Het debat bij onze noorderburen wordt al dagen gedomineerd door het boerkaverbod dat vanaf vandaag van kracht is, of zoals het officieel heet de 'Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding'. Deze verbiedt nikabs, integraalhelmen, bivaksmutsen of andere attributen die het gezicht verhullen in openbare gebouwen zoals ziekenhuizen en politiestations, alsook het openbaar vervoer. Nederland treedt daarmee deels in de voetsporen van landen als Frankrijk, Italië en ons eigenste België, die eerder gelijkaardige repressieve maatregelen namen. De wet is niet alleen een onaanvaardbare aanslag op de persoonlijke vrijheid, verschillende reacties erop laten nog maar eens zien dat de vermeende universaliteit die we ons in het Westen aanmatigen in werkelijkheid voor sommigen niet zelden neerkomt op een stok om andere landen en culturen mee te slaan.

Democratische wet

Een veelvoorkomende reactie op critici van de wet en activisten die aankondigden burgerlijke ongehoorzaamheid ertegen te zullen inzetten, is dat ze democratisch tot stand is gekomen, dat wil zeggen met instemming van de bevolking. Dientengevolge heeft men zich er blijkbaar bij neer te leggen. Maar dat is niet hoe een liberale democratie functioneert. Een liberaal land stelt grenzen aan de democratie, in de vorm van de individuele vrijheid van de burger, die door geen enkele meerderheid, hoe groot ook, geschonden mag worden.

Wie gelooft in individuele vrijheid voor iedereen, moet zich verzetten tegen het boerkaverbod.

Denk maar aan onze reactie op de repressieve wetten in Iran, die vrouwen dwingen een hoofddoek en losse kleding te dragen. We vinden dat onvrij en fout, ongeacht het feit dat het een uitvloeisel is van de Vilayat-e Faqih-doctrine in de Iraanse grondwet, die door een grote meerderheid is aangenomen in 1979 en expliciet gesteund wordt door 62% van de bevolking. Idem dito met gelijkaardige maatregelen in het Indonesische Aceh, in Saoedi-Arabië of de Verenigde Arabische Emiraten, of maatregelen tegen de zichtbaarheid van homoseksuelen, consumptie van alcohol of buitenechtelijke betrekkingen in Egypte, Marokko of Yemen, allemaal met brede steun bij de bevolking.

De reden waarom we ons verzetten tegen dergelijke repressieve wetgeving, is omdat het gedrag criminaliseert dat niemand anders schaadt. De intuïtieve maatstaf die we hanteren om de (on)vrijheid van een land te meten, is het beroemde schadebeginsel dat de Britse filosoof John Stuart Mill formuleerde in On Liberty:

'(...) the sole end for which mankind are warranted, individually or collectively, in interfering with the liberty of action of any of their number, is self-protection. (...) the only purpose for which power can be rightfully exercised over any member of a civilised community, against his will, is to prevent harm to others. His own good, either physical or moral, is not a sufficient warrant. He cannot rightfully be compelled to do or forbear because it will be better for him to do so, because it will make him happier, because, in the opinions of others, to do so would be wise, or even right.'

Merk op dat dit principe geen gradaties toelaat: ofwel ben je een liberale staat, ofwel niet. Natuurlijk zijn er voor illiberale staten gradaties voor hoe illiberaal ze zijn, dus hoezeer ze het schadebeginsel overtreden.

Gematigd?

Dit verklaart ook waarom de zogenaamd 'gematigde' attitude - 'ik ben voor vrijheid, maar vind gezichtsbedekking toch wat ver gaan' - geen steek houdt, hoewel het redelijk kan klinken. Immers, men drukt er niets anders mee uit dan dat men een buitengewoon ernstig persoonlijk bezwaar heeft tegen de nikab. Hier wordt een van de grote bedreigingen voor de liberale staat blootgelegd: het alomtegenwoordige risico dat men de eigen, cultureel bepaalde voorkeuren gaat zien als universele, 'redelijke' beperkingen op de vrijheid.

Mill waarschuwde ons hier reeds voor:

The effect of custom in preventing any misgiving respecting the rules of conduct which mankind impose on one another is complete because the subject is one on which it is not generally considered necessary that reasons should be given. But an opinion on a point of conduct, not supported by reasons, can only count as one person's preference; and if the reasons, when given, are a mere appeal to a similar preference felt by other people, it is still only many people's liking instead of one.'

Het is daarom instructief om onze gedachte-experimenten te situeren in andere landen en culturen wanneer we willen achterhalen of een maatregel al dan niet een inbreuk vormt op de persoonlijke vrijheid. Stel je dus een discussie voor tussen een voor- en tegenstander van de repressieve officiële dresscode in Iran. De 'gematigde' positie hier zou misschien zijn om het hoofddoekgebod op te heffen, maar wel een bepaalde lengte voor kledij voor te schrijven - 'want ik vind een minirok toch te ver gaan'. Zijn we bereid dit moreel te aanvaarden? Kan een 'gematigd' beleid dat minirokken en korte broeken verbiedt vrij genoemd worden? Het antwoord is 'neen'. Het schadebeginsel is niet onderhandelbaar. Zolang niemand anders geschaad wordt door iemands gedrag, hoort hij vrij te zijn het te stellen.

Wie hierbij stilstaat, beseft dat het bestaan überhaupt van dit debat reeds een aanslag is op de fundamenten van de liberale rechtsstaat. Het betekent regressie naar een situatie van de maatschappelijke discussie waarin het in vraag stellen van persoonlijke vrijheid aanvaardbaar was. Mill merkte dit reeds op bij zijn tijdgenoten:

'Those who have been in advance of society in thought and feeling have occupied themselves rather in inquiring what things society ought to like or dislike, than in questioning whether its likings or dislikings should be a law to individuals.'

Er bestaat ook argumenten voor een hoofddoekengebod, die je gereed kan terugvinden in islamistische literatuur: wegenemen van seksuele spanningen in de publieke ruimte, bestrijden van overspel en gezinsafbraak, vermijden van objectivering van het vrouwelijk lichaam, etc. Geen enkele respectabele krant of tv-programma zou echter ooit toestaan dat iemand zou pleiten voor een dergelijk beleid, omdat ze (terecht) erkennen dat persoonlijke vrijheid immuun is voor dergelijke beschouwingen. Waarom mag dit dan wel in het geval van het nikabverbod?

Veiligheid en onderdrukking

Sommigen anticiperen deze argumentatie, en proberen toch redenen te zoeken om het verbod te rechtvaardigen. Eén daarvan is veiligheid. Indien men niet steeds herkenbaar is, zou de publieke veiligheid in het gedrang komen. In 2018 verwierp het VN-mensenrechtencomité (verantwoordelijk voor de handhaving van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten) deze argumentatie echter reeds:

'The Committee was not persuaded by France's claim that a ban on face covering was necessary and proportionate from a security standpoint. The Committee acknowledged that States could require that individuals show their faces in specific circumstances for identification purposes, but considered that a general ban on the nikab was too sweeping for this purpose.'

Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens sprak dit niet tegen: in het besluit waarin ze de legitimiteit van nationale nikabverboden affirmeerden, gaven ze niet veiligheid als rechtvaardiging, maar 'vivre ensemble'. Zoals de mensenrechtenorganisatie Amnesty International echter terecht vaststelt op Twitter:

'Dat mensen aanstoot nemen aan een uiting kan geen reden zijn om die te verbieden en schept een gevaarlijk precedent voor verdere beperkingen.'

'Vivre ensemble' is een verbloemde manier om te zeggen dat veel mensen nikabs niet leuk vinden. Dat is hun goed recht, maar het is geen legitieme reden om de persoonlijke vrijheid in te perken. Als we ons Iraanse voorbeeld er weer bij nemen: we zouden nooit het argument aanvaarden dat het verbod op openbare homoseksualiteit legitiem is, omdat het het 'samenleven' bevordert. De bevolking mag homoseksualiteit dan wel verwerpen, dat doet niets af aan de onvervreemdbare indidviduele vrijheid van homoseksuele personen.

Het is niet anders gesteld met het argument dat de nikab 'vrouwen onderdrukt': ook dit overleeft de hypothetische transplantatie naar een andere culturele omgeving niet. Stel dat men in Iran schaarse kledij - en media die schaarsgeklede dames voorstellen - zou willen verbieden met het argument dat dit een onrealistische schoonheidsstandaard schept en het vrouwenlichaam seksualiseert, waardoor vrouwen een enorme druk ervaren om zich op een bepaalde manier te kleden en gedragen.

Dit is niet zomaar een abstracte mogelijkheid: menig prominente feminist heeft deze positie ingenomen, en de prestigieuze American Psychological Association heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de negatieve effecten hiervan op jonge meisjes, van anorexia tot dieetstoornissen. Zouden we dit echter aanvaarden als een goede reden om de klederdracht van vrouwen per wet te reguleren? Neen.

De haatreacties die Amnesty International heeft ontvangen naar aanleiding van hun steun voor de vrijheid van vrouwen om te dragen wat ze willen, geven aan dat het hier in heel wat gevallen eigenlijk helemaal niet gaat om het beschermen van arme onderdrukte moslima's - zij kunnen heus wel voor zichzelf spreken. Moslima's in Nederland die de nikab dragen, doen dat vaak tegen de wensen van hun mannelijke familieleden in, die bang zijn voor de reacties. Bovendien plegen nikabi's zelfstandige en zelfbewuste moslima's te zijn.

Neen, het gaat hier zoals verwacht om identitair extremisme: de nikab 'hoort niet thuis bij ons'. 'Ga maar naar de woestijn als je dat wil dragen!', is een veel voorkomende reactie.

Het toont aan dat mensenrechten voor een groot deel van de Europese bevolking, die we doorgaans als 'vooruitstrevend' en 'verlicht' beschouwen, eigenlijk niet meer zijn dan een werktuig om de eigen superioriteit uit te stralen, een pseudo-nationalistisch lapmiddeltje om nog eens trots te kunnen zijn op de eigen identiteit. Zodra mensenrechtenorganisaties zich keren tegen onvrijheid en repressie op het thuisfront, worden ze voor het vuil van de aarde uitgemaakt.

Op sociale media hoef je niet lang te zoeken naar de meest ranzige beledigingen en dreigementen, en talloze mensen hebben aangegeven hun steun voor de organisatie te zullen stopzetten. Mensenrechten zijn universeel, zolang ze maar niet interfereren met onze eigen vooroordelen. Een Europese universaliteit, zeg maar.

Verzet

Niet alleen mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Human Rights Watch of internationale mensenrechtenorganen zoals het VN-mensenrechtencomité veroordelen nikabverboden: in Nederland weigeren vele publieke instanties mee te werken aan de handhaving van de wet . Zo gaven een groot aantal openbaarvervoersbedrijven reeds aan vrouwen met nikab geen dienstverlening te zullen weigeren. Verscheidene medicale en politie-instanties hebben ook al gemeld dat ze van de handhaving geen prioriteit zullen maken en manieren zullen vinden om nikabi's te bedienen.

Dit is allemaal zeer legitiem, even legitiem als de strijd van vrouwen en homo's in Aceh of Iran tegen de repressieve wetten die daar heersen. Lex iniusta non est lex. Niet alle reacties zijn echter even positief. Zo publiceerde het Algemeen Dagblad een artikel over het verbod waarin het uitlegde dat het volgens de Nederlandse wet mogelijk was voor individuele burgers om nikabi's te arresteren, en hen indien nodig daarbij tegen de grond te duwen.

Daarop nam Geert Wilders dit bericht over en retweette het naar zijn achterban. Ik neem aan dat deze dames zich zeer bevrijd zullen voelen wanneer ze de publieke geweldplegingen van groepjes mannen ondergaan.

Alle goede personen die geloven in individuele vrijheid voor iedereen, ongeacht zijn of haar persoonlijke morele opvattingen, dient zich te verzetten tegen de repressieve nikabwetgeving. Europa staat niet verheven boven kritiek op haar mensenrechtenschendingen.