Joost de Vries is een belezen man. En die kennis etaleert de Nederlandse schrijver-journalist zonder veel scrupules in zijn nieuwe essay. Het tegendeel zou vreemd zijn: het is net de basisstelling van Echte pretentie. Waarom het zo irritant is en waarom we niet zonder kunnen. Veel weten is goed, vindt De Vries, en zo dompelt hij zijn lezer genadeloos onder in de ideeën van socioloog Pierre Bourdieu, schrijfster Susan Sontag, regisseur Alexander Payne, toneelschrijfster Yasmina Reza en vele anderen.
...

Joost de Vries is een belezen man. En die kennis etaleert de Nederlandse schrijver-journalist zonder veel scrupules in zijn nieuwe essay. Het tegendeel zou vreemd zijn: het is net de basisstelling van Echte pretentie. Waarom het zo irritant is en waarom we niet zonder kunnen. Veel weten is goed, vindt De Vries, en zo dompelt hij zijn lezer genadeloos onder in de ideeën van socioloog Pierre Bourdieu, schrijfster Susan Sontag, regisseur Alexander Payne, toneelschrijfster Yasmina Reza en vele anderen. De Vries schreef al eerder over het onderwerp. Het artikel dat hij in april 2016 voor De Groene Amsterdammer maakte, riep veel reactie op. In die mate dat De Vries erover bleef lezen, en er drie jaar later dit boek ligt. Het was de Nederlandse schrijver-essayist Karel van het Reve, broer van Gerard, die hem aan het denken had gezet. Een paar jaar geleden las De Vries bij toeval een column van hem uit 1979. Van het Reve, hoogleraar Slavische letterkunde aan de universiteit van Leiden, schreef: 'Als een universiteitsstudent vroeger niet wist wie Lord Byron was, vond hij dat beschamend en ging hij het stante pede opzoeken in de bibliotheek of vroeg hij het aan zijn moeder, maar vandaag (in 1979 dus, nvdr) is die schaamte helemaal weg.' De gedachte liet De Vries niet los. 'Ik kwam tot de conclusie dat er veertig jaar later nog iets helemaal anders aan de hand is. Want nu moet je je schamen als je wél weet wie Lord Byron is. Meer zelfs, je bent een eikel als je zulke kennis hebt en dat laat merken. Men vindt je elitair. Of pretentieus. Een mentaliteitsverandering die ik de laatste tien jaar duidelijk heb gezien.' Toen de tendens rond 2010 op gang kwam, was net het eerste kabinet van Mark Rutte geïnstalleerd, vertelt hij, dat bestond uit VVD en CDA, met gedoogsteun van de PVV van Geert Wilders. De Vries: 'Het was het hoogtepunt van de kredietcrisis, de economie zat in het slop en er moest heftig bezuinigd worden. Op de kunsten werd buitensporig bespaard, proportioneel gezien veel meer dan op andere vlakken. Want, zo vond men, kunst was voor enkelingen. En dat verwoordde men op een bijzonder neerbuigende toon. Alsof iedereen die een boek las een verwaande dwaas was, en iedereen die weleens naar het theater ging een elitaire kakker.' Nog frappanter was dat toen de economie weer aantrok en er weer geld was, die toon niet milder werd. Integendeel, er wordt nog altijd zo over kunst en cultuur gepraat, zegt De Vries. 'Sinds kort is er zelfs een nieuwe stopzin gelanceerd door premier Mark Rutte: "de witte wijn sippende grachtengordelelite". Laatst zat ik in een restaurant twee tafels van Rutte. Raad eens wat hij dronk?' 'Sinds Rutte I leven we in tijden van populisme, en daar hoort een enorme behoefte aan groepsgevoel bij. Iedereen die niet bij de grote groep aansluit - of het nu vluchtelingen, transgenders, intellectuelen of kunstenaars zijn - wordt als "de ander" aangewezen en verdacht gemaakt.' U voelt wrok in de cynische toon waarmee over kunst en cultuur wordt gepraat. Waar komt die wrok vandaan? Joost de Vries: Er heeft heel lang een vorm van hiërarchie geheerst, tussen wat hoog en laag in aanzien stond. Mensen hadden het idee dat naar de opera gaan een vorm van kunstbeleving was die veel waardevoller was dan de tv-serie waarnaar ze thuis keken. Dat hing samen met de sociale klassen die lange tijd duidelijk afgescheiden waren. Als je uit de arbeidersklasse kwam, kwam je nooit in een opera. Mijn grootvader werkte in de hoogovens, en hoewel mijn moeder goede punten had op school, was het voor haar gewoon geen optie om te gaan studeren. Het verschil tussen de sociale klassen is zo goed als vervaagd. Onderwijs is vrij toegankelijk, mensen zijn niet meer noodzakelijk gedetermineerd door hun milieu, en het contact tussen de verschillende milieus is nog nooit zo groot geweest. De ivoren toren is niet meer zo hoog als hij ooit was, de maatschappij is gedemocratiseerd of horizontaal geworden. Allemaal goed. Maar het heeft wél een nieuw spanningsveld gecreëerd, wat je merkt wanneer mensen het horizontale doorbreken door zich in hun smaak, kennis of uiterlijk nadrukkelijk te differentiëren. Als ik een lezing of een publiek interview geef, vragen mensen me weleens wat ik van schrijfster Griet Op de Beeck denk. Als ik dan zeg dat ik haar een aardige vrouw maar geen groot literair licht vind, zijn die mensen boos. Ze hebben het idee dat ik iets van hen afneem, en dat ze ten onrechte van het boek hebben genoten. Wat niet klopt, natuurlijk. Het enige wat ik bedoel is: je hebt Griet Op de Beeck en je hebt A.F.Th. van der Heijden. Blijkbaar heerst er een enorme behoefte om dat verschil weg te nemen, maar het verschil ís er nog wel altijd. Is het niet begrijpelijk dat mensen wrokkig worden als men hun vertelt dat het beter is om naar de opera te gaan dan naar populaire spektakelshows? De Vries: Het gaat me er net om dat er amper schrijvers of kunstenaars zijn die dat ook daadwerkelijk vertellen. In de eerste plaats omdat ze zo niet denken. Alle schrijvers die ik ken, zitten op zondagavond ook gewoon naar Studio Sport te kijken. Of laat ik mezelf als voorbeeld nemen: ik ga naar de voorstellingen van Ivo Van Hove, maar soms kan een toneelstuk van hem mij aanzienlijk minder vertellen over het leven en de liefde dan een simpel popliedje dat ik drie uur eerder op de radio hoorde. Ik denk dat de culturele elite veel meer in massavermaak geïnteresseerd is dan wordt aangenomen. Bovendien heerst er een soort van zelfcensuur bij de culturele elite. Ze is heel bewust bezig om vooral niet elitair over te komen. Terwijl dat niet hoeft, vind ik. Elitair is vervelend als het betekent dat je neerkijkt op iets anders - Karel van het Reve was bij uitstek iemand die zijn kennis gebruikte om te laten zien hoe dom anderen waren. Maar elitair zijn in de betekenis dat je iets heel inhoudelijks wilt maken, dat je ergens zo goed mogelijk in wilt worden, dat zou toch alleen maar een troef mogen zijn? Uw betoog doet denken aan De Barbaren van Alessandro Baricco: u hebt het allebei over een verschuiving van een verticaal naar een horizontaal gestructureerde samenleving. Alleen zegt Baricco dat die verandering ook veel voordelen heeft. U lijkt argwanender. De Vries: Ik probeer vooral te zeggen dat iets in de politiek of de media meteen wordt aangevallen zodra het nog maar een beetje naar die verticaliteit ruikt. Ik vind het prima als je je thuisvoelt in dat horizontale systeem, maar je moet niet schamper doen als er mensen zijn die toch nog de diepte willen opzoeken. En dat gebeurt wél. Je ziet het op tv, je ziet het in de Tweede Kamer. Mag ik het nog eens over onze premier hebben? Het is bekend dat hij een grote fan is van Robert Caro (Amerikaanse journalist en schrijver die bekendstaat voor zijn biografieën van Amerikaanse politici, nvdr). Caro werkt aan een biografie van voormalig president Lyndon B. Johnson, waarvan al vier delen klaar zijn en waarmee hij zowat elke grote literaire prijs in de VS heeft gewonnen. Het zijn geweldig mooie, literair geschreven boeken. Dát zijn dus de lievelingsboeken van Mark Rutte. Bij een bezoek aan New York kreeg hij van Caro een private rondleiding door de stad. Maar als Rutte in een populair praatprogramma op tv is, en vragen ze hem wat hij toffe cultuur vindt, antwoordt hij: 'Ik hou van de Toppers.' De Toppers is een groep met onder anderen Gerard Joling, René Froger en Gordon, een triumviraat van vrolijke wansmaak dat stadionconcerten geeft. Voor de duidelijkheid: ik vind het perfect legitiem dat je zowel van de Toppers als van Caro houdt, maar zover gaat Rutte niet. Over Caro zwijgt hij. Omdat hij denkt dat de mensen het maar niks zullen vinden dat hij van moeilijke boeken houdt. Met Caro zou hij zich onderscheiden van de mainstream, en dat wil hij niet. Hij wil horizontaal zijn, niet verticaal. Maar het is onecht. Politici hebben jarenlang onvoldoende naar 'de mensen' geluisterd, en proberen dat nu krampachtig op te halen? De Vries: Toen in 2002 de Pim Fortuynrevolte uitbrak in Nederland, een dikke tien jaar na jullie Zwarte Zondag van 1991, schrok iedereen zich dood. 'We hebben iets gemist', klonkt het unisono in de media. Het discours van negativiteit was begonnen, en is niet meer gestopt. In Nederland wordt heel veel geklaagd. Over het zorgsysteem, over het onderwijs, noem maar op. Tegelijk hoort Nederland nog altijd bij de wereldtop als het over economie, onderwijs of zorg gaat. We zijn zo rijk, en toch zo ontevreden. Misschien is het een welvaartsziekte. In elk geval is het níét zo dat in het verleden alleen maar foute beslissingen zijn genomen, of dat we al ons geld aan asielzoekers weggeven. Politici zouden dat moeten durven te zeggen. Dat doen ze niet, ze wakkeren het gevoel van ongenoegen nog aan. Dat de politiek op de laagste drempel mikt, is niet zo verrassend, schrijft u, maar u vindt het erg pijnlijk om die 'antipretentie' in de kwaliteitsmedia tegen te komen. De tijd is toch voorbij dat een journalist onbegrijpelijke stukken kan publiceren? De Vries: Ik heb het niet over onbegrijpelijke stukken, wel over formats waarin romans door Bekende Nederlanders worden besproken, zoals dat bijvoorbeeld een tijdlang in de Volkskrant gebeurde. Dan neem je een boek totaal niet serieus. Op die manier krijgt een boek toch een ingang naar een breder publiek? En wil een schrijver niet graag door zo veel mogelijk mensen gelezen worden? De Vries: Ik ben niet zo overtuigd van de zeggingskracht van iemand die bekend is omdat hij toevallig aan Expeditie Robinson heeft meegedaan. Het is toch niet zo dat kranten geen aandacht meer besteden aan boekbesprekingen door literair recensenten? De Vries: Toch steeds minder. Ik bedoel niet dat literatuur of cultuur enkel beoordeeld zou mogen worden door mensen met een universitaire graad, en dat anderen er hun mond over moeten houden. Maar het valt op dat alle andere katernen in de krant geschreven worden op basis van expertise. Een politiek of economisch vraagstuk wordt nooit door een BN'er besproken. Literatuur is blijkbaar wel geschikt om het tot een vermakelijk rubriekje te herleiden. De culturele drempel moet zo laag mogelijk worden gehouden, is het idee. Smaak is de grote verschilmaker. Wie laat zien dat hij een exclusievere smaak heeft dan anderen loopt het risico die anderen tegen zich in het harnas te jagen. Daar zijn kranten ook bang voor. Dat is zelfcensuur. En dan kom ik terug op de noodzaak van pretentie. Ik denk dat de media mensen heel erg onderschatten. Lezers en tv-kijkers zijn heus niet zo dom. Ik denk dat er een flinke markt bestaat voor mensen die dieper willen nadenken. (fijntjes) Ik weet het zelfs zeker, want in tegenstelling tot andere bladen ziet De Groene Amsterdammer zijn lezersaantal elk jaar stijgen. De popularisering die de meeste kranten en tijdschriften hebben doorgevoerd, werpt niet echt vruchten af. Kortom, pretentie is iets goeds volgens u. De Vries: Er is een verschil tussen pretentie en snobisme. Snobisme is jezelf beter vinden dan anderen. Dan ben je gewoon een beetje een lul. Pretentie is jezelf beter vinden dan jezelf. Ik zie het als een soort van aspiratie. Pretentie is een versie van jezelf die voor je uit rent, en die je probeert bij te halen. Als dat lukt, ben je veel verder dan waar je eerst was. Het is een stadium waar je doorheen moet. Kent u de zegswijze 'Don't dress for the job you have, dress for the job you want'? Dat bedoel ik met pretentie. Het is dus niet zo dat je van mij per se hoeft te weten wie Lord Byron is - ik heb zelf niks van hem gelezen. Het gaat erom dat als je wel weet wie hij is, dat niet tegen je gebruikt hoeft te worden. Mensen moeten er niet op afgerekend worden als ze zich willen onderscheiden door hun kennis, culturele smaak of modegevoel. Overigens is neerkijken op de elite ook een vorm van elitair gedrag, schrijft u. De Vries: In het Nederlandse tv-programma Voetbal Inside maakte voetbalanalist René van der Gijp de transitie van Bo Van Spilbeeck compleet belachelijk. Ik durf zonder twijfel te zeggen dat Van der Gijp en Johan Derksen, een collega-analist, de meest elitaire figuren op de Nederlandse tv zijn. Het zijn mannen die trots zijn op hun racisme, homofobie en misogynie. Ze kijken niet neer op het volk, maar op iedereen die volgens hen níét het volk is - wat die term ook mag betekenen. Dat is 'omgekeerd snobisme'. De snob kijkt neer op mensen omdat hij vindt dat hij specialer is. De omgekeerde snob kijkt neer op mensen omdat hij vindt dat hij normaler is. Beiden zitten fout. Is er iemand in het bijzonder van wie u hoopt dat hij of zij uw boek gaat lezen? De Vries: Je hebt natuurlijk nooit één lezer in gedachten, maar ik had dit boek wel graag gelezen toen ik 24 was. Ik denk dat er in de wereld van de literatuur, kunst en mode veel mensen rondlopen die jarenlang het predicaat 'pretentieus' opgespeld kregen. En dat er best wat jongeren zijn die letteren of kunstgeschiedenis studeren aan de universiteit en een oom of tante hebben die daarop neerkijkt. Voor hen hoop ik dat dit boek een steun in de rug kan zijn. Dat ze begrijpen dat je niet vies of bang hoeft te zijn van kennis. Bent u zelf vaak uitgemaakt voor pretentieuze vent? De Vries: Tuurlijk. Het feit dat ik een journalist ben, is al verdacht. Journalist voor een ernstig blad zonder leuke formats, ook dat nog. De Vries: (lacht) Exact. Natuurlijk betrap ik mezelf er ook weleens op dat ik bepaalde kennis gebruik om me te onderscheiden. 'Oh, je houdt van Quentin Tarantino? Ik eigenlijk alleen van de vróége Tarantino.' Zulke dingen. Ik ben niet smetteloos. Maar over het algemeen genomen ben ik best oké, denk ik. (lacht)