Wat wil de regering-Jambon de komende vijf jaar doen om de armoede te bestrijden? Volgens Wim Van Lancker, armoedespecialist aan de KU Leuven, getuigt het regeerakkoord vooral van een flink staaltje symboolpolitiek.
...

Wat wil de regering-Jambon de komende vijf jaar doen om de armoede te bestrijden? Volgens Wim Van Lancker, armoedespecialist aan de KU Leuven, getuigt het regeerakkoord vooral van een flink staaltje symboolpolitiek.Wat is uw algemene inschatting van het armoedebeleid in het nieuwe regeerakkoord?Wim Van Lancker: Armoede lijkt geen prioriteit van de regering-Jambon. Er worden geen concrete doelstellingen geformuleerd en de voorgestelde maatregelen blinken vooral uit in vaagheid. Dat is een duidelijke trendbreuk. De regering-Bourgeois heeft het op vlak van armoedebeleid niet erg goed gedaan, maar stelde aan het begin van haar bestuursperiode wel duidelijke mikpunten voorop. Zelfs dat is in het nieuwe regeerakkoord niet langer aanwezig. Met andere woorden moeten we afwachten hoe de regering-Jambon de maatregelen in de praktijk zal omzetten?Van Lancker: Inderdaad. Er zijn amper structurele maatregelen opgenomen. De halvering van de kinderarmoede is niet langer een doelstelling en er zijn geen targets over het aantal sociale woningen en de huursubsidie. Er wordt wel iets over het Groeipakket en de kinderbijslag geschreven, maar er niets over de manier waarop beide instrumenten effectiever ingezet kunnen worden. Het enige wat wel concreet wordt uitgewerkt is de verplichte gemeenschapsdienst, waarvan we al lang weten dat het weinig zoden aan de dijk zal zetten. U blijft op uw honger zitten?Van Lancker: Het is een flink staaltje symboolpolitiek. Kijk maar naar de toekenning van sociale voordelen voor nieuwkomers. We mogen niet vergeten dat er achter zulke symboolmaatregelen wel mensen schuilen die in slechte omstandigheden leven en een strijd moeten voeren om rond te komen. De regering-Jambon wil in ieder geval dat armoede vroeger vastgesteld wordt. Een sterk lokaal netwerk van onder meer Kind&Gezin, de kinderopvang en de scholen moet voorkomen dat mensen in structurele armoede terechtkomen. Van Lancker: Op lokaal niveau wordt het systeem van zulke brugfiguren al langer gehanteerd en het is goede zaak dat men die aanpak wil veralgemenen. Maar ook hier blijft het afwachten hoe dat in de praktijk zal uitdraaien en welke rol de Vlaamse overheid daar überhaupt in kan spelen. De sociale voordelen worden niet langer enkel afhankelijk van het statuut, maar ook van de hoogte van het inkomen. Een goede zaak?Van Lancker: Zeker en vast. Maar het is niet nieuw: met de schooltoelages, het Groeipakket en een aantal sociale voordelen op federaal niveau is men al langer in die richting aan het evolueren. De maatregel is wat dat betreft eerder een inhaalbeweging. Toch zijn er ook enkele risico's aan verbonden. Als je op basis van het inkomen voordelen gaat toekennen, bestaat de kans dat de werkloosheidsval nog groter wordt. Op een bepaald moment verdient iemand te veel om nog van sociale voordelen te kunnen genieten. Er zullen altijd mensen zijn die daarop zullen besluiten om bijvoorbeeld minder te gaan werken. De regering-Jambon wil een automatische rechtentoekenning zodat mensen niet langer zelf moeten ontdekken van welke voordelen ze kunnen genieten. Van Lancker: Hoewel die ambitie al vijftien jaar in het regeerakkoord vervat is, staat men nog steeds niet erg ver. Voornaamste reden is dat er veel mensenwerk nodig is om dat systeem in werking te laten treden: een middelentoets, inschatten van de werkbereidheid en arbeidsongeschiktheid, de inschatting van het leefloon ... Dat vergt allemaal menselijke interventie. Daarom is het utopisch om te denken dat je alle rechten zomaar automatisch kan toekennen. Natuurlijk is het goed om na te gaan waar de toekenning geautomatiseerd kan worden, maar het is veel belangrijker om de bestaande instrumenten veel effectiever in te zetten: brieven in een begrijpelijke taal, mensen erop wijzen dat ze recht hebben op bepaalde voordelenen, etc. De Vlaamse regering wil naast het armoederisico ook de feitelijke armoede in kaart brengen door een zogenaamde 'nominale armoede-indicator'. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Van Lancker: Er wordt geïmpliceerd dat de huidige manier waarop we armoede meten niet goed is. Die kritiek is onterecht: het ligt niet aan de indicatoren, wel aan het beleid. Wat men vervolgens met een 'nominale armoede-indicator' bedoelt, is mij volstrekt onduidelijk. In de statistiek is een 'nominaal meetniveau' een onderscheid tussen categorieën, zoals geslacht. Ik vraag me af hoe men dat wil toepassen om armoede in kaart te brengen. Het probleem is dat men op beleidsniveau vaak niet weet hoe armoede gemeten wordt. Liesbeth Homans gebruikte in het verleden ook van cijfermateriaal op een manier die niet altijd correct was.Het regeerakkoord stelt wel voor om voortaan het systeem van het referentiebudget te hanteren. Van Lancker: Dat is wel een nuttig instrument om na te gaan hoeveel mensen precies nodig hebben, wat dat precies kost en wat het uiteindelijke verschil is met de armoedegrens die wordt vastgelegd. Maar momenteel weten we wel dat het armoederisico en het referentiebudget als maatstaven niet altijd sterk van elkaar verschillen. In de praktijk zal die verandering niet tot grote verschuivingen leiden. Het grote gevaar bestaat er wel in dat de regering een indicator wil ontwikkelen die eventueel vatbaar is voor politieke manipulatie. Wie sociale voordelen in rekening brengt die niemand werkelijk ontvangt, kan op een slinkse manier het armoedecijfer doen dalen. Het is vooral afwachten hoe men dat in de praktijk zal brengen. Maar hoe je armoede ook meet, er zal steeds beleid nodig zijn om effectief iets aan armoede te doen.