1. Stellen de Vlaamse virologen de situatie te dramatisch voor?

De afgelopen week raakten er, voor zover bekend, dagelijks bijna 500 Belgen besmet met het coronavirus. Dat lijkt niet echt geruststellend, en toch zijn er experts die zeggen dat we ons daar niet te veel zorgen over hoeven te maken.
...

De afgelopen week raakten er, voor zover bekend, dagelijks bijna 500 Belgen besmet met het coronavirus. Dat lijkt niet echt geruststellend, en toch zijn er experts die zeggen dat we ons daar niet te veel zorgen over hoeven te maken. Tot het optimistische kamp behoren, onder anderen, Yves Coppieters, epidemioloog aan de ULB, en Jean-Luc Gala, specialist infectieziekten en diensthoofd in het Saint-Luc-ziekenhuis in Brussel. Volgens Coppieters en Gala is er geen sprake van een tweede golf, en moeten we vooral oog hebben voor de situatie in de ziekenhuizen en de afdelingen intensieve zorg. Dat was trouwens ook de boodschap van Sciensano tijdens de eerste golf. Sciensano noemde het aantal patiënten op intensieve zorg toen zelfs het belangrijkste cijfer. Een overbelasting van die afdeling zou gelijk staan met een crash van het zorgsysteem, een nachtmerrie die we het koste wat het kost moesten vermijden. Vandaag lijkt die nachtmerrie veraf. Werden er tijdens de piek in april dagelijks soms meer dan 3000 coronapatiënten opgenomen, dan waren dat er afgelopen week nauwelijks 30. Op de IZ-afdelingen liggen vandaag een tachtigtal patiënten. Begin april waren er dat nog 1280. Dat Sciensano en in zijn spoor de media nu plots vooral de nadruk leggen op het aantal besmettingen zorgt volgens de 'optimisten' voor een vertekend, overdreven dramatisch beeld. Bernard Rentier, ex-rector van de Universiteit Luik en viroloog (zie verderop voor een interview), gewaagt zelfs van bewuste manipulatie om de bevolking angst aan te jagen, in de hoop dat die zich dan 'zo strikt mogelijk aan de regels (zal) houden'. Volgens Rentier zeggen de cijfers van het aantal besmettingen vooral iets over het aantal uitgevoerde tests. Dat aantal werd sinds begin april minstens verviervoudigd. 'Het spreekt voor zich dat men meer gevallen vindt als men meer test.' Die laatste stelling is zonder meer juist, beaamt Steven Van Gucht, viroloog bij Sciensano. 'Er zou ook geen probleem zijn mocht de positiviteitsratio (het percentage positieve tests van alle uitgevoerde tests, nvdr) niet stijgen. Maar dat is wél het geval. In Brussel bijvoorbeeld ging het percentage positieve tests van minder dan 2 procent naar meer dan 7 procent nu. We testen dus niet alleen meer, we testen ook meer positief. Dat is een belangrijke indicatie.' Van Gucht benadrukt dat Sciensano de cijfers zonder opsmuk of dramatisering openbaar maakt. Maar hij ontkent niet dat er vandaag meer dan tijdens de eerste golf op het aantal besmettingen wordt gefocust. Die focus past volgens hem in een meer preventieve aanpak, met als doel een tweede groot debacle te vermijden. 'In maart kwam er, onder water, een ijsberg op ons af. We zagen die niet komen, en zagen het probleem pas toen de ziekenhuizen vol raakten. In die fase van de epidemie was de enige optie: we laten het huis gecontroleerd afbranden, en proberen de collateral damage zo veel mogelijk te beperken. Dat was een dramatische situatie, die we nu proberen te voorkomen door vroeger te reageren. Kritiek is daarbij niet te vermijden. Toen na de eerste golf het stof was gaan liggen, werd ons verweten dat we te laat en te weinig hadden ingegrepen. Nu krijgen we de omgekeerde kritiek.' Van Guchts collega Marc Van Ranst (KU Leuven) wijst op de zogenaamde preventieparadox. 'Wij hebben doortastende maatregelen ingevoerd om deze tweede golf zo klein mogelijk te houden. Dat is gelukt, een nieuwe grote ramp blijft voorlopig uit. Maar je weet op voorhand dat mensen vanwege het uitblijven van de ramp zullen zeggen: zie je wel, die maatregelen zijn overdreven.' Van overdramatisering kan volgens Van Ranst vandaag geen sprake zijn. 'Onze cijfers zijn gewoon niet geruststellend', zegt hij. 'Nieuw-Zeeland zou op zijn kop staan met onze cijfers.' Dat het aantal ziekenhuisopnames nu zo veel lager ligt dan tijdens de eerste golf, heeft ongetwijfeld te maken met de leeftijd van de 'nieuwe' covidpatiënten: die zijn een stuk jonger, waardoor besmettingen minder zware gevolgen hebben. Maar volgens Van Ranst mag dat geen reden zijn om het virus nu vrij te laten circuleren. 'Dan zal het zich na verloop van tijd verplaatsen naar meer kwetsbare groepen: de ouders en grootouders.' Volksgezondheid is meer dan alleen virologie. Burgerlijk ingenieur en hoogleraar Herwig Mannaert (UA) maakte dat punt helder in een opiniestuk voor Knack.be. Zo wees Mannaert op de negatieve gevolgen van een lockdown op de volksgezondheid in meer algemene zin. 'Massaal jobverlies, bijna explosief stijgende echtscheidingen, talloze additionele faillissementen, langdurige eenzaamheid met bijbehorende depressies, en het ontzeggen van toegang tot scholen aan kansarme kinderen.' Weten we heel zeker, vroeg Mannaert zich af, of al die negatieve gevolgen van de lockdown minder zwaar wegen dan de gevolgen van de pandemie zelf? De al genoemde ULB-epidemioloog Yves Coppieters liet in De Morgen optekenen dat we vandaag 'vastzitten in een puur sanitaire logica', terwijl er in deze crisis 'meer is dan louter het virologische'. De Veiligheidsraad gaat volgens hem in de fout door zich te exclusief te verlaten op het advies van virologen. Geconfronteerd met die kritiek gaat Marc Van Ranst lichtjes steigeren. 'Blijkbaar heeft Yves Coppieters geen idee van wat Erika Vlieghe, Steven Van Gucht en ik de hele dag doen', zegt hij. 'Wij zijn echt geen vakidioten. Ik heb samengewerkt met de toeristische sector, de cultuursector, de horeca... De stelling dat wij alleen maar rekening houden met de virologische logica houdt totaal geen steek. Ondanks de onrustwekkende cijfers hebben we gepleit voor de heropening van de scholen. En mag ik er ook op wijzen dat de horeca en bijna alle bedrijven al lang weer open zijn?' Volgens Steven Van Gucht is deze kwestie misschien wel de moeilijkste. 'Hoe zorg je ervoor dat de maatregelen niet schadelijker zijn dan het virus zelf? Wij proberen dat evenwicht voortdurend na te streven, maar er is inderdaad een spanningsveld.' Dat spanningsveld bleef volgens moraalfilosoof Patrick Loobuyck (UA) lang, misschien wel te lang buiten beeld. 'Vooral tijdens de eerste piek was de blik eenzijdig op de coronacijfers gericht. Dat is ook logisch. Het was dat of een crash van ons zorgsysteem met alle fatale gevolgen van dien. In die aanvankelijke urgentie stonden experts op een voetstuk, alles wat zij voorstelden was sowieso juist. Nu is er meer marge voor discussie - zelfs tussen experten onderling - maar het blijft op eieren lopen. Ik vind dat de discussie te vaak platgeslagen wordt met het argument: "het kan niet streng genoeg zijn" en "we moeten elke besmetting proberen te vermijden". Maar het voorzorgsprincipe, dat erg belangrijk is, moet aangevuld worden met andere overwegingen. Natuurlijk moet je voorzienbare schade proberen te beperken, dat is een zeer valabel ethisch en politiek uitgangspunt. Maar daarvoor is niet gelijk welk middel geoorloofd, zeker niet in een democratie, waarin vrijheid een uitgangspunt is. Leven is ook altijd een risico nemen. Je kunt het vergelijken met hoe de samenleving onder druk kwam bij de aanslagen. 100 procent veiligheid werd toen ook even nagestreefd, de luchthaven werd bijna gesloten. Dat hou je niet lang vol. Misschien kun je terrorisme indammen door bij iedereen een chip in te planten en de bevolking permanent te volgen, maar willen we die prijs betalen? Ik ben kort na de aanslagen in de Kamer gaan spreken over de vraag of we het salafisme moeten verbieden. Mijn antwoord was: nee. Zo'n verbod is een bazooka, typisch zo'n wapen dat bovengehaald wordt op momenten waarop een samenleving onder druk staat. Dat gevoel heb ik nu ook met de avondklok en die mondmaskerplicht overal en altijd. In een liberale rechtsstaat worden regels gewogen op hun proportionaliteit. Toen ik daar onlangs op wees, werd me verweten dat ik het virus zou onderschatten. Een déjà vu: toen ik tegen een verbod van het salafisme pleitte, klonk het dat ik religieus fanatisme onderschatte.' Eind juli voerde Antwerps gouverneur Cathy Berx (CD&V) behalve de noodklok ook een bijzonder verregaande mondmaskerplicht in. Zelfs op de fiets werd dat masker verplicht. De gouverneur leek daarmee zelfs de meest voorzichtige virologen in voorzichtigheid te willen overtreffen. Want een algemene mondmaskerplicht, zo zeggen Steven Van Gucht en Marc Van Ranst, houdt geen steek. Van Ranst: 'Het is heel simpel, mondmaskers hebben enkel zin op plaatsen waar je geen anderhalve meter afstand kunt houden. Dat heb ik meermaals gezegd tijdens de eerste golf, en mijn standpunt is sindsdien geen millimeter veranderd. Wel heb ik vastgesteld dat sommige lokale overheden onze aanbevelingen zo breed mogelijk gingen interpreteren.' Gevolg van die 'brede interpretatie' is een paradox die mogelijk bedreigend is voor het draagvlak van de maatregelen in het algemeen. Tijdens de dramatische eerste golf werd de bevolking ingeprent dat mondmaskers onzinnig waren. Nu we geconfronteerd worden met een op het eerste gezicht veel mildere tweede golf, zijn ze verplicht op plekken waar het geen zin heeft. 'Het verschil is dat er tijdens de lockdown geen drukke plaatsen waren', zegt Van Gucht. 'De context is nu anders. Nu zijn maskers een manier om dingen te laten plaatsvinden die in de lockdown niet konden, zoals evenementen. Maar een algemene mondmaskerplicht is een foute maatregel. Mijn standpunt daarover is niet gewijzigd.' Ander heet hangijzer: de bubbel van vijf. Professoren Jean-Luc Gala en Yves Coppieters noemen die maatregel disproportioneel. Uit onderzoek blijkt ook dat de regel nog nauwelijks wordt nageleefd. Toch is het volgens Van Ranst nog altijd een essentieel wapen in onze strijd tegen corona. 'Ik zal niet ontkennen dat mensen die regel aan hunlaars lappen, ' zegt hij, 'maar we zien ook dat het niet op een flagrante manier gebeurt. Ongetwijfeld zijn er mensen die zes of zeven mensen in hun bubbel hebben zitten. Maar de grote feesten, de barbecues van veertig man die de circulatie van het virus opnieuw op gang hebben gebracht, die zien we nu niet meer. Omdat we de bubbels hebben verkleind en daar een getal op hebben geplakt. In een ideale wereld zou het volstaan om te zeggen: beperk uw sociale contacten. Helaas werkt het zo niet.' Ook Steven Van Gucht verdedigt de maatregel. 'Ik begrijp dat zo'n cijfer weerstand creëert, ook vanwege het arbitraire. Ik zou liever een beroep doen op burgerzin, maar daar zijn ook nadelen aan verbonden. We weten dat het virus zich verspreidt onder families en vrienden. Daarom is het heel belangrijk dat je je dichte contacten beperkt. Dat is een van de cruciale regels, waar we nog even mee zullen moeten leven. Op een bepaald ogenblik is beslist dat de bubbel uit 15 mensen mocht bestaan. Dat ging te ver. Het signaal was: doe maar. Het was verstandig om die bubbel weer te verkleinen. Als we de cijfers weer onder controle hebben, moeten we dat opnieuw bekijken. Op middellange termijn moeten we het draaglijker maken voor de bevolking. Maar daar is het nu nog niet het moment voor.' In april was de toestand dramatisch, maar wel helder: een lockdown was toen noodzakelijk om een overbelasting van het zorgsysteem te vermijden. Alleen flatten the curve kon vermijden dat er in onze zorginstellingen pijnlijke ethische keuzes moesten worden gemaakt. Dat heldere doel is er vandaag niet meer. Het virus uitroeien ( crush the curve!) is, zo zegt de wetenschap, een utopie. Gevolg is dat we volgens epidemioloog Luc Bonneux vandaag 'doelloos ronddobberen'. Tegelijk, zo schreef Bonneux in De Morgen, wordt de bevolking 'opgejaagd door een hysterische publieke opinie die op haar beurt wordt opgejaagd door hyperventilerende media. Zeldzame risico's worden uitvergroot, waardoor de burger geen benul heeft van hoofdzaak of bijzaak.' Motivatiepsycholoog Maarten Vansteenkiste (UGent) onderkent het probleem: 'Mensen zijn aan het afhaken omdat het grotere plaatje ontbreekt.' Vansteenkiste stelt voor om het kleurcodesysteem zoals dat bestaat in het onderwijs - groen als het veilig is, rood als de toestand dwingende maatregelen vergt - breder in te zetten en duidelijk te communiceren wat kan en moet bij welke kleur. Daarbij zou de overheid ook altijd duidelijk moeten maken wanneer en waarom er naar een andere kleur wordt overgeschakeld. 'Het ontbreekt aan argumentatie, perspectief en helder doel en dat maakt dat mensen de regels niet meer respecteren. Je kunt dat indijken met motivationele principes: heldere doelen uitleggen en keuzes inbouwen.' Volgens Vansteenkiste moeten mensen, in beperkte mate, zelf de grenzen kunnen bepalen. 'Een voorbeeld: in plaats van een bubbel van 5, zeg je dat mensen 4 tot 8 mensen mogen zien. En daarbij geef je hen ook helder mee wat de impact op de verspreiding van het virus is van 4 mensen zien en wat van 8. Zo maak je hen verantwoordelijk voor hun keuzes.' Een ander cruciaal punt: versoepelen. 'Zeg bijvoorbeeld naar hoeveel besmettingen je per dag wilt om een bepaalde versoepeling mogelijk te maken. Mensen moeten beseffen dat hun gedrag een verschil uitmaakt. Als iets gaat zoals gehoopt, dan geeft dat moed, zoals het halen van tussendoelen wanneer je traint voor een marathon. Dan kun je nog verder gaan.' Volgens Steven Van Gucht gaat het, ook hier, om het vinden van een evenwicht. 'De boodschap flatten the curve moest iedereen in zijn kot houden en overbelasting voorkomen. Dat was een tijdelijke noodmaatregel. Nu moeten we denken op middellange termijn. Hoe kunnen we, in afwachting van een vaccin, het virus controleren op een leefbare manier, met maatregelen die lang vol te houden zijn? In juli hadden we een besmettingsniveau van minder dan 100 per dag. Dat zijn er nog steeds genoeg, maar dit niveau kun je, met testen en contact tracing, onder controle houden. Als we op dat niveau blijven, kunnen we een jojo vermijden. Verstrengen bij hogere cijfers en versoepelen bij lagere, geeft het gevoel dat we de situatie niet in de hand hebben. Dat is rampzalig voor de motivatie en het draagvlak.' Het is een cruciale maar pijnlijke, en misschien wel daarom zelden gestelde vraag. Wat willen onze bejaarden zelf? Als we de coronamaatregelen volgen, doen we dat ook en misschien wel vooral voor hen: onze ouders en grootouders, de mensen in de woonzorgcentra die het meest kwetsbaar zijn gebleken. Tegelijk wegen de maatregelen voor hen het zwaarst. Willen ze, voor de tijd die hen nog rest, maandenlang in isolatie leven? Wat is je leven nog waard, als je oud en eenzaam bent, zonder enig perspectief? 'Ze mogen mij komen halen', zo verzuchtte een oude dame onlangs in De Standaard. 'In de hemel mag ik meer volk zien.' Patrick Loobuyck geeft toe dat hij er ook niet uit raakt. 'In sommige gevallen kun je als oudere beslissen wel nog mensen te zien. Dat is een kwestie van autonomie, die inderdaad gerespecteerd en beschermd zou moeten worden. Tegelijk moet je, zeker in een woonzorgcentrum, ook daarin de wil van anderen respecteren. Die kunnen zich beroepen op het schadeprincipe. Collectieve beslissingen over de woonzorgcentra zullen altijd op kritiek stuiten, omdat ze de autonomie laten botsen met het schadeprincipe.' En toch. Volgens Marc Van Ranst zijn er mogelijkheden om het dilemma minstens wat minder duivels te maken. 'Om te beginnen is er nooit een goeie reden geweest om mensen eenzaam en alleen te laten sterven. Er zijn vandaag voldoende beschermingsmiddelen voor handen om ervoor te zorgen dat we dat nooit meer moeten laten gebeuren.' De bezoekregelingen in de woonzorgcentra kunnen volgens hem ook best wel liberaler. 'De WZC willen dat ook, maar kunnen dat niet organiseren omdat ze onderbemand zijn. Met meer personeel om die bezoeken te regelen, en voldoende beschermingsmateriaal, is het mogelijk om op een veilige manier meer bezoeken te regelen. Virologisch kan dat. Uiteindelijk gaat het over een keuze. Een politieke keuze, welteverstaan.'