'De bekende wereld strekte tot waar de hemel de einder raakte, met 't dorpsbeeld te midden - de kerktoren boven huizen wit-en-rood, met velden, weiden, akkers en rondom, de wegen, de molen, de boerenhofsteden.' Het Vlaanderen van Stijn Streuvels - of toch hoe we ons dat uit twee verre lesuren Nederlands herinneren - lijkt niet meer van deze tijd. De nostalgie ernaar stijgt op uit enkele politieke partijprogramma's, maar verder?
...

'De bekende wereld strekte tot waar de hemel de einder raakte, met 't dorpsbeeld te midden - de kerktoren boven huizen wit-en-rood, met velden, weiden, akkers en rondom, de wegen, de molen, de boerenhofsteden.' Het Vlaanderen van Stijn Streuvels - of toch hoe we ons dat uit twee verre lesuren Nederlands herinneren - lijkt niet meer van deze tijd. De nostalgie ernaar stijgt op uit enkele politieke partijprogramma's, maar verder? De 150e verjaardag van het icoon is een uitgelezen moment om zijn oeuvre tegen het licht te houden. Streuvels werd op 3 oktober 1871 in het West-Vlaamse Heule geboren als Frank Lateur, en zou onder zijn pseudoniem uitgroeien tot een van de meest gelauwerde en gelezen Vlaamse auteurs van de twintigste eeuw. Zijn faam kreeg haast mythische proporties dankzij zijn beschrijvingen van de ongerepte natuur, van de verbondenheid van de boer met zijn veld, en van het landelijke, pre-industriële, katholieke Vlaanderen. En dat alles in een in het West-Vlaams dialect gedrenkt Nederlands. Streuvels' fotogenieke kop met borstelsnor en zijn hoge leeftijd - hij werd bijna 98 - hebben daar waarschijnlijk ook een rol in gespeeld. Het Lijsternest in Ingooigem, het huis dat hij in 1905 liet bouwen met het grote raam dat uitziet over de Vlaamse velden, kan nog altijd bezocht worden. 's Winters doet het dienst als schrijversresidentie. 'Streuvelsland' is een geijkte uitdrukking geworden voor de streek tussen Leie en Schelde met dorpen als Avelgem, Ingooigem, Tiegem, Heestert en Otegem, waarin talrijke Streuvelsfiets- en -wandelroutes werden aangelegd. Helemaal vergeten is hij dus niet. Maar moet Streuvels nog gelezen worden? Is de plattelandswereld die hij oproept niet te diep in de tijd verzonken? Is zijn levensvisie niet te traditioneel en te fatalistisch? Zijn taal niet te archaïsch en te regionaal? Zijn vertelritme niet te traag en te uitwaarierig? Zijn thema's niet te beperkt en te verouderd? Kortom: heeft Streuvels nog een andere betekenis dan de literair-historische? In dit Streuvelsjaar brengt uitgeverij Lannoo vijf grote romans opnieuw uit: Langs de wegen (1902), De vlaschaard (1907), De blijde dag (1909), Het leven en de dood in de nast (1926) en De teleurgang van de waterhoek (1927). Met korte inleidingen van respectievelijk Walter van den Broeck, Koen Peeters, Anne Provoost, David Van Reybrouck en Erik Vlaminck. Het is op deze vijf romans - samen wellicht met de novelle De oogst (1900) - dat zijn literaire reputatie rust. Streuvels was een veelschrijver en veellezer. Nulla dies sine linea ('Geen dag zonder regel') was niet toevallig zijn motto. Hij was een van de eerste Vlaamse auteurs die van hun pen leefden. Naast romans schreef hij verhalen, novellen, korte schetsen en literaire essays ( Op de Vlaamsche binnenwateren, 1925). Hij maakte vertalingen (onder anderen van Tolstoj via het Duits) en bewerkingen (onder andere van Scandinavische sprookjes). Daarnaast schreef hij ook meer sociologische studies zoals Land en leven in Vlaanderen (1923). Tijdens de Eerste Wereldoorlog publiceerde hij een oorlogsdagboek, en op latere leeftijd zijn uitgebreide memoires. Hoewel dichter Guido Gezelle zijn oom was, wees weinig of niets in de richting van een literaire loopbaan. Streuvels' schoolcarrière stopte op zijn veertiende. Daarna leerde hij de bakkersstiel. Hij was een autodidact, en leerde zichzelf verschillende talen, waaronder Noors en Russisch. Het was schrijver-criticus Emmanuel de Bom die het literaire talent van de Avelgemse brood- en banketbakker ontdekte en hem vroeg om te schrijven voor Van Nu en Straks, het belangrijkste Vlaamse literaire tijdschrift in de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw. En dat tot groot ongenoegen van Streuvels' moeder en vooral van oom Guido, die in de Van-Nu-en-Straksers alleen maar een stel atheïsten en anarchisten zag. Met zijn debuut, de verhalenbundel Lenteleven (1899), zette Streuvels zich meteen op de literaire kaart, zowel in Vlaanderen als in Nederland. Het rauwe, harde en sombere realisme - de invloed van de Franse naturalisten is duidelijk merkbaar - werd in Vlaams-katholieke kringen zeer negatief onthaald. Ook Streuvels zelf was niet gelukkig met het etiket van 'realist'. Als autodidact die op het platteland woonde, behield hij altijd een zekere afstand tot de culturele ontwikkelingen in de stad, al was hij wel goed op de hoogte van wat er in binnen- en buitenland op artistiek vlak gebeurde. Zijn werk is in vele tradities geplaatst: de Vlaamse katholieke van Guido Gezelle, Albrecht Rodenbach en Hugo Verriest; de realistisch-naturalistische van Gustave Flaubert, Cyriel Buysse en Emile Zola; de lyrisch-symbolistische van Maurice Maeterlinck; de moreel-spirituele van Lev Tolstoj; de episch-vitalistische van Knut Hamsun en Bjornstjerne Bjornson; de volkse van Ernest Claes en Felix Timmermans. Telkens wordt een andere Streuvels zichtbaar. De kerktoren, het boerenhof en 'over dat alles het zonlicht gespreid als de lach van God'? Laten we verder kijken: die visie op het oeuvre van Streuvels houdt hem af van zijn plek binnen de moderne literatuur. En daar hoort hij wel degelijk thuis. Zijn fascinatie voor de buitenstaander en de sukkelaar, zijn besef van de fundamentele eenzaamheid van de mens en van diens strijd om zich te ontwikkelen tegen de krachten van de natuur en de samenleving in, zijn inzicht in de ontluistering van de volwassenwording, in de afstompende en vervreemdende arbeid van de gewone man, in de seksualiteit als levenskracht én als destructieve drift: dat alles maakt van Streuvels een moderne schrijver. Vertrekkend van de wereld die hij het best kende - het Vlaamse platteland - heeft hij een heel eigen literair universum gecreëerd waarin het regionale en het universele met elkaar versmelten. Streuvelsland is even reëel en even fictief als het Dublin van James Joyce, het Wenen van Robert Musil, het Combray van Marcel Proust en het Yoknapatawpha County van William Faulkner. Naast een Streuvelsland heeft Streuvels ook een Streuvelstaal gecreëerd. Zoals de plattelandswerkelijkheid die hij om zich heen zag, heeft hij ook de taal die hij om zich heen hoorde getransformeerd en bewerkt tot een autonoom artistiek medium. Hij heeft zich niet alleen laten inspireren door het West-Vlaams, maar ook door een archaïsche woordenschat en daar een kunsttaal mee gevormd. Die taal wordt vaak als een obstakel beschouwd. Je kunt Streuvels inderdaad niet lezen zonder verklarende woordenlijst: oekeren (welig tieren), preus (trots), ruffe (feeks), pensejagers (stropers), gerocht (geraakte), viggens (biggen), klaaien (doen tuimelen) enzovoort. Maar Streuvels ís zijn taal. Streuvels hertalen naar het 'gewone' Nederlands is hem verminken. Streuvels valt samen met het taalexces waarin de loutere beschrijving overgaat in iets anders. Die fascinatie voor onverwachte woorden, voor de kleur van klank en voor de muzikaliteit van ritme deelt hij met zijn oom Gezelle. Het barokke exces is de uitdrukking van de existentiële krachten die Streuvels in het bestaan aan het werk ziet. Die taalrijkdom van Streuvels steekt schril af tegen de taalarmoede en het zwijgen van zijn personages. Streuvels was niet blind voor de enorme culturele achterstand en het analfabetisme in het arme landelijke Vlaanderen, eind negentiende eeuw. Het is geen toeval dat de mens in zijn eerste verhalen nauwelijks enige identiteit of persoonlijke wil heeft, zich nauwelijks onderscheidt van het dierlijke leven, overgeleverd als hij is aan het geweld van de natuur. Maar zoals dat in het Engels heet: the proof of the pudding is in the eating. Leest u Streuvels vooral zelf. Knack zet u op weg met de Grote Vijf. Na zijn eerste verhalenbundels schetst Streuvels een pessimistisch levensbeeld, waarin individuele psychologie en een bredere sociologische kijk op de plattelandsgemeenschap een belangrijke rol spelen. In zijn eerste roman, Langs de wegen, portretteert hij de paardenknecht Jan Vindeveughel. In hem verbeeldt de auteur de meest elementaire en schamele vorm van menselijk leven. Jan heeft geen eigen wil, neemt nauwelijks beslissingen en geeft zich over aan de loop der dingen, goed of slecht, zonder enig besef zelf invloed te kunnen hebben. Hij wordt meer geleefd dan dat hij zelf leeft. De grote en kleine gebeurtenissen in zijn leven, de dood van zijn vader, de boerenstiel, zijn huwelijk, de slechte oogst, de financiële problemen, de verkoop van de boerderij, de dood van zijn dochtertje en van zijn vrouw, het vertrek van zijn zonen en ten slotte de vernedering van hun vader: Jan registreert het allemaal, maar het lijkt weinig indruk na te laten. Zijn hoogste voldoening is zijn bestaan met en naast de paarden. Geluk staat voor hem gelijk met onbewust leven. Op momenten heb je als lezer het gevoel in een roman van Samuel Beckett te zitten: Jan is een landloper in zijn eigen leven. Streuvels schrijft vol mededogen over deze simpele ziel, maar tegelijk met een harde en scherpe blik voor de armoede en het sociale onrecht waarin diens bestaan zich voltrekt. Helemaal anders is De vlaschaard, een roman die bol staat van wil, conflict en verlangen. Het boek vertelt het drama van de rijke boer Vermeulen en zijn gedoodverfde opvolger, zijn zoon Louis. Het verhaal begint op het einde van de winter en eindigt in het begin van de herfst - zoals vaker in het werk van Streuvels is de kering der seizoenen een spiegel van het menselijke drama dat zich voltrekt. In dit geval is dat de strijd tussen vader en zoon. Streuvels beschrijft uitgebreid het werk op de akker en de vele rituelen die met de vlasteelt gepaard gaan. De haast documentaire interesse voor de gemeenschap en haar tradities en gewoontes plaatst het relationele drama in een bredere context. Het overstijgt de anekdotiek en krijgt tragische, mythische allures. De oude, trotse, in zichzelf gekeerde en op almacht beluste boer wil niet erkennen dat de tijd gekomen is om de leiding van de boerderij aan zijn zoon over te laten. In de zomer ontdekt Louis niet alleen zijn wil om macht te hebben, maar ook de onstuitbare kracht van de liefde. De meid Schellebelle is voor Louis de incarnatie van de zomer en een uitnodiging tot lust, plezier en spel, ver van werk, verantwoordelijkheid en bezitsdrang. Maar hij is de zoon van een rijke boer en zij slechts een meid en dat belemmert de vrije expressie van hun gevoelens voor elkaar. Streuvels preekt nergens de klassenstrijd of de revolutie, maar is zich wel scherp bewust wat het klassenverschil aanricht in de verhouding tussen mensen. Het dodelijke slotconflict tussen vader en zoon werd een monument in de Vlaamse literatuur. Met zijn roman introduceerde Streuvels het generatieconflict in de Vlaamse letteren. De Grote Vijf worden vaak beschouwd als Streuvels noodlotdrama's. Het noodlot is de verzamelnaam voor de krachten die de mens niet controleert en die zijn leven in een of andere richting sturen. Het is meer dan de krachten van de natuur: het heeft net zo goed te maken met sociaal-economische misstanden en maatschappelijke denkbeelden. In Streuvels boeken gebeuren geen spectaculaire dingen. Hij ging er zelfs prat op dat Langs de wegen, dat hij zijn lievelingsboek noemde, over een man gaat die niets meemaakt. Ook de actie in De blijde dag is minimaal, maar uit dat minimum weet de schrijver een maximale dramatische kracht te halen door zich te concentreren op de psychologische effecten van de gebeurtenissen op de personages. Het verhaal speelt zich niet af op het platteland, maar in de spanning tussen het internaat en de wereld erbuiten. Hélène Grisar is een zestienjarig meisje dat bijna haar hele leven heeft doorgebracht in een streng nonneninternaat. Ze heeft geen enkel idee van hoe de wereld er buiten de muren uitziet. Wanneer haar oom haar meeneemt op een familieuitstapje verandert haar leven fundamenteel en onherroepelijk. Met een fijne zin voor psychologie beschrijft Streuvels hoe het meisje de bloeiende natuur en tegelijk haar eigen emotionele en seksuele ontwaken beleeft bij het zien van een vrijend stelletje. Terug in het internaat wordt ze opstandig en onhandelbaar, vol verlangen naar de wereld erbuiten. De blijde dag is een harde afrekening met het religieuze opvoedingssysteem, dat erop gericht is de individuele wil en de vrije verbeelding van de meisjes te breken en hen ideologisch klaar te stomen voor een stijfburgerlijk en ingesnoerd leven. De beschrijving van de actieve en passieve disciplinering, van de manipulatie en de indoctrinatie, van de fysieke en geestelijke verstikking, van de kille geometrische gevangenisarchitectuur van het internaat, verdient een plaats naast Aldous Huxleys en George Orwells beroemde beschrijvingen van totalitaire regimes. De openingszinnen van Het leven en de dood in de ast zijn wereldliteratuur: 'De schuur met de dubbele poortluiken breed open, gelijk een toneel waar, in de gapende diepte, door haveloze mannen, in haastig tempo, een spel wordt opgevoerd. Het gebouw staat er eenzaam op de verlaten vlakte; het toneel zonder toeschouwers, en de spelers doende achter een sluier van watermist, die 'al omdoezeld houdt. De mannen vervullen elk zijn aangewezen rol - handeling welke ineensluit als een gordend werktuig dat in 't ijle draait - een schouwspel dat in 't tijd- en ruimteloze afspint.' Het werken in de 'ast', waar in een onmenselijke hitte cichoreiwortels worden verhakseld en gedroogd, wordt als theatervoorstelling beschreven: het leven als een schouwtoneel. Alles speelt zich af in één nacht, waarin het verschrikkelijk stormt. Toch gaat het verhaal vooral over de storm die zich in de geesten en de harten van de drie hoofdpersonages (Hutsebolle, Blomme en Fliepo) afspeelt. Streuvels onderzoekt in deze roman de binnenwereld. Geen toeval dat het verhaal zich afspeelt tijdens de nacht, tussen waken en slapen, de ruimte bij uitstek van verschijningen, droomgestalten en onbewuste verlangens. De passage van Knorre, die in de ast sterft, confronteert hen in hun dromen met de diepste vragen naar de zin van het bestaan. Het leven en de dood in de ast is een ontnuchterende parabel over de nietigheid van het menselijke bestaan, opgesloten in de tredmolen van de zich dagelijks herhalende bewegingen van een betekenisloze arbeid. In De vlaschaard wordt het generatieconflict tussen vader en zoon Vermeulen versterkt door de frictie tussen traditionele landbouw en de moderniteit. Die spanning wordt nog veel explicieter uitgewerkt in De teleurgang van de Waterhoek, waar de bouw van een brug over de Schelde de Waterhoek en zijn traditionele levenswijze openbreekt voor de komst van moderne techniek en administratie. Streuvels is behalve verteller ook socioloog en antropoloog. De lange aanloop van het boek, waarin hij de zeden en gebruiken op de Waterhoek in detail beschrijft, maken duidelijk dat hij deze gemeenschap al tot een voorbije wereld rekent. De conservatief Streuvels ziet het met lede ogen gebeuren, maar zonder naïeve nostalgie. Hij ziet wat er in de relatie tussen mens en natuur teloorgaat, maar beseft ook dat de moderniteit de mogelijkheid is om een einde te maken aan de schrijnende armoede en de sociale onrechtvaardigheid op het Vlaamse platteland. Het verhaal speelt zich af in de driehoek tussen de oude, traditionele Broecke, de jonge ingenieur Maurice Rondeau en de vrijgevochten Mira. Het werk van Streuvels vertoont een grote samenhang. De afzonderlijke boeken zijn bewuste voortzettingen van en antwoorden op elkaar. Het vader-zoonconflict in De vlaschaard wordt in De teleurgang van de Waterhoek gespiegeld in het conflict tussen de oude Broecke, leider van de Waterhoek, en zijn schoonzoon, die positief tegenover de bouw van de brug staat. Zowel het verhaal van Hélène Grisar (De Blijde dag) als dat van Maurice Ondeau (Waterhoek) is een afrekening met de burgerlijke en katholieke opvoeding. En ook Streuvels vrouwenfiguren zijn een opmerkelijke constructie: Hélène Grisar uit De blijde dag, Schellebelle uit De vlaschaard en Mira uit De teleurgang van de Waterhoek zijn drie 'versies' van eenzelfde meisje. De laatste roman van de Grote Vijf eindigt met het definitieve vertrek van Mira met de trein uit de Waterhoek. Een jonge vrouw die de patriarchale en traditionele wereld achter zich laat, en haar lot in eigen handen neemt. Kan het eigentijdser?