Enkele jaren geleden ben ik gescheiden en had ik tien maanden lang geen vaste woonplaats. Even daarvoor verloor ik mijn vader en een aantal vrienden aan de kanker en kreeg ik een burn-out. Ook moest ik een geloofwaardig antwoord zien te vinden op een alcoholverslaving. Over deze gebeurtenissen, die ik in de loop der tijd ben gaan opsommen als filemeldingen, schreef ik een boek: Hallo muur.
...

Enkele jaren geleden ben ik gescheiden en had ik tien maanden lang geen vaste woonplaats. Even daarvoor verloor ik mijn vader en een aantal vrienden aan de kanker en kreeg ik een burn-out. Ook moest ik een geloofwaardig antwoord zien te vinden op een alcoholverslaving. Over deze gebeurtenissen, die ik in de loop der tijd ben gaan opsommen als filemeldingen, schreef ik een boek: Hallo muur. Sinds het verschijnen van die bescheiden bestseller gaf ik vele lezingen, in theaters en literaire cafés, op Lowlands en het Crossing Border Festival, en geregeld ook op samenkomsten te midden van mensen met al dan niet overwonnen verslavingsproblemen. Ik beantwoord vragen, reageer op levensverhalen uit het publiek en lees voor uit mijn boek. Een aantal passages is uitgegroeid tot publieksfavoriet, ik doe zelfs verzoekjes en heel vaak is dat het hoofdstuk over het Boekenbal. Daarin neem ik een jonge schrijfster mee naar het jaarlijkse literaire feestje in de Stadsschouwburg in Amsterdam. We spreken af in een café op het Leidseplein, ik ben expres een uur te vroeg en drink drie Westmalle Tripels. Die reken ik per stuk af, zodat ik een uur later zogenaamd mijn tweede in plaats van mijn vierde kan bestellen. En daarna mijn 'derde'. Er volgen wodkashots, een cocktail, een onbekend aantal glazen wijn, weer wodka maar dan zo uit de fles, en ten slotte een mislukte slok bier uit het glas van een vreemde, dat ik daarna uit mijn hand laat flikkeren. Vervolgens gaat het in een taxi naar mijn woonplaats, Landsmeer. Die taxi moet midden in de IJtunnel stoppen, waarna ik uitstap om over mijn nek te gaan, waarna ik wegren voor de taxi die me toeterend achtervolgt, waarna ik rechtsomkeert de tunnel weer inren, bij het Centraal Station de pont pak naar Amsterdam-Noord en vanaf daar naar Landsmeer wandel, kilometers verderop. Net als de hele roman was ook dit verhaal alleen in de letterlijke zin geromantiseerd: omwille van de leesbaarheid zijn dingetjes toegevoegd of weggelaten, maar over het algemeen toont het goed hoe ik eraan toe was. Inmiddels drink ik al vier jaar geen alcohol meer, vandaag niet en morgen ook niet. Na morgen zal ik me opnieuw voornemen die dag en de dag erna niet te drinken: gestopte verslaafden kijken liever niet verder dan 48 uur vooruit. Regelmatig is het nog raar om zonder kater wakker te worden, zonder hoofdpijn of dikke tong, vet haar en dronkemanszweet. Ik kijk in de spiegel en verwacht een rood aangelopen hoofd met waterige ogen, maar in plaats daarvan ben ik fris en een soort van slank en mijn ogen lopen niet over als jeneverglaasjes met een kop erop. In plaats van dat ik na het opstaan gammel terug in bed stort, drink ik een kop thee, hijs me in een aerodynamische broek en ga hardlopen. Ik ben best tevreden met mezelf en bouw zelfs pensioen op. Dat Hallo muur goed verkocht, betekent dat mijn jaarlijkse royalty-overzichten voor het eerst in mijn loopbaan als schrijver echt ergens over gáán. Onder andere het Boekenbalverhaal is een kraker, mensen lachen er hard om, terwijl het eigenlijk een heel verdrietig verhaal is, vooral dat stuk in de tunnel. En was er niet ook nog een jonge schrijfster bij betrokken, die achterbleef in de taxi? Steeds als ik haar tegenkom, loop ik een straatje om. Als ik het Boekenbalverhaal voorlees, voel ik naast mededogen nog een andere emotie onder een deel van mijn toehoorders: bewondering. Er is niet alleen waardering voor de succesvolle beteugeling van mijn alcoholisme, maar ook ontzag voor mijn vroegere rock-'n-rollbestaan. Wie de dag begint met enkele vingerhoedjes Kahlua en een pretsigaret kan ook als hij dat soort hobby's heeft opgegeven blijven rekenen op de likes van leasebakrijders, die 's ochtends na twee Senseo's in de Ikeakeuken aansluiten in de file. Zelfs ik, die bijna kapotging aan het slempen, deel nog altijd, zij het stiekem, een bewondering voor grote innemers. Ik watertand bij foto's van de lamme Serge Gainsbourg met weer een nauwelijks gekleed meisje aan zijn arm en kijk op naar Herman Brood, die vroeger dronken als een tor de Leidsestraat doorreed op een step ('een stép, zeg ik je, een stép!'), of naar Charles Bukowski, die wankel van de wijn nog net verstaanbaar wat woorden de microfoon insputterde: 'When you drank the world was still out there, but for the moment it didn't have you by the throat.'Als ik in die stemming mijn eigen seriele inneemgedrag memoreer, is het alsof ik over een dierbare overleden vriend spreek. Maar is mijn in drank gedrenkte verleden me echt zo dierbaar? En is mijn heden echt zo saai als ik dan vrees? Oef, daar is het hoge woord eruit, het s-woord. Saai. Ik ben altijd bang geweest om een saai leven te leiden, hoewel ik nooit echt wist wat een saai leven precies inhoudt. Die Senseo's in de Ikeakeuken en dan in je leasebak de filetoptien in, zo'n plaatje maak ik ervan. Maar miljoenen Nederlanders gaan 's ochtends naar hun werk, en aan het einde van de middag komen ze zelfs ook weer thuis. Soms zijn ze lid van een vereniging, en in het weekend wordt weleens een familiebezoek afgelegd. Wat is daar nou toch mís mee? Ik zou het niet kunnen bedenken, behalve dat ik er, door zo veel te drinken, aan dacht te kunnen ontsnappen. Dan had ik dát in ieder geval gemeen met Gainsbourg, Brood en Bukowski. De definitie van saai is: 'niet erg levendig', waarbij 'levendig' wordt gedefinieerd als: 'druk, vrolijk en vol afwisseling'. Naast het feit dat ik vele malen vrolijker ben dan toen ik dronk, zeker in de ochtend, is ook de afwisseling in mijn leven toegenomen. Toen ik dronk, dacht ik een substantieel deel van de dag aan boodschappen doen en of er, zonder dat het zou opvallen hoe belangrijk ik dat vond, genoeg drank in huis was. Ook dacht ik aan de emballage, een chic woord voor lege flessen. De hoeveelheid daarvan in de schuur moest niet te sterk oplopen, anders zou duidelijk worden dat ik de grenzen van mijn bourgondische levensstijl door de jaren heen nogal wat had opgerekt. 's Ochtends had ik een kater. Als die was weggetrokken, dacht ik aan drank. Vervolgens ging ik drinken, wat resulteerde in de volgende kater. Nu blijft die kater me bespaard, de boodschappen komen wel en de hoeveelheid emballage is verwaarloosbaar. Eigenlijk ben ik gelukkig, maar durf dat nog niet goed toe te laten. Door net zoals een deel van mijn publiek grote innemers te blijven verafgoden, kan ik mijn sluimerende geluksgevoel nog in voldoende mate onderdrukken, al wordt het toch een keer tijd om te vieren dat ik mezelf niet meer dag in, dag uit hoef te verdoven. Te vieren dat ik niet meer, als een zichzelf behandelend anesthesist, de dosering steeds hoger hoef op te voeren teneinde niets meer te voelen. Te vieren dat mijn ideaal niet langer is: niets meer voelen, maar het tegenovergestelde: álles voelen. Omdat bij leven niets meer voelen onnatuurlijk is. Want wie niets voelt, die is dood. En ik ben niet dood, maar het tegenovergestelde. Ik leef.