De hele zomer door zal de Vrijdaggroep reflecteren over onze drang naar een "risicoloze samenleving". De vraag hoe om te gaan met risico's stond evident centraal in de hele discussie rond de covid-19 pandemie maar raakt, op een dieper niveau, aan alle aspecten van ons leven en onze samenleving. Onze antwoorden op deze vragen zullen dan ook een bepalende impact hebben op de wereld van morgen.

'We zijn ons gevoel voor geografie verloren', stelt Robert D. Kaplan in 'De Wraak van de Geografie'. Bij het schrijven van dit stuk volgen de berichten van aanhoudende regenval en niet-eerder geziene overstromingen in het oosten van het land elkaar in alarmerend tempo op. Ik kan dit dus enkel beamen. De gevolgen van klimaatverandering - niet alleen deze extreme regenval met bijhorende wateroverlast, maar ook hitte, droogte en zeespiegelstijging- zijn onze politieke geografie drastisch en uitdagend aan het hertekenen.

De recente overstromingen zijn het voorbeeld bij uitstek: inwoners van het oosten van België kampen met dezelfde wateroverlast als die in het westen van Duitsland en het zuiden van Nederland. Waar we politiek gezien Belgen, Duitsers en Nederlanders zijn, herinneren de overstromingen er ons aan dat we hydrologisch en dus geografisch gezien één volk zijn: inwoners van het stroombekken van de Maas en Rijn, kortom Maas- en Rijnlanders. Nationaliteiten en politieke grenzen vervagen op het moment dat de geografie wraakt.

Willen we werkelijk wachten tot het water ons aan de lippen staat?

Als inwoners van de Lage Landen weten wij, neder-landers, als geen ander dat we vroeg of laat met natte voeten zitten. Of, tenminste, dat wisten we. Het platteland met haar seizoensleven heeft zich immers in snel tempo getransformeerd naar stad, met in vele gevallen een voor- en randstad waarin het niet meer de seizoenen zijn die het ritme bepalen. Maartse buien en aprilse grillen vallen de gemiddelde stedeling enkel nog lastig op de fietstocht naar het werk of de winkel, en bouwen doen we argeloos en bovendien massaal in overstromingsgevoelig gebied, waarbij we de waarschuwing die de straatnaam vaak in zich draagt naast ons neerleggen. Wie kent er niemand die in de beek-, broek, - of moorstraat woont?

Is het zo dat we met een gerust hart investeren in goedkopere, lagergelegen bouwgronden met overstromingsgevoelig vastgoed omdat we ons risico afkopen met een hogere verzekeringspremie op wateroverlast? Heeft ons gevoel voor economie daadwerkelijk ons gevoel voor geografie vervangen? Of besteden we het risico op wateroverlast uit aan de overheid die via één enkel instrument, de watertoets, bepaalt waar we 'mogen' wonen en bouwen? En dan schrijf ik expliciet niet 'waar we kunnen wonen'. De watertoets zal immers pas dit jaar aangevuld worden met klimaatscenario's die extreme(re) regenval met bijhorende overstromingscontour uittekenen. De waterparagraaf met milderende maatregelen die de watertoets oplegt in de bouwvergunning is ook nog steeds niet altijd of overal bindend.

Waarom adapteren we zo traag aan een veranderend klimaat? Voor het eerst in de geschiedenis, en intussen al een decennia lang, hebben we een veelheid aan data die vooruitblikt op de gevolgen van klimaatverandering. Modellen voor wateroverlast (en zeespiegelstijging) rekenen nu al met scenario's van een 100-jarige storm in 2030, 2050 en 2100. We weten wat er komen zal, dat het komen zal, en dat de frequentie van zulke extreme weersomstandigheden zal stijgen, we weten enkel niet nauwkeurig wanneer. En zo stonden we dus, (niet) geheel onverwacht, in juli 2021 al met het water aan de lippen.

Waar fluviale en pluviale wateroverlast de betrouwbaarste bedreiging vormden voor de lage landen, zal klimaatverandering ons geografisch risico drastisch verschuiven, en onze politieke grenzen blijven bevragen. Extremere wateroverlast, maar ook hittestress, droogte en zeespiegelstijging zijn nieuwe geografische risico's die met zekerheid deel gaan uitmaken van onze seizoenen. Ze zijn onze nieuwe 'reliable menace'.

Vraag is enkel of we ook deze risico's met financiële constructies gaan milderen of zullen uitbesteden aan de overheid? Of is er eindelijk politieke ruimte om klimaatadaptatie- en bijhorende rampenplannen terug op de geografie te baseren? Dan tekenen we plannen uit die zich inschrijven in de systemische werking van het territorium, zijn hydrologie, ecologie en weerkunde, en wordt er aan grensoverschrijdende klimaatadaptatie gedaan. En die hedendaagse manier van (samen)werken wordt dan bij voorkeur opgestart met het beheren van onze betrouwbaarste bedreiging: het risico op (extremere) wateroverlast. Het is louter een kwestie van ons gevoel voor geografie te herbronnen en in te zetten als beste preventie- en adaptatiestrategie.

'We zijn ons gevoel voor geografie verloren', stelt Robert D. Kaplan in 'De Wraak van de Geografie'. Bij het schrijven van dit stuk volgen de berichten van aanhoudende regenval en niet-eerder geziene overstromingen in het oosten van het land elkaar in alarmerend tempo op. Ik kan dit dus enkel beamen. De gevolgen van klimaatverandering - niet alleen deze extreme regenval met bijhorende wateroverlast, maar ook hitte, droogte en zeespiegelstijging- zijn onze politieke geografie drastisch en uitdagend aan het hertekenen. De recente overstromingen zijn het voorbeeld bij uitstek: inwoners van het oosten van België kampen met dezelfde wateroverlast als die in het westen van Duitsland en het zuiden van Nederland. Waar we politiek gezien Belgen, Duitsers en Nederlanders zijn, herinneren de overstromingen er ons aan dat we hydrologisch en dus geografisch gezien één volk zijn: inwoners van het stroombekken van de Maas en Rijn, kortom Maas- en Rijnlanders. Nationaliteiten en politieke grenzen vervagen op het moment dat de geografie wraakt.Als inwoners van de Lage Landen weten wij, neder-landers, als geen ander dat we vroeg of laat met natte voeten zitten. Of, tenminste, dat wisten we. Het platteland met haar seizoensleven heeft zich immers in snel tempo getransformeerd naar stad, met in vele gevallen een voor- en randstad waarin het niet meer de seizoenen zijn die het ritme bepalen. Maartse buien en aprilse grillen vallen de gemiddelde stedeling enkel nog lastig op de fietstocht naar het werk of de winkel, en bouwen doen we argeloos en bovendien massaal in overstromingsgevoelig gebied, waarbij we de waarschuwing die de straatnaam vaak in zich draagt naast ons neerleggen. Wie kent er niemand die in de beek-, broek, - of moorstraat woont? Is het zo dat we met een gerust hart investeren in goedkopere, lagergelegen bouwgronden met overstromingsgevoelig vastgoed omdat we ons risico afkopen met een hogere verzekeringspremie op wateroverlast? Heeft ons gevoel voor economie daadwerkelijk ons gevoel voor geografie vervangen? Of besteden we het risico op wateroverlast uit aan de overheid die via één enkel instrument, de watertoets, bepaalt waar we 'mogen' wonen en bouwen? En dan schrijf ik expliciet niet 'waar we kunnen wonen'. De watertoets zal immers pas dit jaar aangevuld worden met klimaatscenario's die extreme(re) regenval met bijhorende overstromingscontour uittekenen. De waterparagraaf met milderende maatregelen die de watertoets oplegt in de bouwvergunning is ook nog steeds niet altijd of overal bindend.Waarom adapteren we zo traag aan een veranderend klimaat? Voor het eerst in de geschiedenis, en intussen al een decennia lang, hebben we een veelheid aan data die vooruitblikt op de gevolgen van klimaatverandering. Modellen voor wateroverlast (en zeespiegelstijging) rekenen nu al met scenario's van een 100-jarige storm in 2030, 2050 en 2100. We weten wat er komen zal, dat het komen zal, en dat de frequentie van zulke extreme weersomstandigheden zal stijgen, we weten enkel niet nauwkeurig wanneer. En zo stonden we dus, (niet) geheel onverwacht, in juli 2021 al met het water aan de lippen. Waar fluviale en pluviale wateroverlast de betrouwbaarste bedreiging vormden voor de lage landen, zal klimaatverandering ons geografisch risico drastisch verschuiven, en onze politieke grenzen blijven bevragen. Extremere wateroverlast, maar ook hittestress, droogte en zeespiegelstijging zijn nieuwe geografische risico's die met zekerheid deel gaan uitmaken van onze seizoenen. Ze zijn onze nieuwe 'reliable menace'. Vraag is enkel of we ook deze risico's met financiële constructies gaan milderen of zullen uitbesteden aan de overheid? Of is er eindelijk politieke ruimte om klimaatadaptatie- en bijhorende rampenplannen terug op de geografie te baseren? Dan tekenen we plannen uit die zich inschrijven in de systemische werking van het territorium, zijn hydrologie, ecologie en weerkunde, en wordt er aan grensoverschrijdende klimaatadaptatie gedaan. En die hedendaagse manier van (samen)werken wordt dan bij voorkeur opgestart met het beheren van onze betrouwbaarste bedreiging: het risico op (extremere) wateroverlast. Het is louter een kwestie van ons gevoel voor geografie te herbronnen en in te zetten als beste preventie- en adaptatiestrategie.