Het waren opnieuw hallucinante cijfers die arbeidseconoom Stijn Baert (UGent) in het weekend de wereld instuurde. Haast nergens in Europa is de werkzaamheid onder migranten van buiten de Europese Unie zo laag als in België. Van de 20- tot 64-jarigen met een niet-EU-nationaliteit in ons land is 43 procent aan het werk. In de EU is dat 60 procent - of bijna de helft meer. Waar ligt dat toch aan?
...

Het waren opnieuw hallucinante cijfers die arbeidseconoom Stijn Baert (UGent) in het weekend de wereld instuurde. Haast nergens in Europa is de werkzaamheid onder migranten van buiten de Europese Unie zo laag als in België. Van de 20- tot 64-jarigen met een niet-EU-nationaliteit in ons land is 43 procent aan het werk. In de EU is dat 60 procent - of bijna de helft meer. Waar ligt dat toch aan? Baert geeft zelf een paar oorzaken aan. Het heeft zeker te maken met discriminatie. Zo blijkt een Turk tot 46 procent minder kans te hebben om voor een jobgesprek te worden uitgenodigd dan een Vlaming. En de opleidingsgraad van niet-EU-migranten in ons land is ook lager dan elders. Zo'n 44 procent van hen heeft geen diploma secundair onderwijs, tegen 20 procent van de Belgen. Ook de migranten zelf dragen een deel van de verantwoordelijkheid, want nergens in Europa zijn zo weinig vrouwen van buiten de EU beschikbaar voor de arbeidsmarkt als bij ons. Wie de Belgische cijfers opsplitst volgens de regio's, komt tot een nog stuitendere vaststelling. De werkzaamheidsgraad van mensen met een niet-EU-nationaliteit bedraagt in Vlaanderen 50 procent. Dat is 10 procentpunt lager dan in de EU, we presteren dus ondermaats. In Brussel, dat kampt met problemen waar alle grote Europese steden mee worstelen, maar met zijn internationale instellingen ook een grote aantrekkingskracht uitoefent op hoogopgeleide migranten, is dat 42 procent. Maar kijk dan naar het Waals Gewest: daar heeft slechts 32 procent van de niet-EU-burgers werk. Dus slechts een op de drie is er aan de slag. Dat is pakweg de helft van het gemiddelde in de EU en 20 procentpunt minder dan in Vlaanderen. Hoe zou dat komen? Zou men in Wallonië meer discrimineren dan in Vlaanderen, ook al gaat het verwijt vaak in de omgekeerde richting? Zijn daar meer niet-EU-migranten met een lage opleidingsgraad? Bieden zich daar nóg minder migrantenvrouwen aan voor de arbeidsmarkt? Er is een belangrijkere verklaring. Terwijl in Vlaanderen globaal 76 procent van de 20- tot 64-jarigen werkt, is dat in Wallonië 65 procent. De werkzaamheidsgraad ligt in het zuiden van het land duidelijk lager. En de kloof tussen de twee regio's neemt nog toe. Dat heeft te maken met de economische conjunctuur: als de economie meer aantrekt, is er ook meer vraag op de arbeidsmarkt. De dieperliggende oorzaak is het gevoerde beleid. Dat kan niet alleen zorgen voor een betere conjunctuur maar ook voor een cultuur van 'iedereen moet mee'. Het beleid in het zuiden van het land wordt vooral bepaald door de PS, die zo goed als steeds de leiding had van de Waalse regering. Ondanks Toekomstcontracten, Marshallplannen, 12 miljard aan Europese structuur- en investeringsfondsen en de 6,5 miljard euro die jaarlijks via de federale belastingen en de sociale zekerheid van Vlaanderen naar Wallonië vloeit, zinkt Wallonië steeds dieper weg. De gouverneur van de Nationale Bank, Pierre Wunsch, zei een jaar geleden al in Knack: de kloof tussen Vlaanderen en Wallonië groeit, terwijl ze zou moeten verkleinen. Wunsch had het toen ook over de oorzaken: 'Dat heeft ongetwijfeld voor een belangrijk deel te maken met het beleid dat gevoerd wordt door de gewesten en gemeenschappen, want zij zijn verantwoordelijk voor zaken als infrastructuur, activering van werklozen, opleiding enzoverder.' Vorige week verklaarde de gouverneur in het magazine van de Franstalige universiteit UCLouvain: 'Vandaag hebben we een probleem van institutionele spanning en een economische structuur in het zuiden van het land die afhangt van de transfers vanuit Vlaanderen. We zitten waarschijnlijk aan 70 procent overheidsuitgaven in Wallonië voor 2021-2022. Dat wil zeggen dat we dichter staan bij een communistisch dan bij een neoliberaal regime, dat sommigen menen te zien.' Het beleid dat in Wallonië wordt gevoerd, is alleen maar mogelijk dankzij Europese en Vlaamse geldstromen. Anders ging het helemaal ten onder in het schuldenmoeras. Maar de resultaten van het beleid zijn rampzalig. Niet alleen voor de meeste Walen, maar vooral voor de zwakkeren, zoals de migranten, die de verantwoordelijke Waalse politici zeggen te verdedigen. En toch wil men nog verder die weg bewandelen. Het kan niet de bedoeling zijn dat het Vlaanderen meesleept in de ondergang.