'Ze noemen me meneertje', antwoordt hij als ik vraag hoe het met hem gaat.
...

'Ze noemen me meneertje', antwoordt hij als ik vraag hoe het met hem gaat. Het is ondertussen alweer vele jaren geleden dat ik zijn getuigenis optekende voor Knack, maar nog altijd zoek ik hem af en toe op. Nu voor het eerst niet in zijn statige huis in de stad maar in een woonzorgcentrum in de rand. Zijn grootste angst was dat de verpleegkundigen hem Marcelleke zouden noemen, naar het werkmansonderlijfje dat hij al een leven lang koppig weigert te dragen. Maar zo noemen ze hem hier niet. Daar is hij te veel een heer voor. Wel vragen ze elke ochtend of meneertje goed heeft geslapen. Al bij al vindt hij dat niet zo erg. 'Op dat vlak krijgen wij mannen veel meer respijt', zegt hij. 'Wij mogen langer meneer zijn.'Marcel heeft gelijk. Een vrouw is heel erg lang een meisje. Veel langer dan mannen jongens zijn. Eens de 25 voorbij zijn de meeste heren al meneren. Hoogstens hebben ze dan nog iets jongensachtigs. Maar wij zijn dan nog echte meisjes - en vaak houden we dat beeld zelf koket in stand. De politicus bij wie ik als twintiger binnenstapte, keek wel erg verbaasd op. Had zijn woordvoerder niet gezegd dat hij voor Knack werd geïnterviewd? Waarom stond er dan een meisje van Knack Weekend voor zijn neus? Dat jonge vrouwen ook vragen konden stellen over politiek, kwam blijkbaar niet bij hem op. Kortom: doorgaans duurt het bij vrouwen jaren langer dan bij mannen voor ze voor vol worden aanzien. Moeder worden helpt. Donkere kleren dragen soms ook. Of een bril. Maar bovenal moet je gewoon veel geduld hebben. Dan word je vanzelf een mevrouw. En dan - amper vijftien jaar later - onvermijdelijk een mevrouwtje. 'Dát bedoel ik', zei Marcel. 'Een man blijft een meneer tot hij al ver gevorderd is in het zeventig zijn, een dame wordt nog voor haar vijftigste een mevrouwtje.' En daar heb ik dus danig de pest in. Of ik nu bij de autokeuring, op de trein of aan het loket zo wordt genoemd. Ik bén geen mevrouwtje. En al helemaal geen madammeke. Mevrouwtjes hebben een sjaaltje op hun hoofd dat onder hun kin is vastgeknoopt, dragen bloemenjurken en trekken zo'n trolley met ruitjesmotief achter zich aan. Mevrouwtjes haken tafellopers en wieden onkruid. Mevrouwtjes schrijven geen columns, toch?'Weet je wat veel erger is dan meneertje?' vraagt Marcel. 'Als ze me jongeheer noemen. In geen enkele fase in je leven wil je zo worden aangesproken.' Alweer heeft Marcel gelijk. Jongedame: het begon ooit als voorbode van een ouderlijke berisping, later was het de favoriete aanspreektitel van een paar van mijn professoren en ik had ook even een baas die me zo dacht aan te moedigen. Daarna was ik er jaren vanaf. Tot ze me, toen ik even niet oplette, weer zo zijn beginnen aanspreken. 'En voor de jongedame?' vraagt de krantenboer tegenwoordig. 'Waar moet madammeke naartoe?' zegt de taxichauffeur weleens. Veel ouder kun je je niet voelen.Waar komt het toch vandaan, die drang om mensen met de glimlach klein te houden? Soms goedbedoeld, soms met venijn onder de tong. Waarom kan een rusthuisbewoner niet meneer of Marcel genoemd worden? Waarom kan ik niet gewoon een mevrouw zijn? Ook als ik belachelijk onhandige parkeerpogingen doe of blijk geef van een wel erg gebrekkige kennis van loodgieterij? En waarom maken dat soort aanspreektitels ons soms zo verdomd onzeker? Marcel heeft er wat op gevonden, merk ik als er wordt aangeklopt. 'Ah, het zustertje is daar met de thee, zie ik', zegt hij met zijn neutraalste stem. Voor ons staat een boomlange jongen met een dienblad in zijn hand. Die moet ik onthouden, denk ik. Voor als ik écht een mevrouwtje ben.