor de mannelijke bedrijvers een soort penisverlenging is. Een gedicht is als een pauwenstaart, de dichter maakt er zich aantrekkelijk mee. Als hij maar mooi genoeg kan schrijven, denkt hij het mooiste meisje van de wereld te kunnen verleiden. En lúkt dat ook? Gruwez: Nee, helemaal niet. Uiteindelijk blijven dichters toch altijd sukkels en stotteraars.