Vorige week maandag was de eerste schooldag voor de meeste middelbare scholen in Vlaanderen. Eén Genkse instelling mocht echter niet in de vreugde delen: het Selam-college kan de deuren niet openen, omdat het enkele dagen voor de aanvang van het schooljaar te horen kreeg dat zijn erkenningsaanvraag geweigerd was. Volgens minister van Onderwijs Hilde Crevits is dit gebeurd op advies van de onderwijsinspectie en Staatsveiligheid, die vonden dat de school niet voldeed aan de Belgische Grondwet en de Rechten van de Mens. Het college vroeg de Raad van State om een uitspraak bij hoogdringendheid, en deze heeft voorlopig het besluit van de minister niet geschorst.

Wie de dubbelzinnige houding van Crevits ten aanzien van conservatieve Joodse scholen bekijkt, kan weinig anders dan zich afvragen wat hier aan de hand is. Deze zaak laat zien dat het hoog tijd wordt om de erkenning van scholen te depolitiseren en onder de autoriteit van de gerechtelijke macht te plaatsen.

Twee maten, twee gewichten

Crevits kreeg meteen bijval van politici die wel vaker maatregelen toejuichen waar moslims door getroffen worden.

Zijn sommige scholen vrijer dan andere? Hoog tijd om erkenning van scholen aan rechter over te laten.

Zo tweette Zuhal Demir bijvoorbeeld haar dank 'namens de vrouwen van morgen die beter af zijn in een vrije school'. Opmerkelijk dat we haar - en minister Crevits - zelden horen over de diepgelovige orthodoxe Joodse scholen in het Antwerpse die erkenning genieten.

In 2017 was er het geval van een scholengroep die bepaalde delen van het leerplan censureerde, waaronder de evolutieleer. En recent nog was er het bericht over de Vrije Israelitische schoolvoor Secundair Onderwijs Yavne, lekte onlangs een document dat de 'principes van de school' uiteenzet.

Daarin staat dat ouders worden geacht om koosjer te eten en de sjabbat te handhaven, en meisjes zich moeten kleden 'volgens de wetten van de Torah, dat wil zeggen: geen broeken, geen decolletes of ongepaste kledij'. Voorts moeten jonges regelmatig deelnemen aan het gebed op sjabbat, moeten vaders altijd het hoofd bedekken en moeten moeders aan gelijkaardige voorschriften gehoorzamen.

Stel je de furore voor als een islamitische school zou voorschrijven dat haar leerlingen zich dienen de kleden volgens de voorschriften van de Koran. We zouden er het einde nooit van horen. Terwijl het eigenlijk allemaal doodnormaal is vanuit de optiek van vrijheid van onderwijs. Het hele punt van dat artikel in de grondwet is om levensbeschouwelijke organisaties toe te staan scholen op te richten die gebaseerd zijn op hun principes. Voor Joden is dat halacha, voor moslims sharia, voor katholieken de kerkelijke moraal, etc. Wie zich daar niet in kan vinden, moet de vrijheid van onderwijs proberen afschaffen. Dat is echter geenszins wat de N-VA beoogt.

Toen Demir vorig jaar Joodse scholen een 'historische vergissing' noemde, werd ze terecht gewezen door Bart De Wever. 'Het gaat over de vraag: aan wie geven we belastinggeld? Er zijn ook ultrakatholieke private scholen. Daar heeft de overheid niks aan te zeggen. Maar ik denk niet dat er vanuit het jodendom of katholicisme een anti-westerse doctrine is die aanslagen pleegt', zei de N-VA-voorzitter in Terzake.

Maar wat moeten we dan denken van de moord op en verdrijving van Palestijnen in de Westelijke Jordaanoever door ultra-orthodoxe kolonisten, en de bomaanslagen op abortusklinieken in de VS. En misschien zou iemand hem erop moeten wijzen dat de grootste georganiseerde massamoorden in de menselijke geschiedenis het gevolg waren van ideologieën die afgeleid waren van het nationalisme.

Elders toont De Wever zich dan weer wel een grote supporter van het katholieke net, dat hij zegt 'in ere te willen herstellen'. Tegelijk kon Jan Jambon doodleuk verklaren dat hij zich 'met alle middelen' zou verzetten tegen de komst van een islamitische school in Genk, omdat dit 'haaks staat op ons integratiemodel'. Is integratie dan in strijd met de Grondwet?

Het is het begrip 'anti-westers' in de reactie van De Wever dat aangeeft waar het hier over gaat. De weerstand tegen islamitische scholen lijkt wel ingegeven door een wereldbeeld waarin moslims een 'buitenlandse invasie' vormen die erop uit is om de eigenheid en het welzijn van Vlaanderen te ondermijnen.

Als gevolg daarvan zien we politici die overgaan tot het nemen van discriminerende maatregelen tegen deze uitheemse 'Ander' om hem onder de knoet te houden. Daarbij gebruiken ze uiteraard mooie woorden als 'vrouwenrechten' en 'integratie'. Het is een kwalijke evolutie, die de deur openzet naar willekeur. Het is bijzonder jammer dat een fatsoenlijke partij als de CD&V ervoor kiest om uit electoraal gewin hiermee samen te werken.

Welke vrijheid?

De vraag die we ons moeten stellen, is wat vrijheid van onderwijs vandaag überhaupt nog betekent. Als de staat projecten zomaar kan tegenhouden uit naam 'Verlichting' en 'gelijkheid van man en vrouw', vage ersatzbegrippen voor de mainstream seculiere levenswijze, hoe staat het levensbeschouwingen die niet delen in die visie dan nog vrij om eigen scholen te stichten? Vrijheid van onderwijs hoort toch meer te zijn dan de bevoegdheid om je de kleur van de gangen en de vorm van de banken te kiezen? Men moet de radicaal-rechtse partijen die bovenstaande termen misbruiken dwingen om een coherente definitie ervan te formuleren zodat ze de discussie niet steeds kunnen ontlopen met sloganeske verklaringen.

Geen enkele rationele persoon kan in het UVRM en het gelijkheidsbeginsel van mannen en vrouwen op enigerlei wijze een verbod op (al dan niet religieus geïnspireerde) verschillen in klederdracht tussen jongens en meisjes vinden. Dan zouden bijvoorbeeld ook uniformregelingen die meisjes een rok gaven en jongens een broek verboden zijn.

Indien we het EVRM, UVRM en de Grondwet aanvaarden als standaarden voor de definitie van bovenstaande begrippen, staat het als een paal boven water dat niet alle vormen van religieuze (of andere) differentiëring tussen jongens en meisjes op school een misdrijf zou vormen. Om dergelijke logische consistentie te verkrijgen is het echter zoals zo vaak noodzakelijk om de zaak op strenge wijze te juridiseren en de toepassing ervan over te dragen aan de gerechtelijke macht.

De huidige regeling schiet hierin schromelijk tekort.

Vandaag heeft de minister de bevoegdheid om erkenningsaanvragen te behandelen, en beschikt als zodanig ook over een ruime mate van discretie. Eerst wordt de bestuursdaad gesteld, en vervolgens kan er pas gerechtelijke evaluatie komen. Dit brengt heel wat negatieve gevolgen met zich mee. Om te beginnen wordt het dan moeilijk om een ministerieel besluit te vernietigen, althans in kort geding, tenzij het bijzonder flagrante en opvallende gebreken vertoond. Op die manier ontstaat er bijna vooringenomenheid in het voordeel van de uitvoerende macht - er is immers geen vermoeden van onschuld in administratief recht.

Bovendien veroorzaakt dit systeem aanzienlijke problemen voor de planning van een nieuwe school, wat een afschrikeffect heeft en dergelijke initiatieven in de toekomst in de kiem kan smoren. Het Selam-college hoorde pas van de minister op 30 augustus, drie dagen voor de eerste schooldag. Het voorbereidende werk dat nodig is voor de stichting van een middelbare school is niet verwaarloosbaar: leerkrachten moeten gevonden worden, men moet ouders en leerlingen motiveren, banden smeden met de gemeenschap, etc. Het is dan ook vrij hallucinant dat Raad in haar arrest zegt 'niet overtuigd te zijn van de noodzaak van de school om op 1 september van start te gaan'.

De letterlijke passage uit het arrest is:

'Het is dus zaak ervan te overtuigen waarom niet gewacht kan worden na 1 september 2019. Daarover leest de Raad echter niets concreets in de uiteenzetting van verzoekster.'

Ook bijzonder zorgwekkend is het oordeel van de Raad over het rapport van Staatsveiligheid dat een belangrijke grond vormde voor de niet-erkenning van het Selam-college. Het schoolbestuur mocht dit tot nu toe niet inkijken, en de Raad besloot die beperking voorlopig niet te verbreken, uit angst dat de snelheid en urgenite van een kortegedingprocedure ertoe zou kunnen leiden dat informatie die terecht geheim werd gehouden toch verschijnt.

Dit heeft echter geleid tot de absurde situatie waarin de school zich moet verweren tegen ernstige beschuldigingen die zeer schadelijk zijn voor haar reputatie en imago zonder dat ze daar de gronden voor kent. Niettegenstaande oordeelde de Raad dat de school 'wel een tijd kan leven met de stempel dat ze fundamentele mensenrechten en kinderrechten niet zou respecteren', een uitspraak die van een werkelijk verbluffende mate van ongevoeligheid getuigt. In ons land worden moslims juist routinematig gediscrimineerd en aangevallen omdat ze tegen 'de Verlichting' en de mensenrechten zouden zijn. Enkel iemand die dat nooit zelf heeft meegemaakt zou anderen durven vragen 'een tijdje ermee te leven'.

De letterlijke passage uit het arrest is:

'Voorts overtuigt verzoekster niet dat zij als rechtspersoon met deze stempel dat zij de fundamentele mensenrechten en kinderrechten niet zou respecteren niet kan omgaan tot een eindarrest ten gronde is gewezen, laat staan het als rechtspersoon niet tot dan kan "overleven".'

Al deze moeilijkheden zouden opgelost kunnen worden door een rechtbank in te richten die bevoegd is voor de erkenning van scholen. De wet zou dan strikt worden toegepast, zonder beïnvloeding van het politieke klimaat en heersende vooroordelen. Er zou geen sprake zijn van vooringenomenheid in het voordeel van een ministeriële bestuursdaad en scholen zouden ruim op tijd een oordeel in handen krijgen waarin ook alle redenen voor (niet-)erkenning transparant worden uiteengezet.

Hoog tijd om de vrijheid van onderwijs consistent toe te passen door ze te immuniseren voor politieke machtsspelletjes.