2017 was een boerenjaar, zo klonk het de voorbije weken eensgezind. België presteerde uitstekend op financieel-economisch vlak: de economie groeide met 1,7 procent van het bbp (bruto binnenlands product), er kwamen netto 66.000 banen bij, ons begrotingstekort daalde spectaculair van 2,5 procent in 2016 naar 1 procent vorig jaar, terwijl de overheidsschuld afnam van 105,7 procent van het bbp naar 102,8 procent. Je zou van minder euforisch worden. 'Maar de werkelijkheid achter die op het eerste gezicht mooie prestaties is toch wat minder fraai', zegt professor overheidsfinanciën Wim Moesen (KU Leuven) aan de vooravond van de begrotingscontrole. 'In elk geval is er geen reden voor de regering om nu achterover te leunen.' Moesen legt de vinger op zes zere plekken:
...

2017 was een boerenjaar, zo klonk het de voorbije weken eensgezind. België presteerde uitstekend op financieel-economisch vlak: de economie groeide met 1,7 procent van het bbp (bruto binnenlands product), er kwamen netto 66.000 banen bij, ons begrotingstekort daalde spectaculair van 2,5 procent in 2016 naar 1 procent vorig jaar, terwijl de overheidsschuld afnam van 105,7 procent van het bbp naar 102,8 procent. Je zou van minder euforisch worden. 'Maar de werkelijkheid achter die op het eerste gezicht mooie prestaties is toch wat minder fraai', zegt professor overheidsfinanciën Wim Moesen (KU Leuven) aan de vooravond van de begrotingscontrole. 'In elk geval is er geen reden voor de regering om nu achterover te leunen.' Moesen legt de vinger op zes zere plekken: Moesen: 'Dat het begrotingstekort in één jaar met 1,5 procentpunt is gedaald, is een knappe prestatie. Als kleine, open economie profiteren we ten volle van de goede internationale conjunctuur: we fietsen dus als het ware bergaf, met de wind in de rug. Het regeringsbeleid, met onder meer de taxshift (zie punt 3, nvdr), gaf een extra duwtje in de rug. Je kunt er dus over discussiëren wat nu het meest heeft bijgedragen tot de daling van ons begrotingstekort, de goede conjunctuur of het beleid, maar duidelijk is wel dat ze elkaar hebben versterkt.' Opvallend is wel dat ons begrotingssaldo structureel, dus zonder eenmalige meevallers, maar met 0,9 procentpunt is verbeterd. 'De regering heeft nogal wat meevallers gekend. Aan de ene kant waren er een reeks minder uitgaven. Dankzij een nieuwe berekening van de lidmaatschapsbijdrage hoefde België bijvoorbeeld 300 miljoen euro minder aan de Europese Unie te betalen. We hebben in 2017 ook 300 miljoen meer op de geplande uitgaven bespaard dan andere jaren, vooral omdat we op het vlak van veiligheid minder geld hebben gespendeerd dan was begroot. En dankzij de daling van de rente hoefden we ook 800 miljoen euro minder uit te geven aan rentelasten.' 'Aan de andere kant waren er een aantal meevallers in de ontvangsten', vervolgt Moesen. 'Zo bracht de Europese strijd tegen de fiscale fraude meer geld in het laadje. En de voorafbetalingen van de vennootschapsbelastingen namen sterk toe - sommigen spreken zelfs van 1,5 tot 2 miljard euro - omdat de boetes zijn verhoogd voor wie onvoldoende heeft voorafbetaald.' Dat plaatst de opmerkelijke daling van het begrotingstekort in perspectief: die is voor meer dan één derde te danken aan eenmalige maatregelen. 'En dan is de vraag: zullen we die meevallers dit en volgend jaar ook hebben? Kunnen we dat begrotingstekort van 1 procent vasthouden? Europa denkt alvast van niet en rekent op een begrotingstekort van 1,5 procent voor 2018. Anders gezegd: onze regering mag niet achterover leunen en denken dat de koers gereden is. Zonder nieuwe maatregelen stijgt ons begrotingstekort opnieuw.' Premier Charles Michel (MR) vergelijkt de financieel-economische prestaties van zijn regering graag met die van de regering-Martens V, na de devaluatie van de Belgische frank in 1982, of met de regeringen onder leiding van Jean-Luc Dehaene toen die tussen 1992 en 1998 ons land klaarstoomden om toe te treden tot de eurozone. Moesen: 'Tijdens de regering-Martens V verbeterde het begrotingssaldo met gemiddeld 2 procent per jaar, onder premier Dehaene met gemiddeld 1 procent per jaar. En wat presteert de regering-Michel? Ze begon in 2014 met een begrotingstekort van 3,1 procent en als de EU gelijk krijgt, sluit ze dit jaar af met een tekort van 1,5 procent. Dat is dus een vermindering van 1,6 procentpunt of gemiddeld 0,4 procent per jaar. Dat is geen grootse prestatie en kan zeker niet de vergelijking doorstaan met wat Wilfried Martens en Dehaene hebben gerealiseerd.' Moesen gaat nog een stapje verder: 'Onze rentelasten zijn de voorbije jaren gedaald met 0,2 procent per jaar. De vermindering van het begrotingstekort met gemiddeld 0,4 procent per jaar is dus voor de helft te danken aan de daling van de rente. En maar voor 0,2 procent per jaar aan het beleid van de regering-Michel. Dat is toch wel heel erg mager.' De regering-Michel is trots op de taxshift die ze heeft doorgevoerd: door minder lasten op arbeid werden de werkgeversbijdragen lager en daalden de loonkosten. Moesen: 'Dat heeft er zeker toe geleid dat de werkgevers meer mensen in dienst hebben genomen. En elke extra werknemer heeft een dubbel effect op de overheidsfinanciën: de overheid hoeft minder uit te geven (bijvoorbeeld aan werkloosheidssteun) én ze ontvangt meer (want elke werknemer betaalt belastingen). Toch was die operatie, in tegenstelling tot wat werd vooropgesteld, niet budgetneutraal: ze heeft de overheid dus geld gekost. En ik heb nog een wezenlijker bezwaar bij de taxshift: vooral de werkgevers werden in de watten gelegd, de werknemers veel minder.' Het fundamentele probleem is dat er in ons land te weinig mensen aan de slag zijn, stelt Moesen. De werkzaamheidsgraad, het aantal mensen op arbeidsleeftijd dat werkt, ligt in België op 67 procent, terwijl het gemiddelde in Europa 71 procent is. In Duitsland en Nederland is zo'n 75 procent aan het werk, in Zweden zelfs meer dan 80 procent. Moesen: 'Het is goed dat de regering door de verlaging van de loonkosten de vraag naar arbeid vanuit de ondernemingen heeft gestimuleerd. Maar ze liet het na om een soortgelijke inspanning te leveren voor de werknemers. Als die morgen netto meer zouden verdienen, zouden ze meer en langer willen werken. Dat is niet gebeurd en het gevolg zien we vandaag: er is een krapte op de arbeidsmarkt. Er is veel vraag naar arbeidskrachten, maar het aanbod neemt onvoldoende toe.' 'Door de taxshift onvoldoende uit te breiden naar de werknemers heeft de regering-Michel een belangrijke kans laten liggen om iets te doen aan onze te lage werkzaamheidsgraad', concludeert Moesen. Als het goed is, zegt Moesen het ook: 'Voor het eest in tien jaar is de gouden financieringsregel gerespecteerd.' Die begrotingsregel zegt dat lopende uitgaven (ambtenarenlonen bijvoorbeeld) moeten worden gedekt door lopende inkomsten, maar dat je wel schulden mag aangaan voor 'materieel vaste activa' - eng gedefinieerd zijn dat investeringen in cement en bakstenen. Vergelijk het met een huishouden: je mag lenen om een huis te bouwen, maar het is onverstandig om je in de schulden te steken om op vakantie of restaurant te gaan. Moesen: 'Met een begrotingstekort van 1 procent zitten we duidelijk onder de overheidsinvesteringen in materieel vaste activa die in België 1,7 procent bedragen. Anders gezegd: de overheid leent geen centiem meer voor haar lopende uitgaven. Dat is heel belangrijk, want dat tekort is nu verdedigbaar omdat het naar echte investeringen ging.' Maar België investeert nog steeds te weinig, zegt Moesen, en dat merk je bijvoorbeeld aan onze infrastructuur. 'In de internationale ranglijst die de kwaliteit van havens, waterwegen, luchthavens, autowegen, bruggen en tunnels beoordeelt, stond België vijf jaar geleden op plaats 16, Nederland op 12 van de 144 landen. Nu zijn we gezakt naar 21, terwijl Nederland steeg naar plek 6. Dat zegt alles.' 'Een overheid die te vet is, moet afslanken', zegt Moesen. 'Maar wat investeringen in infrastructuur betreft, is België een anorexiapatiënt geworden en dat is schadelijk voor de gezondheid. We hebben onze infrastructuur jarenlang veronachtzaamd en nu zitten we met betonrot in de tunnels en zinkgaten in de wegen.' Premier Michel lanceerde onlangs wel een ambitieus plan om, verspreid over enkele jaren, tot 60 miljard euro te investeren in onze infrastructuur. Dat juicht Moesen toe: 'Het is belangrijk voor onze economie en welvaart.' Dat we zo weinig hebben geïnvesteerd, heeft ook te maken met de eisen van de Europese Unie. Die legde de afgelopen jaren de nadruk op bezuinigen en het bereiken van een structureel begrotingsevenwicht. Moesen: 'Na de bankencrisis (2008) en de Griekse schuldencrisis (2010) eiste Europa dat de lidstaten hun schulden drastisch zouden verminderen. Daarom moest er worden bespaard, soms stevig bespaard. Zo werd de economische heropleving genekt. In plaats van de economie een handje te helpen met overheidsinvesteringen, werd de economische relance tegengewerkt. Europa zorgde niet voor een beetje rugwind, maar liet ons serieus bergop fietsen.' Op dat Europese streven naar een structureel begrotingsevenwicht valt heel wat aan te merken, vindt Moesen. 'Je hoeft geen nulsado na te streven. Voor investeringen mag een land schulden aangaan, als je maar aan de gouden financieringsregel voldoet. Bovendien is de berekening van zo'n structureel saldo heel ingewikkeld, want was is precies structureel en wat niet? Uiteindelijk wisten nog maar weinigen hoe het precies in elkaar stak. En het Europese begrotingsbeleid is ook inconsequent, want toen grote landen als Frankrijk en Duitsland niet aan de vooropgestelde Europese eisen voldeden, kregen ze toch geen sanctie zoals dat normaal voorzien was.' Langzaamaan is de EU tot het besef gekomen dat er iets moest veranderen. 'Europa maakt nu een budgettaire bocht', aldus Moesen. 'Het zal de lidstaten niet meer alleen beoordelen op hun begrotingstekort en schuldgraad, maar ook naar de groei van de uitgaven kijken. Dat wordt zelfs het belangrijkste criterium van de drie. Dat is ook veel makkelijker te controleren dan een vaag begrip als het structurele begrotingssaldo. Landen als Nederland, Duitsland en Zweden werken bovendien al langer met zo'n uitgavennorm. Daar wordt zelfs voor de hele regeerperiode beslist met hoeveel de overheidsuitgaven mogen toenemen. Voor België is dat nieuw.' Onze uitgaven mogen dit jaar met 1,6 procent toenemen van Europa. 'Dat is eigenlijk een zachte bevriezing', zegt Moesen. 'De overheidsuitgaven mogen wel stijgen, maar toch niet zo veel als onze inflatie plus onze economische groei samen zullen stijgen.' Vorig jaar bedroeg onze inflatie 2,2 procent en de economische groei 1,7 procent, samen dus bijna 4 procent. 'Die beperking van de groei van onze uitgaven tot 1,6 procent wordt geen eenvoudige klus', besluit Moesen. 'De uitgavennorm wordt een streng keurslijf voor België.' De uitgavennorm die Europa België oplegt, geldt voor al onze overheden samen. Anders gezegd: de federale overheid, de gemeenschappen en gewesten en de lokale besturen zullen moeten overleggen over wie welke uitgaven met hoeveel zal laten stijgen. 'Die begrotingscoördinatie zal van cruciaal belang zijn', zegt Moesen. Nu werd er in ons land eind 2013 al een samenwerkingsovereenkomst afgesloten tussen de federale regering en de gewesten en gemeenschappen. Daarbij was het de bedoeling dat een Overlegcomité elk jaar een akkoord zou sluiten over wie welke begrotingsinspanningen zou leveren. 'We hebben inderdaad zo'n Overlegcomité, maar dat functioneert niet', stelt Moesen. Het Overlegcomité is het sinds zijn ontstaan nog nooit eens kunnen worden over de onderlinge verdeling van de begrotingsinspanningen. De voorbije jaren namen de gewesten en gemeenschappen akte van het begrotingstraject dat voor de gezamenlijke overheid was uitgetekend, zonder dat er doelstellingen werden geformuleerd voor de individuele gewesten en gemeenschappen. Elk deed zijn zin, zonder dat er bestraft werd.' Nu Europa ons een uitgavennorm oplegt, wordt de goede werking van het Overlegcomité nog crucialer, verduidelijkt Moesen. 'Niet de federale overheid, wel de deelgebieden zullen de volgende jaren de meeste uitgaven doen. Vooral zij zullen moeten investeren in infrastructuur, waar we zoals gezegd voor een inhaalbeweging staan. Ik vrees dat we niet voorbereid zijn om de verdeling van de uitgavennorm onder de federale overheid en de deelgebieden tot een goed einde te brengen. We staan bij Europa al bekend als een budgettaire belhamel die het niet zou nauw neemt met de regels. Het ziet ernaar uit dat we ook op het vlak van de uitgavennorm geen goede beurt zullen maken.'