Dat de zesde staatshervorming niet geweldig loopt is al langer bekend. Er zijn diverse pijnpunten. Zo zijn er te veel heterogene bevoegdheden, een onwerkbare bijzondere financieringswet, het bestuur van het Hoofdstedelijk Gewest en de niet werkende Senaat. Maar begin in dit land maar eens politieke meerderheden te vinden voor een tweederde én een bijzondere meerderheid in de beide delen van het federale parlement.

Zonder akkoord over bijzondere financieringswet, komt er geen grote staatshervorming.

Meestal lanceert de uittredende regering op het laatste moment van een regeerperiode een voorstel tot verklaring van grondwetsherziening. Dat vereist een gewone meerderheid in het parlement, en dan ziet men wel wat het nieuw verkozen parlement daar verder mee doet. Al zijn er ook belangrijke voorbeelden van institutionele zaken die verwezenlijkt zijn zonder ooit het voorwerp te zijn geweest van een onderwerp in de bedoelde verklaring. Denk maar aan het enkelvoudig algemeen stemrecht of de creatie van de Gewesten. De grondwet bevat hiervoor trouwens geen sanctie. Het verschil met de tijd van toen, is dat er nu wel een Grondwettelijk Hof bestaat.

Regering

In overeenstemming met het regeerakkoord is er nu aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers en aan de Senaat zeer snel een lijst voorgesteld van artikels uit de Grondwet die moeten worden herzien. In de notulen van de ministerraad van 30 april (punt 33) wordt er een akkoord bereikt tussen de coalitiepartners van de regering-De Croo over een voorlopig ontwerp van verklaring tot herziening van de grondwet.

Dit voorstel is een voorlopige tekst, waarvan de lijst kan worden aangevuld na de werkzaamheden van het dialoogplatform. Uiteraard zal deze verklaring pas op het einde van de legislatuur (ten laatste mei 2024) ter stemming worden voorgelegd. Want een desbetreffende stemming in de beide delen van het federale Parlement leidt direct naar de ontbinding van het parlement en nieuwe verkiezingen. In deze tekst worden al vijf artikels van de grondwet op de lijst tot herziening gezet.

De vijf

In de eerste plaats gaat het over de artikelen 46 en 96 van de grondwet, om daarin telkens een lid toe te voegen over de ontbinding van de Kamer bij lang aanslepende regeringsonderhandelingen. Dan dient er zeker gekeken te worden naar twee andere landen: Israël en Spanje. Daar komen er automatisch nieuwe verkiezingen als men na een aantal maanden geen politiek akkoord heeft over een nieuwe regering. Dat lijkt me zeker een goed idee om lange nutteloze onderhandelingen te vermijden. Daarmee gerelateerd zou er ook gezocht moeten worden naar een antwoord op de vraag of er bij de federale regeringsvorming een rol moet blijven voor de koning of dat dit deel van de formatie in handen genomen moet worden door de kamer net zoals de Tweede Kamer dat al doet bij onze noorderburen. Ook in Nederland is dit een levendige discussie.

Ook de artikelen 48 en 142 van de grondwet staan terecht op deze lijst van voorlopige verklaring. Het gaat daarbij over een veel ouder probleem betreffende de geloofsbrieven. Dit grondwetsartikel schrijft voor dat elke kamer van het parlement de geloofsbrieven onderzoekt van haar leden en ook de geschillen beslecht die hieromtrent rijzen. Bovendien bestaat er geen beroepsmogelijkheid tegen deze beslissing. In feite spelen de Kamerleden hier rechter en partij. Hetzelfde geldt voor de controle op de boekhouding van de politieke partijen en hun verkiezingsuitgaven.

Dergelijke zaken moeten weg uit de Kamer, en uitgevoerd worden door een instelling buiten het Parlement. In dat verband zou er nagedacht kunnen worden om een soort kiesraad naar Nederlands model op te richten, die bij ons een statuut zou krijgen van een dotatiegerechtigde instelling.

Vreemd genoeg wil de regering hier een rol voor het Grondwettelijk Hof. Ondanks het feit dat dit al veel langer een probleem stelt, argumenteert de regering haar intentie op basis van een veroordeling van Roemenië door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wegens de onmogelijkheid van een jurisdictioneel beroep en omdat België zelf is veroordeeld door dit Hof in de zaak Mugemangango (10 juli 2020, zaak 310/15). Er moet ook opgemerkt worden dat deze problematiek zich ook stelt in de Parlementen van de deelstaten.

Ten slotte heeft de regering artikel 195 van de Grondwet toegevoegd aan deze lijst. Dit artikel is de sleutel tot een wijziging van de procedure om een grondwetsherziening door te voeren. De federale regering argumenteert de herziening van dit artikel om een nieuwe staatsstructuur mogelijk te maken vanaf 2024, met daarin een meer homogene alsook efficiëntere bevoegdheidsverdeling. Verder hebben de notulen van de ministerraad het over de naleving van de beginselen van subsidiariteit en interpersoonlijke solidariteit als steunpunten voor een nieuwe bevoegdheidsverdeling 'die er toe moet leiden dat de deelstaten in hun autonomie en het federaal niveau in zijn slagkracht moeten versterkt worden'. Als men deze laatste argumentatie leest, moet men besluiten dat deze regering de mogelijkheid open laat om bevoegdheden te herfederaliseren.

Discussie

De politieke discussie met betrekking tot de zevende staatshervorming is al enige tijd bezig door de pleidooien om artikel 35 van de Grondwet uit te voeren en de staatsstructuur uit te werken op basis van vier deelstaten met daarin een grotere rol voor de Duitstalige Gemeenschap, die dan terecht ook al de gewestelijke bevoegdheden zouden krijgen, en een uitgebreidere rol van het Brussels Gewest. Ook het Zwitserse model aan de Noordzee werd naar voren gebracht. Kortom, reeds vroeg in de lopende legislatuur is het dossier van de staatshervorming op tafel gezet en dat zal zeker leiden tot spitse discussies.

De volgende vragen en kwesties dienen zeker opgelost te worden:

  • De rol van de Senaat na 2024.
  • De oplossing van een aantal eerder technische zaken (zie art. 46, 48, 96 en 142 GW).
  • De hoeveelheid van artikelen in onze grondwet. Moet een grondwet zich niet beperken tot de essentie: de politieke instellingen, de rechten en vrijheden, de basisprincipes van de rijksbegroting en de herzieningsprocedure?
  • Een nieuwe herzieningsprocedure en hoe die er moet uitzien, met enkel nog een rol voor de Kamer of toch nog de Senaat of ook een rol van de Parlementen van de deelstaten?
  • De uitvoering van artikel 35 of niet, en daarmee verbonden wie de restbevoegdheden krijgt? Gaan we voor het Amerikaans-Duits model of het Canadese?
  • Hoeveel deelstaten en welk statuut: Gemeenschap en/of Gewest?
  • De positie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met inbegrip van zijn grenzen en taalstatuut en daarmee ook het bestaan van faciliteitengemeenten.

Maar het allerbelangrijkste is de tekst van de bijzondere financieringswet (BFW) van 1989 ten aanzien van de drie Gewesten en de twee grote Gemeenschappen, en de gewone wet van 1983 ter financiering van de Duitstalige Gemeenschap. De conclusie is simpel: als er geen akkoord komt over een nieuwe BFW, dan zal er geen grootse staatshervorming komen na de volgende federale verkiezingen. De huidige regering-De Croo heeft geen meerderheid om de grondwet en/of bijzondere wetten te herzien. Als de N-VA en/of het VB niet mee doen, is men aangewezen op de steun van ofwel CDH ofwel Défi en zeker van die van de communisten. In ieder geval lijkt het er eerder op dat een nieuwe staatsstructuur pas gaat ontstaan tegen het begin van het volgende decennium.

Dat de zesde staatshervorming niet geweldig loopt is al langer bekend. Er zijn diverse pijnpunten. Zo zijn er te veel heterogene bevoegdheden, een onwerkbare bijzondere financieringswet, het bestuur van het Hoofdstedelijk Gewest en de niet werkende Senaat. Maar begin in dit land maar eens politieke meerderheden te vinden voor een tweederde én een bijzondere meerderheid in de beide delen van het federale parlement. Meestal lanceert de uittredende regering op het laatste moment van een regeerperiode een voorstel tot verklaring van grondwetsherziening. Dat vereist een gewone meerderheid in het parlement, en dan ziet men wel wat het nieuw verkozen parlement daar verder mee doet. Al zijn er ook belangrijke voorbeelden van institutionele zaken die verwezenlijkt zijn zonder ooit het voorwerp te zijn geweest van een onderwerp in de bedoelde verklaring. Denk maar aan het enkelvoudig algemeen stemrecht of de creatie van de Gewesten. De grondwet bevat hiervoor trouwens geen sanctie. Het verschil met de tijd van toen, is dat er nu wel een Grondwettelijk Hof bestaat. In overeenstemming met het regeerakkoord is er nu aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers en aan de Senaat zeer snel een lijst voorgesteld van artikels uit de Grondwet die moeten worden herzien. In de notulen van de ministerraad van 30 april (punt 33) wordt er een akkoord bereikt tussen de coalitiepartners van de regering-De Croo over een voorlopig ontwerp van verklaring tot herziening van de grondwet. Dit voorstel is een voorlopige tekst, waarvan de lijst kan worden aangevuld na de werkzaamheden van het dialoogplatform. Uiteraard zal deze verklaring pas op het einde van de legislatuur (ten laatste mei 2024) ter stemming worden voorgelegd. Want een desbetreffende stemming in de beide delen van het federale Parlement leidt direct naar de ontbinding van het parlement en nieuwe verkiezingen. In deze tekst worden al vijf artikels van de grondwet op de lijst tot herziening gezet. In de eerste plaats gaat het over de artikelen 46 en 96 van de grondwet, om daarin telkens een lid toe te voegen over de ontbinding van de Kamer bij lang aanslepende regeringsonderhandelingen. Dan dient er zeker gekeken te worden naar twee andere landen: Israël en Spanje. Daar komen er automatisch nieuwe verkiezingen als men na een aantal maanden geen politiek akkoord heeft over een nieuwe regering. Dat lijkt me zeker een goed idee om lange nutteloze onderhandelingen te vermijden. Daarmee gerelateerd zou er ook gezocht moeten worden naar een antwoord op de vraag of er bij de federale regeringsvorming een rol moet blijven voor de koning of dat dit deel van de formatie in handen genomen moet worden door de kamer net zoals de Tweede Kamer dat al doet bij onze noorderburen. Ook in Nederland is dit een levendige discussie.Ook de artikelen 48 en 142 van de grondwet staan terecht op deze lijst van voorlopige verklaring. Het gaat daarbij over een veel ouder probleem betreffende de geloofsbrieven. Dit grondwetsartikel schrijft voor dat elke kamer van het parlement de geloofsbrieven onderzoekt van haar leden en ook de geschillen beslecht die hieromtrent rijzen. Bovendien bestaat er geen beroepsmogelijkheid tegen deze beslissing. In feite spelen de Kamerleden hier rechter en partij. Hetzelfde geldt voor de controle op de boekhouding van de politieke partijen en hun verkiezingsuitgaven. Dergelijke zaken moeten weg uit de Kamer, en uitgevoerd worden door een instelling buiten het Parlement. In dat verband zou er nagedacht kunnen worden om een soort kiesraad naar Nederlands model op te richten, die bij ons een statuut zou krijgen van een dotatiegerechtigde instelling. Vreemd genoeg wil de regering hier een rol voor het Grondwettelijk Hof. Ondanks het feit dat dit al veel langer een probleem stelt, argumenteert de regering haar intentie op basis van een veroordeling van Roemenië door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wegens de onmogelijkheid van een jurisdictioneel beroep en omdat België zelf is veroordeeld door dit Hof in de zaak Mugemangango (10 juli 2020, zaak 310/15). Er moet ook opgemerkt worden dat deze problematiek zich ook stelt in de Parlementen van de deelstaten. Ten slotte heeft de regering artikel 195 van de Grondwet toegevoegd aan deze lijst. Dit artikel is de sleutel tot een wijziging van de procedure om een grondwetsherziening door te voeren. De federale regering argumenteert de herziening van dit artikel om een nieuwe staatsstructuur mogelijk te maken vanaf 2024, met daarin een meer homogene alsook efficiëntere bevoegdheidsverdeling. Verder hebben de notulen van de ministerraad het over de naleving van de beginselen van subsidiariteit en interpersoonlijke solidariteit als steunpunten voor een nieuwe bevoegdheidsverdeling 'die er toe moet leiden dat de deelstaten in hun autonomie en het federaal niveau in zijn slagkracht moeten versterkt worden'. Als men deze laatste argumentatie leest, moet men besluiten dat deze regering de mogelijkheid open laat om bevoegdheden te herfederaliseren.De politieke discussie met betrekking tot de zevende staatshervorming is al enige tijd bezig door de pleidooien om artikel 35 van de Grondwet uit te voeren en de staatsstructuur uit te werken op basis van vier deelstaten met daarin een grotere rol voor de Duitstalige Gemeenschap, die dan terecht ook al de gewestelijke bevoegdheden zouden krijgen, en een uitgebreidere rol van het Brussels Gewest. Ook het Zwitserse model aan de Noordzee werd naar voren gebracht. Kortom, reeds vroeg in de lopende legislatuur is het dossier van de staatshervorming op tafel gezet en dat zal zeker leiden tot spitse discussies. De volgende vragen en kwesties dienen zeker opgelost te worden:Maar het allerbelangrijkste is de tekst van de bijzondere financieringswet (BFW) van 1989 ten aanzien van de drie Gewesten en de twee grote Gemeenschappen, en de gewone wet van 1983 ter financiering van de Duitstalige Gemeenschap. De conclusie is simpel: als er geen akkoord komt over een nieuwe BFW, dan zal er geen grootse staatshervorming komen na de volgende federale verkiezingen. De huidige regering-De Croo heeft geen meerderheid om de grondwet en/of bijzondere wetten te herzien. Als de N-VA en/of het VB niet mee doen, is men aangewezen op de steun van ofwel CDH ofwel Défi en zeker van die van de communisten. In ieder geval lijkt het er eerder op dat een nieuwe staatsstructuur pas gaat ontstaan tegen het begin van het volgende decennium.