Antwerpen, donderdag 2 april 2020

Lara,
...

Lara, Gisteren zag ik beelden van het lege Parijs. Er stond niemand op de Eiffeltoren. Montmartre had ook geen liefde en er draaide geen enkele auto rond de Arc de Triomphe. Toen dacht ik aan een zin van Kurt Tucholsky, de Duitse schrijver 'die peinsde dat hij met zijn typemachine een wereldcatastrofe kon tegenhouden': 'Er zijn verschillende soorten geluid. Maar er is maar één soort stilte.' Hoe ouder ik word, hoe meer ik hou van geluid. Vooral 's ochtends, wanneer ik nog in bed lig, luister ik er graag naar. Naar het getik van die ene duif aan het raam, dat me wakker maakt. Naar het gevrij in het appartement boven me. En de stemmen van de oude mensen onder me. Soms vraag ik me af hoe belangrijke dagen klonken vanuit mijn bed. Of ik iets gehoord zou hebben van de bommen van de Luftwaffe, toen die op 10 mei 1940 het vliegveld van mijn stad troffen. Van de euforie en het gejuich van de bevrijding, zoveel jaren later. Of ik iemand 'Vive le roi' had horen scanderen tijdens de Koningskwestie. Of de mei '68'ers 'Bourgeois buiten!' Misschien was het alleen maar geruis op de achtergrond en luisterde ik ook die dagen naar de geluiden van elke dag. Of naar de muziek van mijn buurman. Nooit, Lara, klinkt muziek zo mooi als wanneer je ze vanachter een muur hoort. Wie er naast me woont, weet ik niet. Maar ik ken wel zijn platenkast. Gisteren draaide hij een nummer dat ik heel goed kende: de eindgeneriek van Una giornata particolare, de pianoklanken van Armando Trovajoli. Aan de andere kant van de muur heb ik dan nog maar eens naar de film gekeken. Ook al is het gezoem op de achtergrond in die film vreselijk: een massa die de hele tijd 'Duce, Duce, Duce' roept. Of 'Führer'. Twee mensen van een appartementsblok aan de Viale XXI Aprile in Rome waren die dag niet naar Hitler gaan kijken, toen hij op 8 mei 1939 naar hun stad kwam. Ik vind geen enkel koppel mooier. Geen enkele vrouw verrukkelijker dan Sophia Loren, geen enkele man stijlvoller dan Marcello Mastroianni. En toch stop ik de film altijd wanneer ze beginnen te vrijen. Omdat ik weet wat er dan komt. Hij zal zeggen: 'Het is fijn. Maar het verandert niets.' En dan volgt die ellendige stilte. Hou ouder ik word, hoe meer ik stilte haat. Omdat daar maar één soort van is. Ik vraag me af welk geluid jij de voorbije dagen gehoord hebt. Naast de stemmen van de radio en de tv, die zeiden dat het niet meer goed komt. Stijn Stijn, Een oudtante schreef me eens een brief en omdat ze mijn adres niet helemaal kende, schreef ze erbij: 'Vervallen huisje achter de vaart, Hol van Pluto.' De brief kwam aan. Het bewijs dat het einde van de wereld niet zo dichtbevolkt is. Hoe mooi ik dat ook vond, ik ben altijd jaloers gebleven op het leven in de grote stad. Je weet dat ik nooit voor jou naar Antwerpen kom, maar wel om uit je raam te hangen. Jij bent immuun geworden voor sirenes, maar zelf hou ik elke keer nauwkeurig bij hoeveel ambulances er uitrukken. Ik tel auto's en probeer te raden wanneer het rode licht op groen zal springen. Sterren zijn er bijna niet. En de zonsondergang is volgebouwd. Maar de vogels komen wel dichterbij, zoals de vogel die zich 's ochtends in je dakgoot komt wassen. Het geluid van duivenvleugels, daarvoor moet je in de stad zijn. Twaalf jaar geleden verruilde ik de stad voor een teruggetrokken leven. De prijs die ik betaalde voor al die rustgevende stilte, dat is het lawaai. Het nachtelijke geratel van gammele fietsen op de kasseien van de Wijde Heisteeg in Amsterdam. Het rochelende buurmeisje in Gent. De ijscoman die met de themasong uit Love Story door het stadspark reed. Aan elk geluid hingen jaren vast. Geliefden. Beloftes die niet zijn nagekomen. Je hebt geen idee hoe snel je een stadsleven verleert, Stijn. Hier hoor ik alleen het ruisen van de populieren, en dan alleen als er wind staat. De kippen zijn altijd druk in gesprek, maar ze spreken een ingewikkelde taal met veel naamvallen. Soms sta ik er instemmend naast te knikken met mijn schort vol kippenvoer. Het gebeurt niet vaak, maar als er een roeier voorbijvaart, dan kijk ik nog altijd op. Het bewijs dat de wereld niet zonder mijn weten stilgevallen is. Maar als ik je verhalen mag geloven is jouw stad nu ook doodstil. Ik probeer het me voor te stellen, de De Keyserlei net zo verlaten als mijn lievelingsweggetje dat vertrekt achter de oude sluis. Het maakt me bang. Want wat als al die stadsmussen ineens leren te houden van de stilte en allemaal deze kant op komen? Ik bereid me voor op de grote vluchtelingenstroom, want eerlijk, ik denk dat het al begonnen is. Als ik 's ochtends de post ga ophalen in mijn brievenbus langs de weg, dan heb ik al drie goeiendags gekregen. Het jaagpad is een snelweg geworden. De mensen die vroeger onderweg waren naar hoofdstad, kantoor, afspraak, prikklok, die komen hier nu de beentjes strekken. Ze lijken veel haast te hebben. Ze rennen zich in het zweet. Ze hebben dure fietsen om zo snel mogelijk nergens te komen. Mijn buurvrouw belt. Ze zou ook even aan mijn tuinhek kunnen komen keuvelen, maar met die twee kilometer tussen onze huizen is de telefoon een handige uitvinding. Ze is niet te spreken over de drukte in onze straat. Mijn buurvrouw en ik, we delen de stilte niet graag. We hopen dat het leven hierbuiten zich snel herstelt, zodat we de stilte weer helemaal voor ons alleen hebben. Je onderschat het platteland toch een beetje in je brief. En ook de geschiedenis. Alsof grote feiten nooit over landwegen reizen. Er is een geluid waar de bewoners het hier nog altijd over hebben. Het verhaal is zo vaak herhaald, zodat het goed kon worden doorverteld. Zo kwam het als een verlate echo ook bij mij. In 1918 trekken de Duitsers weg uit Brugge en bij wijze van afscheid leggen ze hun laatste dynamietstaven onder onze prachtige spoorwegbrug. Op dat moment staat in 't Speyen een vrouw in de losgescharrelde aarde te luisteren naar de plannen van haar kippen. Haar voorschoot vol graan. En ineens kijkt ze over haar schouder achterom. Een ontploffing. Ze twijfelt geen seconde, ze weet wat dit betekent. De oorlog is voorbij! Waarom anders steken ze bij klaarlichte dag vuurwerk af? Je weet dat het nieuws hier geen bereik heeft, Stijn. Het is jouw taak om het me te laten weten wanneer de wereld weer verder draait. Dan kom ik naar je stad om weer uit jullie ramen te hangen. 'Hoor je dat?' zul je zeggen. 'Al die sirenes?' We zullen proberen te raden uit welke windrichting dat vervelende kindergejengel komt waaien. En tegelijk zullen we het opmerken: dat er toch niks zo mooi is als het tingelen van een trambelletje. Ik zal met je luisteren tot je vergeten bent hoe eenzaam de stilte in je stad was. Daarna kan ik met een gerust hart terugkeren naar het Hol van Pluto, dat tegen dan weer een doodlopend gat is. Waar niemand doorheen moet, waar niemand iets heeft verloren. Lara Lara, Deze nacht viel een straatlantaarn uit in mijn straat. Ik hield zo van het licht van die oranje natriumlamp, maar ineens was het er niet meer. Eindelijk kan ik zonder gêne zeggen dat het vroeger allemaal beter was. Je hebt gelijk, Lara. Na al die jaren in de stad ben ik inderdaad immuun geworden voor sirenes. Ik tel de ambulances niet meer. Alleen 's nachts kijk ik er soms naar, wanneer ze geen geluid maken. Ik loer dan naar hun blauw-witte zwaailichten. De laatste dagen maakten ze heel veel licht. Hun schijnsels kleurden de witte muur van mijn slaapkamer. Ze hielden me uit mijn slaap, omdat ik weet dat achter elk schijnsel een mensenleven zit dat weer roemloos aan het verdwijnen is. Naast het gekoer van de duiven is dit misschien ook een deel van de soundtrack van de lente van 2020: de stilte van de blauw-witte zwaailichten. En het getik van de stationsklok in het Centraal Station, dat ook. Gisteren trok ik nog eens naar het station, zoals ik de laatste twintig jaar elke dag deed. Ik kende er mijn weg niet meer. In de salle des pas perdus hoorde ik alleen het geluid van mijn eigen voetstappen. Treinen kwamen en gingen. Niemand stapte op en niemand stapte uit. Op het perron stond geen enkele slungel die op zijn liefde wachtte. Alleen het pasfotohokje was open - het laatste wat van een mens overblijft, is zijn ijdelheid. Ik was een oude postkaart binnengestapt, Lara. Daar staat ook niemand op, hoogstens een toevallige passant. Toen hoorde ik, voor de eerste keer in die twintig jaar, het getik van de klok. Er staan er een paar, vooral die ene aan de kant van de De Keyserlei is bijzonder. Omdat er aan de IX een rode vlek te zien is. Het lijkt een bloedvlek, en dat is ook een beetje zo. Lang geleden had elk gehucht zijn eigen tijd. Terwijl ze op sommige plaatsen al de nieuwe dag vierden, was het op andere plekken nog maar kwart over elf. Of halftwaalf. Al die verschillende tijden werden afgeschaft toen de trein het land binnenreed. Op 1 mei 1892 kreeg ons land een vaste tijd, die op de stationsklok stond. De eerste dag was het nog chaos, maar alles wende. Alleen één man raakte er maar niet aan gewoon. Op een nacht wilde hij de klok kapotslaan, maar hij faalde. Hij maakte alleen een gat aan de IX. Later probeerden ze dat te maskeren met rode lichten. En toen er een replica van de klok kwam, maakten ze ook de rode vlek bij de IX na. Als een waarschuwing dat het toch geen zin heeft om je tegen de gang der dingen te verzetten. Ik denk dat jij daar ook graag tegen zondigt. Dat jij in je hol van Pluto graag je eigen tijd maakt. Je merkt zelfs niet eens dat de wereld op zijn kop staat en dat we nu in postkaarttijden leven. Hoogstens heb je horen vertellen dat de De Keyserlei nu leeg is, maar je weet niet dat er in mijn stad geen trams meer rondrijden met bellen. En dat die van de ijsverkoper ook niet meer rinkelen. Geluiden in een stad veranderen altijd maar weer, Lara. Zelfs die van de duiven. En zeker die van de mensen, behalve één. Toen ik gisteren de stationshal wilde verlaten, hoorde ik plots een vrouwenstem die ik goed ken. Ze had me op al mijn treinreizen vergezeld. Een sexy stem, die nooit in de war is. Altijd doet ze haar job, ook al verzuipt de wereld. Ze veroudert nooit, blijft eeuwig jong. Soms wil ik ook wel eens iets terugroepen. Vragen hoeveel minnaars ze heeft en of ik een kans maak. Maar altijd blijft ze professioneel. En toch. Toen ik haar gisteren 'Spoor 2, trein naar Gent Dampoort...' hoorde zeggen, was dat een troost. Omdat er toch één ding hetzelfde gebleven is. Ik laat je weten wanneer ze een lelijke witte lamp in mijn straatlantaarn gestoken hebben, Lara, en wanneer de wereld weer begint te draaien. Stijn Stijn, Ik moet je iets bekennen: ik heb mijn schrijftafel buitengezet. Een tafel onder de bloeiende forsythia, het kwam in de buurt van perfectie. Alleen was ik vergeten dat we hier met een nieuw fenomeen zitten. Lawaai op de dijk, meer bepaald: het geluid van menselijke communicatie. Woorden zijn doorgaans schaars op het platteland. Mijn buren zijn stippen in de verte. Maar sinds kort klinken hier woorden, want joggers en wielrenners zweten liever met z'n tweeën. Verknipte dialogen zijn het. Zinnen zonder kader. Ik maakte een lijst van wat hier vanmorgen voorbijwaaide. Willen we subiet een banaan eten? Hij zal dat wel niet zo bedoeld hebben. Ze hebben er nog in de GB. Maar nee, Onze-Lieve-Vrouw van 't Boompje, dat is hier aan de overkant. Klopt, denk ik. Onze-Lieve-Vrouw van 't Boompje, dat is hier aan de overkant. Lang geleden was de overkant hier vlakbij. In mijn huis woonde meneer Jonckheere. Hij was vader van zeventien kinderen en ook een beetje hun moeder, want de echte die bleef met een scheve mond en lege ogen in het kraambed liggen. Hij werkte als veerman. Zijn roeispanen stonden waar nu mijn schrijftafel staat. Elk zijn professie. Aan elke kant van het kanaal was een houten aanlegplaats met een grote bel. Wie aan de verkeerde kant van het water stond, hoefde maar eens met het touwtje slingeren. En dan moest je wachten tot je het hoofd van meneer Jonckheere zag verschijnen vanachter de dijk, breed zwaaiend, wat hier betekent: ik kom eraan! Toen de veerman stierf, kregen we een nieuwe postcode. We hoorden niet langer bij Sint-Andries. Zonder roeibootje werd het kanaal weer een grens. De aanlegsteigers verdwenen stilletjes onder de graszoden. De overkant was opnieuw iets om van te dromen. Ik beklim de dijk en kijk de brede strook water over. Daar in het groen ligt Onze-Lieve-Vrouw van 't Boompje. De laatste keer dat ik er kwam, zaten mijn voeten in de fietszakken van mijn grootvader. Ik kreeg een munt om een kaarsje te branden. Ik zoek mijn kinderen, die nooit eens binnen roepafstand zijn. Ik vind ze in hun onderbroek in de kikkerpoel. 'We gaan fietsen', zeg ik. Dat vinden ze leuk. Tot ze horen dat er regels aan verbonden zijn. Een: we doen een stijlvolle tenue aan. Twee: we houden een veilige afstand van rochelende wielrenners. Drie: we laten ons in geen geval inhalen door elektrische fietsers. De overkant is ver weg. We juichen wanneer we eindelijk de ijzeren draaibrug ontwaren. Maar de feeststemming is van korte duur, want bij het keren hebben we de oostenwind tegen. We krijgen het koud in onze wapperende jurken en de strijd tegen de elektrische fietsers, die hadden we al eerder opgegeven. Ter afleiding bereid ik de kinderen voor op onze eindbestemming. Ik beschrijf de heilige stilte die om de kapel hangt, een schenking van schippers die zonder tussenkomst van Maria op de bodem van de Noordzee waren geëindigd. Een verweerde pijl wijst ons de weg. We kronkelen over graspaden. Maar voorbij de laatste bocht zien we niet wat ik verwachtte. De heilige site zit bomvol. Een gezin op een picknicklaken, twee vrouwen op een bank, een vader met een bakfiets vol kroost. Voor de kapel staat een rij. Er zijn nog vier wachtenden voor ons, keurig op anderhalve meter afstand van elkaar. Als wij aan de beurt zijn, schrijden mijn kinderen naar voren. Ik herken ze amper, zo wonderlijk devoot. Ze houden zelfs hun handjes gevouwen. Maar vooraan gekomen weten ze niet meer wat gedaan. Ze zoeken mijn ogen. Ik zoek in mijn handtas, maar voel alleen mijn bankkaart op de bodem. Een oude man komt ons te hulp. Hij bukt zich en reikt mijn zoon een munt aan. Met zijn hoofd zegt hij dat het voor een kaarsje is. 'Wel delen met je zus', zeggen zijn blauwe ogen. Paniekerig leg ik met mijn handen uit dat geldtransacties niet toegestaan zijn, dat hij het geld zelf in de gleuf van het offerblok moet steken. De weg naar huis is stil. De dansende kaarsjes wemelen nog voor onze ogen. Al die wensen. Thuis wacht ons groot nieuws: de poes is bevallen bij het oud papier. Drie belgiques, rood-geel-zwart gevlekt. Samen luisteren we naar de zinnen die hier voorbijsnellen. We zijn het al een beetje gewoon. Ik mis ze niet meer, de verloren stilte. Waar ik wel last van heb, is dat ik ineens die veerbel hoor. Zou het kunnen, denk ik dan, iemand die vergeten is geraakt aan de overkant? Iemand die na een bescheiden zwengel aan het touwtje heeft gewacht tot hij het hoofd van de veerman zag verschijnen. Iemand met veel te veel geduld. Iemand die langzaam vanaf de voeten overgroeide met gras en één werd met de aanlegsteigers. Ik geef toe dat ik jou daar dan zie staan, Stijn. Vastgegroeid aan de kant waar je het meest thuishoort. Die van het verleden. Die waar de doden nog spreken. En ik kan je niet komen halen. De veerman nam zijn roeispanen mee in zijn graf. Wat ik wel kan doen, dat is vanaf de kant naar je zwaaien. Heel wijd en heel traag, wat hier betekent: ik kom eraan! Lara